Procesrecht. Verstekprocedure waarin een derde tussenkomt of zich aan de zijde van gedaagde voegt. Toepasselijkheid art. 140 lid 3 Rv. Verplichting derde de niet verschenen gedaagde van de voeging/tussenkomst op de hoogte te stellen. Omstandigheden waaronder niet-ontvankelijkverklaring wegens overschrijding appeltermijn achterwege blijft. Gedaagde in deze zaak kan alsnog appelleren (vgl. HR 3 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2894).
Rechtspraak.nl NJB 2019/1269 RvdW 2019/638 TvPP 2019, afl. 4, p. 119 RBP 2019/65 Prg. 2019/270 JBPr 2020/2 met annotatie van Bakels, R.L. NJ 2021/177 met annotatie van H.B. Krans
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiser] en [verweerders]
1 Het geding in feitelijke instanties
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
a. het vonnis in de zaak 5110905\VV EXPL 16-101\25115 van de kantonrechter te Arnhem van 20 juni 2016;
b. het vonnis in de zaak 5261330\VV EXPL 16-154\25115\588 van de kantonrechter te Arnhem van 9 september 2016;
c. het arrest in de zaak 200.204.055 van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 28 november 2017.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.
2 Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De procesinleiding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
[verweerders] hebben een verweerschrift tot verwerping ingediend.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.
De conclusie van de Advocaat-Generaal E.M. Wesseling-van Gent strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
3. Beoordeling van het middel
3.1
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
( i) [verweerders] zijn eigenaar van een chalet te Ede. Zij verhuren dit.
(ii) [eiser] heeft als geïnteresseerde, samen met zijn moeder, [betrokkene 1] (hierna: [betrokkene 1] ), medio maart 2016 het chalet bezichtigd.
(iii) Partijen zijn met betrekking tot het chalet een huurovereenkomst aangegaan voor de periode 1 april 2016 tot en met 30 september 2016 tegen een huurprijs van € 625,--per maand. [eiser] heeft een bedrag aan borgsom van € 500,-- betaald.
(iv) [betrokkene 1] heeft vanaf eind maart 2016 het gehuurde chalet bewoond met haar dochter en heeft zich op dat adres ingeschreven. Bij brief van 1 juni 2016 heeft de gemeente Ede haar aangezegd dat zij een recreatiewoning bewoont in strijd met het bestemmingsplan en is haar een last onder dwangsom opgelegd.
( v) [eiser] en [betrokkene 1] hebben behalve de borgsom niets meer aan [verweerders] betaald.
(vi) [betrokkene 1] heeft het chalet, na het hiervoor in 1 vermelde vonnis van de kantonrechter van 20 juni 2016, op 6 juli 2016 verlaten.
3.2.1
[verweerders] hebben [eiser] op 30 mei 2016 in kort geding gedagvaard voor de kantonrechter in de rechtbank Gelderland en daarbij (onder meer) gevorderd [eiser] te veroordelen om het chalet te ontruimen. [betrokkene 1] heeft bij e-mailbericht van 2 juni 2016 gevorderd zich te mogen voegen in het geding. Bij het vonnis van 20 juni 2016 heeft de kantonrechter (in het incident) [betrokkene 1] toegestaan zich in het geding te voegen aan de zijde van [eiser] en (in de hoofdzaak) verstek verleend tegen [eiser] en hem (onder meer) tot ontruiming van het chalet veroordeeld.
3.2.2
[eiser] heeft verzet gedaan tegen het vonnis van 20 juni 2016. Bij vonnis van 9 september 2016 heeft de kantonrechter [eiser] niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzet.
