Het hof heeft het vonnis van de rechtbank vernietigd, voor recht verklaard dat de door Bosporus geleden schade voor 30% gedekt is onder de verzekering, meer specifiek onder art. 4 lid 1, aanhef en onder a (brandschade), van de door ASR gehanteerde polisvoorwaarden, en ASR veroordeeld om over te gaan tot afwikkeling van de door Bosporus als gevolg van de brand geleden schade. Hiertoe heeft het hof, samengevat en voor zover in cassatie van belang, het volgende overwogen.
Onderzocht moet worden of de verzekeringsovereenkomst bij het terugvinden
van de uitgebrande auto nog steeds gold. ASR beroept zich namelijk op art. 5 lid 3 van de toepasselijke polisvoorwaarden. Volgens deze bepaling eindigt een verzekering direct “zodra u geen belang meer hebt bij een verzekerde zaak en u de feitelijke macht daarover verliest”. Bosporus heeft in een verklaring van 2 november 2011 “na ontvangst van de schadepenningen van ASR” de eigendom van de auto aan ASR overgedragen. ASR heeft bij brief van 29 december 2011 aan Bosporus bericht dat de geclaimde diefstalschade niet onder de dekking valt en niet voor vergoeding in aanmerking komt. De eigendom van de auto is dus niet aan ASR overgedragen, nu er geen schadepenningen zijn betaald. Hoewel Bosporus de feitelijke macht over de auto had verloren, hield zij dus, ondanks de diefstal, toch belang bij (de eigendom van) de auto, de waarde ervan en de mogelijkheid om deze terug te krijgen. Aldus had zij nog steeds een verzekerbaar belang. (rov. 2.2)
ASR beroept zich ook op art. 5 lid 2, aanhef en onder c van de toepasselijke polisvoorwaarden: “Een verzekering eindigt als wij deze schriftelijk opzeggen: binnen 30 dagen nadat wij op de hoogte zijn gebracht van een gebeurtenis die ons kan verplichten tot het geven van een vergoeding”. ASR heeft echter geen schriftelijke opzegging aangevoerd of overgelegd. Er kan daarom niet van worden uitgegaan dat de verzekering is opgeschort of opgezegd. Bosporus had dus nog belang bij de auto en de verzekering was nog van kracht toen de auto uitgebrand werd teruggevonden. Overigens staat, anders dan ASR aanvoert, niet vast dat de brand na 13 maart 2012 of ook maar na 22 oktober 2011 heeft plaatsgevonden. (rov. 2.3)
Volgens ASR gaat het bij de brandschade nog steeds om schade aan het motorrijtuig die is ontstaan door een, hier niet gedekte, diefstal. Het polisblad betrekt de alarmklasseclausule uitsluitend op ‘(poging tot) diefstal, braak, joyriding, verduistering, oplichting of vermissing’. Deze categorie sluit naadloos aan bij de dekkingsbepaling in art. 4 lid 1, aanhef en onder c, van de toepasselijke polisvoorwaarden: ‘diefstal, braak, verduistering, oplichting, joyriding, vermissing en poging tot diefstal, braak en joyriding’. Ook de aanvullende uitsluiting in art. 8, aanhef en onder 8, van die voorwaarden wegens het ontbreken van een anti-diefstalsysteem is slechts beperkt tot de gevallen van joyriding of diefstal. Dit betekent dat Bosporus in redelijkheid niet behoefde te verwachten dat ASR de alarmklasseclausule ook wilde betrekken op de in art. 4 lid 1, aanhef en onder a, van die voorwaarden naast diefstal nevengeschikt opgenomen categorie: ‘brand, ontploffing, blikseminslag, zelfontbranding en kortsluiting’. (rov. 2.4)
Toen de auto werd teruggevonden, hadden zich dus twee evenementen voorgedaan, de diefstal en de brand. De diefstaloorzaak is van dekking uitgesloten, maar de brand op zichzelf niet. Zij heeft plaatsgevonden tijdens de looptijd van de verzekering en vormt op grond van art. 4 lid 1, aanhef en onder a, van de polisvoorwaarden een gedekte gebeurtenis. (rov. 2.5)
