5.1
Nu het middel in het principale beroep doel treft, is de voorwaarde waaronder het incidentele beroep is ingesteld, vervuld, zodat het daarin voorgestelde middel moet worden onderzocht.
5.2
Het middel is gericht tegen rov. 3.4, waarin het hof heeft geoordeeld:
“Het GEA heeft terecht geoordeeld dat nu het door de Ontvanger aangekondigde executoriale beslag niet is gelegd, er geen tenuitvoerlegging heeft plaatsgevonden. Arubabank heeft op 24 juni 2014 een verzetschrift betekend. Naar haar eigen stelling was dit voorbarig. Indien al moet worden aangenomen dat, zoals het Land stelt, wel sprake is geweest van tenuitvoerlegging en een aangevangen verzet-procedure, dan heeft het feit dat het verzetschrift niet is gevolgd door een geding tegen de Ontvanger als bedoeld in artikel 4 lid 2 Lv Dwanginvordering, hooguit tot gevolg dat het verzet nietig is. Aan het achterwege laten van indiening van een geding als voormeld, kan niet de conclusie worden verbonden dat onderhavige procedure moet worden aangemerkt als een voortzetting van het op 24 juni 2014 ingediende verzet. De hiertoe strekkende stelling van het Land wordt dan ook verworpen. Hetzelfde geldt voor de stelling van het Land dat dit geding tegen de Ontvanger aanhangig had moeten worden gemaakt, omdat het als een verzetprocedure moet worden aangemerkt.”
5.3.1
Volgens onderdeel 1.1 heeft het hof miskend dat in alle rechtsgedingen die voortvloeien uit de taakuitoefening van de Ontvanger der belastingen, uitsluitend de Ontvanger in rechte kan worden betrokken. Om deze reden had het hof Aruba Bank zo nodig ambtshalve niet-ontvankelijk moeten verklaren. Dat geldt volgens het onderdeel ook indien deze procedure niet moet worden aangemerkt als (de voortzetting van) een verzetprocedure als bedoeld in art. 4 lid 2 Landsverordening Dwanginvordering (Landsverordening houdende regeling van de invordering van belastingen, bijdragen en vergoedingen door middel van dwangschriften alsmede van de rechtspleging inzake van belastingen, bijdragen en vergoedingen, AB 1988 no. GT 12; hierna: LvD).
5.3.2
Het onderdeel faalt. Het Arubaanse invorderingsrecht kent niet een regel als voor Nederland neergelegd in art. 3 lid 2 Invorderingswet 1990, inhoudende dat in alle rechtsgedingen voortvloeiende uit de uitoefening van zijn taak de Ontvanger als zodanig in rechte optreedt, uit welke bepaling een exclusieve procesbevoegdheid voor de Ontvanger voortvloeit, met uitsluiting dus van de Staat (HR 31 januari 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF3638). Bij gebreke van een vergelijkbare Arubaanse wetsbepaling kan de door het onderdeel bepleite exclusieve procesbevoegdheid van de Ontvanger niet worden aangenomen.
5.4.1
Onderdeel 2 komt met diverse klachten op tegen de verwerping van het betoog van het Land dat Aruba Bank niet-ontvankelijk is in haar vordering omdat zij het door haar op de voet van art. 4 lid 2 LvD ingestelde verzet niet tijdig heeft doen volgen door een geding tegen de Ontvanger.
5.4.2
De onderdelen 2.1 en 2.2 stellen aan de orde wanneer een belastingplichtige gebruik kan maken van dit rechtsmiddel van verzet. In het bijzonder gaat het om de vragen (i) of betekening van een dwangschrift de tenuitvoerlegging doet aanvangen (onderdeel 2.1), en (ii) of (ook indien dit niet het geval is) zodanige betekening volstaat om in het verzet te kunnen worden ontvangen (onderdeel 2.2). In de onderdelen 2.3 en 2.4 wordt betoogd dat verjaring van een invorderingsrecht alleen in een tijdig op de voet van art. 4 lid 2, tweede volzin LvD ingestelde verzetprocedure aan de orde kan worden gesteld, althans indien (zoals hier) een dwangschrift is betekend en verzet is ingesteld.
5.4.3
Ingevolge art. 4 LvD kan de tenuitvoerlegging van een dwangschrift niet worden geschorst dan door een met redenen omkleed verzet (lid 1). Het verzet wordt betekend aan de Ontvanger der belastingen; op straffe van nietigheid moet binnen een maand na deze betekening het geding tegen de Ontvanger aanhangig worden gemaakt (lid 2). Dit rechtsmiddel biedt de belastingplichtige dus de mogelijkheid schorsing van de tenuitvoerlegging van een dwangschrift te verkrijgen. Deze mogelijkheid laat onverlet dat de belastingplichtige het invorderingsrecht waarop het dwangschrift ziet ook in een gewone civiele procedure aan de orde kan stellen. Zodanige procedure schorst de tenuitvoerlegging echter niet.
5.4.4
Art. 1 lid 1 LvD bepaalt dat belastingen worden ingevorderd door middel van dwangschriften. Art. 3 lid 1 LvD bepaalt vervolgens dat het dwangschrift een executoriale titel oplevert die met toepassing van de voorschriften van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van Aruba (RvA) kan worden tenuitvoergelegd. In art. 430 RvA is met betrekking tot tenuitvoerlegging van executoriale titels bepaald:
“1. De grossen van in Aruba gewezen vonnissen, van beschikkingen van de rechter in Aruba en van in Aruba verleden authentieke akten, alsmede van andere bij wet als executoriale titel aangewezen stukken, kunnen in Aruba worden ten uitvoer gelegd.
2. (…)
3. Zij kunnen niet worden ten uitvoer gelegd dan na betekening aan de partij tegen wie de executie zich zal richten.”
Betekening van de executoriale titel gaat dus vooraf aan de tenuitvoerlegging ervan en maakt daarvan geen deel uit. Ook uit de parlementaire geschiedenis van het overeenkomstige, voor Nederland geldende art. 430 Rv blijkt dat betekening niet moet worden beschouwd als tenuitvoerlegging, maar als een fase die aan tenuitvoerlegging voorafgaat (zie de parlementaire geschiedenis aangehaald in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 3.24). Dat is niet anders voor het Arubaanse recht. Onderdeel 2.1 faalt dus.
5.4.5
Het voorgaande laat onverlet dat, zoals het Land in onderdeel 2.2 op zichzelf terecht betoogt, een belastingplichtige die verzet instelt voordat sprake is van tenuitvoerlegging, daarin kan worden ontvangen (zie de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 3.27). Indien dat verzet leidt tot een definitieve uitspraak over het invorderingsrecht waarop het dwangschrift ziet, kan het gezag van gewijsde van deze uitspraak aan toewijzing van een vordering in gewone civiele procedure in de weg staan. In een geval als het onderhavige, waarin het verzet niet heeft geleid tot een procedure als bedoeld in art. 4 lid 2, tweede volzin, LvD, staat het de belastingplichtige echter vrij het invorderingsrecht waarop het dwangschrift ziet in een gewone civiele procedure aan te vechten. Daartoe is immers niet exclusief het middel van verzet aangewezen (zie hiervoor in 5.4.3).
5.4.6
Hetgeen hiervoor in 5.4.5 is overwogen brengt mee dat onderdeel 2.2 niet tot cassatie kan leiden en dat de onderdelen 2.3 en 2.4 falen.
5.5
De overige klachten van het middel kunnen evenmin tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO, geen nadere motivering nu die klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.