De cassatiemiddelen klagen, onder verwijzing naar een gevoerd verweer, dat het bewezenverklaarde opzet op de valsheid van het geschrift niet uit de bewijsvoering kan worden afgeleid.
2.2.1
Overeenkomstig de tenlastelegging is ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat:
“hij op 4 april 2018 te Amsterdam:
- een formulier Wet Bibob en Bouwactiviteiten van de gemeente Amsterdam, zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt, immers heeft hij valselijk in voornoemd geschrift de vraag:
Is of zijn de aanvrager(s), opdrachtgevers, bestuurders, aandeelhouders of vennoten in de afgelopen vijf jaar:
- veroordeeld
- een schikking aangegaan met het Openbaar Ministerie
- in aanraking geweest met politie of justitie?
met “Nee” beantwoord, terwijl hij, verdachte, zijnde die bestuurder, op 19 april 2016 door het gerechtshof Amsterdam is veroordeeld wegens mensensmokkel en voornoemd geschrift voorzien van zijn, verdachtes, handtekening, zulks met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken.”
2.2.2
Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:
“1. Een proces-verbaal van aangifte met nummer PL1300-2018206674-1 van 11 oktober 2018, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant] (niet genummerd).
Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van [betrokkene 1] , zakelijk weergegeven:
Ik doe namens de burgemeester van Amsterdam aangifte van valsheid in geschrift. Op het Bibob-formulier Wet Bibob en Bouwactiviteiten, ondertekend op 4 april 2018 heeft [verdachte] vraag 8b op pagina 3 negatief beantwoord. [verdachte] heeft met de beantwoording van deze vraag onjuiste informatie verschaft en heeft daarmee informatie niet verstrekt die wel van belang is bij onze Bibob-toets.
2. Een formulier van de Wet Bibob en Bouwactiviteiten van de Gemeente Amsterdam, ondertekend door de verdachte en gedateerd 4 april 2018 (niet genummerd).
Dit formulier houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:
5. Gegevens aanvrager (bedrijf/rechtspersoon)
[X] BV
Statutaire naam en statutaire vestigingsplaats
(zoals op akte van oprichting): [A] te Amsterdam
Handelsnaam: [A]
KvK-nummer: [001]
Gegevens betrokkenen bij uw onderneming
A. Welke (rechts)personen waren de afgelopen vijf jaar bij de onderneming betrokken als: bestuurder, aandeelhouder, vennoot, leidinggevende, gemachtigde.
1. naam: [B] , KvK-nummer [002] , functie Aandeelhouder. (...)
B. Is of zijn de aanvrager(s), opdrachtgevers, bestuurders, aandeelhouders of vennoten in de afgelopen vijf jaar: veroordeeld, een schikking aangegaan met het Openbaar Ministerie, in aanraking geweest met politie of justitie?
[X] Nee
(...)
3. Een uittreksel uit de Kamer van Koophandel van [B] , gedateerd 9 mei 2018 (niet genummerd).
Dit uittreksel houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:
(...)
Rechtspersoon:
(...)
Statutaire naam [B]
(...)
Enig aandeelhouder
Naam [verdachte]
Adres [a-straat 1] , [plaats]
Enig aandeelhouder sedert 11-02-2010
Bestuurder
Naam [verdachte]
Geboortedatum en -plaats [geboortedatum] 1953, [geboorteplaats]
4. Een uittreksel uit de Justitiële Documentatie van de verdachte van 9 januari 2020 (niet genummerd).
Dit uittreksel houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:
Datum beslissing: 19 april 2016 Gerechtshof Amsterdam
Feit 1: art. 197a lid 2 Wetboek van Strafrecht
Kwalificatie: een ander uit winstbejag behulpzaam zijn bij het zich verschaffen van verblijf in Nederland, terwijl hij weet dat dat verblijf wederrechtelijk is
Maat. classif. Overige mensensmokkel
Status: Onherroepelijk 11 mei 2016
Beslissing t.a.v.
Feit 1 4 Maanden Gevangenisstraf voorwaardelijk met een proeftijd van 2 Jaren (...)
Feit 1 216 Uren Taakstraf subsidiair 108 Dagen Hechtenis (...)
5. De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 17 januari 2020.
Deze verklaring houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:
Ik heb het (het hof begrijpt: formulier Wet Bibob en Bouwactiviteiten van de gemeente Amsterdam) ondertekend.”
2.2.3
Volgens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte daar onder meer het volgende aangevoerd:
“De vraag die ik heb ingevuld, ging om het bedrijf en niet om mij als persoon. Als het over mij ging had ik het ingevuld.
(...)
Ik vroeg de vergunning niet op mijn naam aan. [A] valt onder [B] . Beide bedrijven zijn niet veroordeeld. Als gevraagd zou zijn naar mijn persoon, had ik dat wel ingevuld. De gemeente heeft het formulier gewijzigd.
(...)
Ik ben ervan uitgegaan dat alles wat gevraagd werd over het bedrijf ging. Ik heb nooit eerder zo’n formulier ingevuld.
(...)
Ik begreep de taal niet.”
