Verzoekster heeft zich voorts beroepen op EHRM 6 oktober 2011, no. 23465/03, Agrokompleks tegen Oekraïne, ECLI:CE:ECHR:2011:1006JUD002346503, en EHRM 12 januari 2016, no. 57774/13, Miracle Europe KFT tegen Hongarije, ECLI:CE:ECHR:2016:0112JUD005777413.
In het eerstgenoemde arrest oordeelde het EHRM, voor zover hier van belang, dat de rechterlijke onafhankelijkheid en onpartijdigheid meebrengen dat individuele rechters bij de behandeling van de aan hen toegedeelde zaken vrij zijn van ontoelaatbare beïnvloeding door bijvoorbeeld instructies of drukuitoefening, ook door collega-rechters. In de desbetreffende zaak had de president van het gerecht zich, ten gunste van één van de partijen, in de procedure gemengd. Daarmee was niet alleen de onafhankelijkheid van de behandelend rechters in het geding, maar was tevens sprake van objectief gerechtvaardigde schijn van partijdigheid. De hiervoor in 2.3.1 en 2.3.2 omschreven rol van reservisten kan echter niet worden aangemerkt als een beïnvloeding door collega-rechters die verband houdt met enige vooringenomenheid jegens een partij.
In het hiervoor als tweede genoemde arrest oordeelde het EHRM onder meer dat “discretionary assignment” van zaken aan rechters een schijn van een gebrek aan onafhankelijkheid en onpartijdigheid kan wekken. Verzoekster heeft echter de wijze waarop de zetel is samengesteld die haar zaak beslist, niet ter discussie gesteld.
Met een beroep op deze twee arresten van het EHRM kan daarom niet worden geconcludeerd dat zich bij de behandeling van de zaak van verzoekster omstandigheden hebben voorgedaan of zullen voordoen die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat de leden van de zetel dan wel de reservisten van de strafkamer jegens haar een vooringenomenheid koesteren of dat de bij haar dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.