A-G Niessen heeft conclusie genomen in de zaak met nummer 17/00841. In cassatie is in geschil welke waarde voor de heffing van IB/PVV moet worden gehanteerd voor de door belanghebbende aan [A] te [Q], zijnde een algemeen nut beogende instelling (hierna: ANBI), geschonken voorwerpen (uit luipaardbont vervaardigde handtas, stola, parapluhouder, diadeem en twee hoedjes).
Het Hof heeft voorop gesteld dat de onderhavige voorwerpen, ondanks het handelsverbod, een geldelijke waarde hebben, zodat in beginsel sprake is van een voor de heffing van IB/PVV relevante schenking. Het Hof heeft geoordeeld dat belanghebbende, op wie in dezen de bewijslast rust, de door hem gestelde waarde van de voorwerpen niet aannemelijk heeft gemaakt. Het Hof heeft het hoger beroep van belanghebbende ongegrond verklaard.
Belanghebbende is tegen het oordeel van het Hof in cassatie gekomen. Belanghebbende betoogt primair dat voor de waardering van de voorwerpen de vervangingswaarde de aangewezen maatstaf is. Secundair stelt belanghebbende zich op het standpunt dat de waarde dient te worden bepaald op de douanewaarde vermeerderd met de verschuldigde omzetbelasting bij import. Meer secundair stelt belanghebbende zich op het standpunt dat de waarde tenminste moet worden gesteld op de verschuldigde omzetbelasting bij import vermeerderd met de kosten van vervoer en de kosten van het prepareren.
A-G Niessen stelt vast dat noch in de Wet IB 2001, noch in de wetgeschiedenis en noch in de jurisprudentie enige aanwijzing is te vinden voor de waardering op één van de door belanghebbende gestelde waarden. In de Wet IB 2001 ontbreekt een expliciet waarderingsvoorschrift voor de schenking van voorwerpen in natura aan culturele instellingen. Voorts is hierover geen jurisprudentie van de Hoge Raad voorhanden. In dat geval meent de A-G dat wordt teruggevallen op de waarde die aan de voorwerpen toekomt in het economische verkeer. De A-G meent dat voor de door belanghebbende geschonken voorwerpen, ondanks het handelsverbod, een markt bestaat. Het handelsverbod is niet een grond om de voorwerpen niet op de waarde in het economische verkeer te waarderen.
De waarde in het economische verkeer van de voorwerpen kan volgens de A-G het best worden aangetoond door een waardering van de voorwerpen door een onafhankelijke, gespecialiseerde taxateur. De taxateur kan bij zijn waardebepaling rekening houden met alle feiten en omstandigheden zoals de aard van de voorwerpen, de vraag of een handelsverbod geldt ter zake van de voorwerpen, de mogelijk beperkte verkoopmogelijkheid van de voorwerpen, de mogelijk grote vraag naar de goederen vanwege schaarste et cetera.
De wetgever heeft het begrip ‘waarde in het economische verkeer’ niet gedefinieerd. Uit de wetsgeschiedenis kan worden opgemaakt dat met het begrip ‘waarde in het economische verkeer’ is beoogd tot uitdrukking te brengen dat slechts de waarde in aanmerking komt die ook anderen dan de belastingplichtige aan eenzelfde vermogensbestanddeel zouden toekennen, waarbij aandacht dient te worden geschonken aan alle van belang zijnde economische factoren.
De jurisprudentie van de Hoge Raad ter zake van het begrip ‘waarde in het economische verkeer’ is niet a priori zonder meer toepasbaar in onderhavige zaak. Deze jurisprudentie had namelijk betrekking op enerzijds de schenk- en erfbelasting c.q. vermogensbelasting en anderzijds op onroerend goed c.q. zaken waarin geregeld handel wordt gedreven. Wel geeft de jurisprudentie inzicht in de manier waarop de Hoge Raad heeft geoordeeld dat de ‘waarde in het economische verkeer’ moet worden vastgesteld.
Van de door belanghebbende voorgestelde waarden staat geenszins vast dat ze aansluiten bij de waarde in het economische verkeer. Uit ’s Hofs uitspraak volgt overigens niet dat het de waarde die [A] aan de voorwerpen heeft toegekend, zijnde € 850, heeft gevolgd. Het Hof heeft deze waardering van [A] ‘mede in aanmerking genomen’ bij de totstandkoming van het oordeel.
Het Hof heeft bij zijn oordeel, onder meer, mede in aanmerking genomen dat de gestelde waarde niet is meegenomen in de erfbelastingaangifte, noch in de vermogensopstelling voor box 3 in de aangifte IB/PVV en dat deze waarde evenmin is meegenomen in zijn inboedelverzekering. De A G meent dat dit niets zegt over de waarde in het economische verkeer van de geschonken voorwerpen.
De A-G acht het oordeel van het Hof niet onbegrijpelijk. Het Hof heeft kennelijk geoordeeld dat het overleggen van informatie van websites die gespecialiseerd zijn in het organiseren van hunting safari’s en een prijsopgave voor een hunting safari, onvoldoende zijn om de waarde in het economische verkeer van de geschonken voorwerpen aan te tonen. Dit oordeel is niet onbegrijpelijk, mede gezien het algemeen bekende feit dat voorwerpen als de onderhavige op de Nederlandse markt een andere waarde kunnen hebben dan op een buitenlandse markt. Het Hof heeft voorts blijkbaar geoordeeld dat de andere argumenten die door belanghebbende voor het Hof zijn aangevoerd, te weinig gewicht hebben. De waardering van de door belanghebbende aangedragen bewijsmiddelen ter zake van de giftenaftrek berust op de aan de feitenrechter voorbehouden waardering van de bewijsmiddelen. Daarvoor is in cassatie geen plaats. Het oordeel van het Hof is voorts niet onvoldoende gemotiveerd of onbegrijpelijk.
De klachten van belanghebbende falen. De conclusie strekt ertoe dat het beroep in cassatie van belanghebbende ongegrond moet worden verklaard.