2.2.4
Volgens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsvrouw van de verdachte daar het woord gevoerd overeenkomstig de pleitnota die aan het procesverbaal is gehecht. Deze pleitnota houdt in:
“1. Naar de exacte tekst van het formulier gekeken, zoals deze is ingevuld en voordat het formulier door de gemeente was aangepast, is de vraag waar het om gaat: ‘Is of zijn de aanvrager(s), opdrachtgevers, bestuurders, aandeelhouders of vennoten in de afgelopen vijf jaar veroordeeld, een schikking aangegaan met het openbaar ministerie, in aanraking geweest met politie of justitie?’
2. De aanvrager van de vergunning was [A] Zoals de gemeente zelf ook al had geconstateerd en door [A] was ingevuld, was ten tijde van het invullen [B] de enige aandeelhouder van [A] De aanvrager van de omgevingsvergunning is [A] , de opdrachtgever is [A] , de bestuurder is [B] , de aandeelhouder is [A] , het is een B.V. dus er is geen sprake van vennoten.
3. Het formulier is ondertekend door cliënt: ‘14. Ondertekening door aanvrager of gemachtigde.’ Hij was niet de aanvrager, niet de opdrachtgever, niet de bestuurder en niet de aandeelhouder. Hij was dus de gemachtigde.
4. Indien het formulier doelde op de uiteindelijke natuurlijke persoon achter B.V.’s, dan had dat ook op die manier geformuleerd en gevraagd moeten worden. Op het moment van invullen van het formulier was dat dus niet het geval. Het formulier is later door de gemeente aangepast. Nu is de vraag: ‘Bent u, uw onderneming en/of de op de (eerder ingeleverde) bijlage genoemde personen in de afgelopen vijf jaar in Nederland of in het buitenland.’ Dat is een concrete vraagstelling, er wordt nota bene specifiek gevraagd naar personen. Terwijl de eerdere vraagstelling het woord ‘personen’ niet eens noemde.
(...)
7. Cliënt heeft eerder al verklaard het formulier met behulp van zijn zoon te hebben ingevuld. Er is bij het invullen van het formulier contact geweest met de gemeente en de gemeente heeft cliënt er op gewezen dat onder andere dat deel van het formulier nog niet volledig was. Vervolgens is het formulier alsnog compleet gemaakt en is de vergunningaanvraag verder gegaan.
(...)
10. Valsheid in geschrift vindt opzettelijk plaats. De gemeente is dus van mening dat cliënt opzettelijk valse informatie heeft gegeven. Alleen al uit het feit dat [verdachte] diverse contacten heeft gehad met de gemeente met betrekking tot het invullen van het formulier, blijkt wat de verdediging betreft dat er gewoonweg geen sprake was van een duidelijk formulier dat moeiteloos ingevuld kon worden. En dus dat er geen sprake is van opzet.
11. Er moet sprake zijn van bewust handelen van [verdachte] gericht op het misleiden van de gemeente. Daar is geen sprake van. De gedachte dat het om een bewuste actie gaat, is ook niet te volgen omdat de bouwwerkzaamheden waar de vergunning op ziet, al door dezelfde gemeente middels dat dwangsombesluit waren opgelegd. Het was geen verbouwing waar zelf om was gevraagd maar die was opgelegd door de gemeente. [verdachte] had derhalve geen enkel belang bij het vals invullen van het formulier.
12. Er is geen sprake van bewust handelen en er is geen sprake van opzet, ook niet in voorwaardelijke vorm.
13. Gezien het voorgaande verzoek ik u cliënt vrij te spreken wegens het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs.”
2.2.5
Naar aanleiding van het door en namens de verdachte gevoerde verweer heeft het hof het volgende overwogen:
“Op 4 april 2018 heeft de verdachte het formulier Wet Bibob en Bouwactiviteiten van de gemeente Amsterdam ondertekend. In dit formulier staat dat de aanvrager van het formulier een rechtspersoon is, te weten: [A] (vraag 5) en dat [B] de aandeelhouder is van [A] (vraag 8A). De verdachte is sinds 11 februari 2010 de enig aandeelhouder van [B] (uittreksel van de Kamer van Koophandel van 9 mei 2018). Uit het voorgaande volgt dat de verdachte (middellijk) bestuurder was van [A] , zodat hij bij de beantwoording van vraag 8B van het formulier (hierboven geciteerd) acht diende te slaan op zijn eigen justitiële verleden. In het uittreksel uit de justitiële documentatie van de verdachte van 9 januari 2020 staat dat de verdachte op 19 april 2016 is veroordeeld door het hof Amsterdam wegens mensensmokkel (arrest onherroepelijk op 11 mei 2016). Deze veroordeling betekent dat de verdachte op vraag 8B van het formulier het vakje met “ja” had moeten aankruisen. De verdachte heeft dit opzettelijk nagelaten met het oogmerk een omgevingsvergunning te verkrijgen. De omstandigheid dat de verdachte de taal niet begreep, niet bekend was met het formulier en het onduidelijk vond, maakt dit niet anders. Het lag op de weg van de verdachte zorg te dragen voor een goede vertaling en voldoende informatie in te (laten) winnen over de precieze betekenis van de vragen bij de gemeente alvorens de vragen te beantwoorden en het formulier te ondertekenen.
Het hof verwerpt het verweer van de verdediging.”