Het Hof heeft ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat:
“1:
hij in de periode van 30 september 2003 tot en met 2 mei 2007 te Amsterdam en ’s-Heerenberg en Arnhem en Nijmegen telkens geschriften, weten:
- een factuur d.d. 30 september 2003 van de Postbank N.V. aan [A] ten bedrage van € 7.735,- en
- een factuur d.d. 30 september 2003 van de Postbank N.V. aan [B] ten bedrage van € 15.740,- en
- een factuur d.d. 30 september 2003 van Postbank N.V. aan [F] ten bedrage van € 4.819,50 en
- een factuur d.d. 30 september 2003 van de Postbank N.V. aan [F] ten bedrage van € 819,50 en
- een factuur d.d. 3 jun 2004 van de Postbank N.V. aan [B] ten bedrage van € 15.740,- en
- een factuur d.d. 29 juli 2004 van de Postbank N.V. aan [D]. ten bedrage van € 7.735,- en
- een factuur d.d. 13 september 2004 van de Postbank N.V. aan Stichting [E] ten bedrage van € 7.735,- en/of
- een factuur d.d. 18 mei 2005 van de Postbank N.V. aan [B] ten bedrage van € 5.950,- en
- een factuur d.d. 28 juni 2005 van de Postbank N.V. aan [D]. ten bedrage van € 6.545,- en
- een factuur d.d. 18 november 2005 van de Postbank N.V. aan [G] ten bedrage van € 6.604,50 en
- een factuur d.d. 7 juni 2006 van de Postbank N.V. aan [D]. ten bedrage van € 4,313,75 en
- een factuur d.d. 3 april 2007 van de Postbank N.V. aan [C] ten bedrage van € 8.330,- en
- een factuur d.d. 1 april 2007 van de Postbank N.V. aan [D]. ten bedrage van € 3.123,75
zijnde telkens geschriften die bestemd waren om tot bewijs van enig feit te dienen, heeft vervalst,
immers heeft hij, verdachte, telkens in strijd met de waarheid op voornoemde geschriften het rekeningnummer van de begunstigde Postbank N.V. gewijzigd in zijn, verdachtes, (giro)rekeningnummer [rekeningnummer], zulks telkens met het oogmerk om die geschriften als echt en onvervalst te gebruiken;
2:
hij in de periode van 30 september 2003 tot en met 2 mei 2007 te Amsterdam en ’s-Heerenberg en Arnhem en Nijmegen
telkens opzettelijk gebruik heeft gemaakt van vervalste facturen, te weten:
- een factuur d.d. 30 september 2003 van de Postbank N.V. aan [A] ten bedrage van € 7.735,- en
- een factuur d.d. 30 september 2003 van de Postbank N.V. aan [B] ten bedrage van € 15.740,- en
- een factuur d.d. 30 september 2003 van Postbank N.V. aan [F] ten bedrage van € 4.819,50 en
- een factuur d.d. 30 september 2003 van de Postbank N.V. aan [F] ten bedrage van € 4.819,50 en
- een factuur d.d. 3 juni 2004 van de Postbank N.V. aan [B] ten bedrage van € 15.740,- en
- een factuur d.d. 29 juli 2004 van de Postbank N.V. aan [D]. ten bedrage van € 7.735,- en
- een factuur d.d. 13 september 2004 van de Postbank N.V. aan Stichting [E] ten bedrage van € 7.735,- en/of
- een factuur d.d. 18 mei 2005 van de Postbank N.V. aan [B] ten bedrage van € 5.950,- en
- een factuur d.d. 28 juni 2005 van de Postbank N.V. aan [D]. ten bedrage van € 6.545,- en
- een factuur d.d. 18 november 2005 van de Postbank N.V. aan [G] ten bedrage van € 6.604,50 en
- een factuur d.d. 7 juni 2006 van de Postbank N.V. aan [D]. ten bedrage van € 4,313,75 en
- een factuur d.d. 3 april 2007 van de Postbank N.V. aan [C] ten bedrage van € 8.330,- en
- een factuur d.d. 1 april 2007 van de Postbank N.V. aan [D]. ten bedrage van € 3.123,75
zijnde telkens geschriften die bestemd waren om tot bewijs van enig feit te dienen als ware die geschriften telkens echt en onvervalst.”