Het hof heeft in het hoger beroep van [eiser] dit vonnis van de kantonrechter bekrachtigd. Het heeft daartoe, voor zover in cassatie van belang, overwogen:
“5.1 Het hoger beroep keert zich tegen de niet-ontvankelijkverklaring van [eiser] in zijn verzet. In zijn eerste grief betoogt [eiser] dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft aangenomen dat [betrokkene 1] zich aan de zijde van [eiser] heeft gevoegd en inhoudelijk verweer heeft gevoerd tegen de vordering. In het kader van de vraag of [eiser] in zijn verzet kan worden ontvangen, dient het hof ervan uit te gaan dat [betrokkene 1] bij e-mail van 2 juni 2016 verzocht heeft zich te voegen op de voet van art. 217 Rv en dat de vordering tot voeging in het vonnis van 20 juni 2016 met zaaknummer 5110905 is gehonoreerd. [eiser] is in die procedure niet verschenen. Of en zo ja, in hoeverre [betrokkene 1] zich heeft geschaard aan de zijde van [eiser] kan in zoverre in het midden blijven.
5.2
Bovendien, ook indien er van zou worden uitgegaan dat [betrokkene 1] zich niet heeft willen voegen, zoals zij heeft verzocht, maar tussenkomen als bedoeld in art. 217 Rv, maakt dat voor de uitkomst van deze procedure niet uit. Ook door tussenkomst wordt een partij immers procespartij in de hoofdzaak.
5.3
De overige grieven keren zich tegen het oordeel over de ontvankelijkheid van [eiser] . Het hof oordeelt dat [betrokkene 1] als gevoegde partij aan de zijde van gedaagde [eiser] , procespartij is geworden in de hoofdzaak. Zij is verschenen. Tegen [eiser] is (rechtmatig) verstek verleend. Een redelijke uitleg van art. 140 Rv brengt in dit geval dan mee dat [betrokkene 1] moet worden gelijkgesteld aan een medegedaagde. Art. 140 Rv bepaalt:
(…)
Op de voet hiervan geldt het vonnis van 20 juni 2016 als een vonnis op tegenspraak. Tegen een vonnis op tegenspraak staat voor alle partijen slechts hoger beroep open en geen verzet. De voorzieningenrechter heeft [eiser] dus terecht niet ontvangen in zijn verzet.
5.4
Hierop strandt het betoog van [eiser] . Overige stellingen behoeven geen bespreking meer omdat die, indien besproken, niet tot een ander oordeel zullen leiden.
3.3.1
Onderdeel 1a van het middel klaagt dat het oordeel van het hof dat een redelijke uitleg van art. 140 Rv meebrengt dat het vonnis van 20 juni 2016 moet worden beschouwd als een vonnis op tegenspraak, getuigt van een onjuiste rechtsopvatting. Onder “alle partijen” in art. 140 lid 3 Rv moeten volgens het onderdeel worden verstaan de oorspronkelijke partijen (eiser(s) en gedaagde(n)), en niet ook gevoegde of tussengekomen partijen.
3.3.2
Een partij die zich in een geding heeft gevoegd of die daarin is tussengekomen, is daarmee procespartij geworden en is aldus bevoegd om een rechtsmiddel aan te wenden tegen in dat geding gewezen uitspraken (vgl. HR 7 april 1989, ECLI:NL:HR:1989:AB9740, rov. 3.1).
De regeling van art. 140 lid 3 Rv strekt ertoe dat wordt voorkomen dat tegen dezelfde uitspraak zowel een appelprocedure door de verschenen partij(en) als een verzetprocedure door de niet verschenen partij(en) kan worden gevoerd, met het gevaar van tegenstrijdige beslissingen (vgl. HR 7 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1274, rov. 3.3).
3.3.3
Het gevaar van tegenstrijdige beslissingen kan zich ook voordoen in een geval als het onderhavige, waarin tegen de gedaagde(n) verstek is verleend en sprake is van een tussengekomen of een aan de zijde van die gedaagde(n) gevoegde procespartij die zou kunnen besluiten hoger beroep in te stellen. Waar het betreft voeging valt te denken aan een gevoegde partij die partij is bij de rechtsbetrekking in geschil en daardoor gebonden raakt aan het gezag van gewijsde van de uitspraak in de procedure. De strekking van art. 140 Rv brengt dan ook mee dat de regeling van art. 140 lid 3 Rv overeenkomstig wordt toegepast indien in eerste aanleg van voeging of tussenkomst sprake is geweest. Deze uitleg strookt met de toepasselijkverklaring (in art. 140 lid 4 Rv) van dit voorschrift in het geval dat op de voet van art. 118 Rv een derde als partij in het geding is opgeroepen. Ook als genoemd gevaar zich in een ander dan het zojuist bedoelde geval van voeging niet voordoet, is dat geen grond om in die gevallen art. 140 lid 3 Rv buiten toepassing te laten, nu de rechtszekerheid eist dat op dit punt na voeging of tussenkomst een eenduidige regel geldt.