Volgens ASR is echter alleen de diefstal de rechtens relevante oorzaak van de schade en is de brand daarop terug te voeren; aan de opvolgende brand komt in haar optiek geen zelfstandige betekenis meer toe. Voor de door ASR hier voorgestane toepassing van de dominant cause-leer verwijst zij naar de omschrijving van het begrip ‘gebeurtenis’ in de toepasselijke algemene voorwaarden, te weten: “Een voorval of een reeks van voorvallen die met elkaar verband houden, waardoor schade ontstaat. De gebeurtenis moet plaatsvinden tijdens de looptijd van de verzekering.” (rov. 2.6)
Deze omschrijving van het begrip ‘gebeurtenis’ is echter onduidelijk op het punt van het daar bedoelde ‘verband’: gaat het om een temporeel (tijds-)verband of een causaal (oorzakelijk) verband of een andersoortig verband? Dit onderscheid is van belang omdat geen van beide partijen in deze zaak heeft uiteengezet (en mogelijk ook niet zal hebben ontdekt of kan achterhalen) welke personen wat met de auto hebben uitgespookt in de hier relatief lange periode tussen de diefstal van 21/22 oktober 2011 en de vondst van de uitgebrande auto omstreeks 10 april 2012; er bestaat alleen een volgordeverband tussen de diefstal en de brand, van meer is niet gebleken. Vooral is niet bekend wanneer en waardoor de auto in brand is geraakt en of er een causaal verband is tussen de diefstal en de brand. De brand is gedurende deze langere periode niet per se een gevolg van de eind oktober 2011 gepleegde diefstal geweest. Ook wanneer wordt uitgegaan van de dominant cause-leer betekent dit in dit specifieke geval dus niet dat de schade als gevolg van de diefstal als dominant cause moet worden beschouwd. Uiteindelijk bieden de polisvoorwaarden voor dit geval van polycausaliteit geen aanwijzing voor de door ASR voorgestane uitleg. Als ASR op een geval als dit de dominant cause-leer had willen toepassen, had het op haar weg gelegen om dit in duidelijke bewoordingen in de polisvoorwaarden op te nemen. Dat heeft zij echter nagelaten. (rov. 2.7)
De, niet gedekte, diefstal heeft voor Bosporus geleid tot het verlies van de feitelijke macht, de gebruikswaarde en gaandeweg ook van de vermogenswaarde van de auto. De, wel gedekte, brand heeft onmiddellijk geleid tot zaaks- en vermogensschade. De uiteindelijke schade is een gevolg van beide factoren, maar onduidelijk is wat hun afzonderlijke causaliteitsbijdrage is geweest. De schade is mede een gevolg van een, niet gedekte, diefstal, welke omstandigheid, in de verhouding tot ASR, aan Bosporus als benadeelde kan worden toegerekend. De vergoedingsplicht van ASR wegens de brandschade wordt daarom proportioneel verminderd door de schade over Bosporus en ASR te verdelen in evenredigheid met de mate waarin de aan ieder toe te rekenen omstandigheden tot de schade hebben bijgedragen. Bij gebreke van nadere feitelijke informatie over de gebeurtenissen tussen de diefstal en de brand ligt als uitgangspunt voor de hand om de schade 50-50 te verdelen. Maar er kan toch ook niet zo maar worden voorbijgegaan aan het ervaringsgegeven dat een dief en zijn (directe) opvolgers als regel minder zorg zullen hebben voor de gestolen auto. Zo komt het nogal eens voor dat een auto wordt gestolen en vervolgens na kortere of langere tijd wordt gebruikt voor criminele activiteiten waarna de daders de sporen ervan door brandstichting aan de auto willen uitwissen. Dit rechtvaardigt de schade toch meer toe te rekenen aan de diefstal, namelijk voor 70%. ASR zal daarom 30% van de gedekte brandschade aan Bosporus moeten vergoeden. (rov. 2.8)