Artikel 6.17, lid 1, aanhef en letter c, Wet IB 2001 bepaalt met ingang van 1 januari 2009 dat tot de specifieke zorgkosten behoren uitgaven voor farmaceutische hulpmiddelen verstrekt op voorschrift van een arts. Tot het jaar 2009 stond de eis dat de farmaceutische hulpmiddelen moesten zijn verstrekt op voorschrift van een arts, niet met zoveel woorden in de wet. Artikel 6.17, lid 1, aanhef en letter a, Wet IB 2001 bepaalde tot 2009 dat uitgaven voor onder meer geneeskundige hulp, met inbegrip van farmaceutische hulpmiddelen, werden aangemerkt als uitgaven wegens ziekte. Daarnaast was bepaald dat uitgaven voor farmaceutische hulpmiddelen die niet op voorschrift van een arts waren verstrekt, slechts in aanmerking werden genomen tot een forfaitair bedrag (artikel 6.18, lid 1, letter a, Wet IB 2001, tekst tot 2009).
In de parlementaire geschiedenis van het wetsvoorstel dat heeft geleid tot de vanaf 2009 geldende tekst van artikel 6.17, lid 1, aanhef en letter c, Wet IB 2001 staat dat “uitgaven voor farmaceutische hulpmiddelen slechts [zijn] aan te merken als specifieke zorgkosten voor zover deze zijn verstrekt op voorschrift van een arts” en “[a]ftrek van uitgaven voor alle andere – zonder voorschrift van een arts – aangeschafte farmaceutische hulpmiddelen [niet is] toegestaan” (Kamerstukken II 2008/09, 31 706, nr. 3, blz. 47). Uit deze toelichting, noch uit de verdere totstandkomingsgeschiedenis van artikel 6.17, lid 1, aanhef en letter c, Wet IB 2001, zoals dat onderdeel luidt met ingang van 2009, kan worden afgeleid dat aan het woord ‘verstrekt’ in deze bepaling een verdergaande betekenis toekomt dan de voorwaarde dat het middel moet zijn voorgeschreven door een arts.