3.3.4
Op grond van het voorgaande faalt onderdeel 1a. [eiser] behoefde evenwel niet bekend te zijn met de uit deze uitspraak blijkende juistheid van de overeenkomstige toepassing van art. 140 lid 3 Rv. Daarom dient hem de gelegenheid te worden geboden alsnog appel in te stellen tegen het door de kantonrechter gewezen vonnis van 20 juni 2016, waarvoor de Hoge Raad een termijn van veertien dagen na heden zal bepalen.
3.4
Onderdeel 1b, dat ervan uitgaat dat voor de overeenkomstige toepassing van art. 140 lid 3 Rv onderscheid moet worden gemaakt tussen voeging en tussenkomst, faalt, gelet op hetgeen hiervoor in 3.3.3 is overwogen. De voortbouwende klacht van onderdeel 2 mist eveneens doel.
3.5
Ten overvloede wordt nog het volgende overwogen.
De hiervoor in 3.3.3 voorgeschreven overeenkomstige toepassing van art. 140 lid 3 Rv in gevallen waarin tegen de gedaagde(n) verstek is verleend en een derde zich in het geding heeft gevoegd of daarin is tussengekomen, bergt het gevaar in zich dat de niet verschenen gedaagde niet op de hoogte raakt van die voeging of tussenkomst, terwijl hij die wetenschap moet bezitten om – tijdig – het juiste rechtsmiddel te kunnen aanwenden. Ook ingeval er meerdere gedaagden zijn bestaat dit gevaar, indien alle gedaagden verstek laten gaan en dit van elkaar weten.
Daarom dient de rechter die, in een geding waarin de gedaagde – of, bij meer gedaagde partijen, alle gedaagden – niet is (zijn) verschenen, moet beslissen op een vordering tot voeging of tussenkomst als bedoeld in art. 217 Rv, bij toewijzing van een dergelijke vordering te bepalen dat de partij die aldus in het geding wordt toegelaten, de niet verschenen gedaagde(n) van die toelating in kennis stelt.
Een redelijke wetstoepassing brengt voorts mee dat in hoger beroep niet-ontvankelijkverklaring wegens termijnoverschrijding achterwege blijft indien voorafgaand aan het verstrijken van de appeltermijn (a) de bij verstek veroordeelde gedaagde niet in kennis is gesteld van de toelating van de derde en (b) het vonnis hem niet in persoon betekend is en hij ook niet anderszins met dat vonnis bekend is geworden, mits hij het hoger beroep heeft ingesteld binnen een termijn van veertien dagen – of zoveel minder als overeenstemt met een kortere wettelijke beroepstermijn – nadat hij met dat vonnis bekend is geworden (vgl. HR 3 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2894, rov. 3.4.3).
3.6
De Hoge Raad ziet in het voorgaande aanleiding de proceskosten te compenseren.
4 Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
bepaalt dat [eiser] gedurende veertien dagen na heden hoger beroep kan instellen tegen het vonnis van de kantonrechter van 20 juni 2016;
compenseert de kosten van het geding in cassatie aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit arrest is gewezen door de vicepresident E.J. Numann als voorzitter en de raadsheren T.H. Tanja-van den Broek, C.E. du Perron, C.H. Sieburgh en H.M. Wattendorff, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer C.E. du Perron op 24 mei 2019.
De gegevens worden opgehaald
Hulp bij zoeken
Er is een uitgebreide handleiding beschikbaar voor het zoeken naar uitspraken, met onder andere uitleg over: