In cassatie kan worden uitgegaan van de feiten en omstandigheden vermeld in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 1.2-1.16. Deze komen, samengevat, op het volgende neer.
(i) Rabobank heeft op 25 januari 2008 een financieringsovereenkomst gesloten met [C] Holding B.V. (hierna: [C] Holding). Hierbij heeft Rabobank zekerheden bedongen, waaronder een borgstelling door [eiser 1]. [eiser 1] was op dat moment indirect bestuurder en 50%-aandeelhouder van [C] Holding.
(ii) [eiser 1] heeft op dezelfde datum een borgtochtovereenkomst getekend, waarin hij zich ten behoeve van Rabobank borg stelt voor een bedrag van maximaal € 75.000,- tot zekerheid voor de voldoening van hetgeen Rabobank van [C] Holding te vorderen heeft of mocht hebben (hierna: de borgtochtovereenkomst).
(iii) Bij brief van 11 november 2008 heeft Rabobank de aan [C] Holding verstrekte financiering opgezegd en [C] Holding gesommeerd het uitstaande saldo uiterlijk op 25 november 2008 te voldoen.
(iv) Bij brief van dezelfde datum heeft Rabobank aan [eiser 1] meegedeeld dat zij hem mogelijk als borg zal moeten aanspreken en dat dit afhankelijk zal zijn van de opbrengst van de andere gestelde zekerheden.
(v) [C] Holding is op 18 november 2008 in staat van faillissement verklaard.
(vi) Bij brief van 24 november 2008 heeft Rabobank aan de curator opgave gedaan van haar vordering op [C] Holding en aan de curator meegedeeld dat, voor zover haar vordering niet uit de gestelde zekerheden kan worden voldaan, zij haar vordering ter verificatie indient.
(vii) De boedel van [C] Holding is op 20 juli 2012, op grond van art. 137d en 137f Fw, in staat van insolventie komen te verkeren door het verbindend worden van de slotuitdelingslijst.
(viii) Rabobank heeft [eiser 1] bij brieven van 5 december 2008, 24 augustus 2010 en 17 september 2013 aangesproken op zijn verplichtingen uit de borgtochtovereenkomst en hem verzocht over te gaan tot betaling van € 75.000,--. [eiser 1] heeft daaraan niet voldaan.