In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) De vader en de moeder zijn de ouders van een dochter, geboren in 2012. De ouders zijn kort na de geboorte van de dochter gescheiden. In 2013 is de dochter onder toezicht gesteld. In het kader van deze ondertoezichtstelling is in 2013 een indicatiebesluit afgegeven voor de verlening van jeugdhulp. De ondertoezichtstelling is in 2014 beëindigd.
(ii) De hulpverleningsinstelling is een organisatie die gespecialiseerde jeugdhulp verleent aan kinderen, jongeren en ouders.
(iii) In 2014 heeft een hulpverlener, die als contextueel therapeute werkzaam was bij de hulpverleningsinstelling, een eerste hulpverleningsplan (hierna: het hulpverleningsplan) aan de moeder verzonden. Vervolgens heeft de hulpverlener een aanvulling op het eindverslag opgesteld (hierna: de aanvulling op het eindverslag).
(iv) De vader heeft over het handelen van de hulpverlener, ten tijde van de hulpverlening na het afgegeven indicatiebesluit, een klacht ingediend bij de NVPA klachtencommissie. De klachtencommissie heeft de hulpverlener een waarschuwing opgelegd.
(v) De vader heeft de hulpverlener verzocht gegevens te verwijderen. De hulpverlener heeft de vader doorverwezen naar de hulpverleningsinstelling. De hulpverleningsinstelling heeft de vader laten weten niet te zullen voldoen aan zijn verzoek tot vernietiging van (delen van) het dossier.
(vi) Vervolgens heeft de vader de hulpverlener verzocht persoonsgegevens van hem en zijn dochter te verwijderen op grond van art. 36 Wet bescherming persoonsgegevens (oud) (hierna: Wbp (oud)). In een bijlage bij zijn verzoek, bestaande uit het hulpverleningsplan en de aanvulling op het eindverslag, heeft de vader de passages aangewezen die naar zijn mening uit deze twee stukken moeten worden verwijderd.
(vii) De hulpverleningsinstelling heeft meegedeeld dat zij eerder op de verwijderingsverzoeken van de vader heeft gereageerd en ook nu niet aan het verzoek van de vader kan voldoen.