Het Hof heeft een verweer strekkende tot niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de vervolging als volgt samengevat en verworpen:
"Ter terechtzitting in hoger beroep is door de raadsvrouw het verweer gevoerd - zakelijk weergegeven - dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging van de verdachte, nu het hof de beslissing tot veroordeling en daarmee tot oplegging van een straf niet kan nemen, subsidiair vanwege de schending van de beginselen van een goede procesorde, omdat er sprake is van een inbreuk op het beginsel dat iemand niet tweemaal kan worden vervolgd en bestraft voor het begaan van hetzelfde feit en meest subsidiair vanwege het volgen van een verkeerde juridische route, omdat het openbaar ministerie niet heeft gekozen voor de bestuursrechtelijke weg, de vorderingsprocedure van artikel 130 Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW 1994).
De raadsvrouw heeft betoogd dat artikel 123b WVW 1994 een "criminal charge" in de zin van het EVRM is. De raadsvrouw heeft betoogd dat het openbaar ministerie aan het hof vraagt een beslissing te nemen waarvoor de wetgever het hof geen bevoegdheden heeft gegeven, namelijk het in gang zetten van een dubbele vervolging, omdat na een veroordeling van de verdachte voor een strafbaar feit in zijn geval een tweede straf automatisch en dus zonder tussenkomst van een rechter en ook zonder rechtsbescherming volgt, te weten het verlies van de geldigheid van zijn rijbewijs. Daar komt nog bij dat de lichtere bestuursrechtelijke maatregel - het ASP - reeds als "criminal charge" is aangemerkt, aldus de raadsvrouw.
Het hof overweegt hieromtrent als volgt.
Op grond van artikel 123b WVW 1994 verliest een rijbewijs zijn geldigheid, indien de houder bij onherroepelijke rechterlijke uitspraak als bestuurder van een motorrijtuig is veroordeeld wegens onder andere overtreding van artikel 8, tweede, derde of vierde lid, WVW 1994 indien het alcoholgehalte van zijn adem bij een onderzoek hoger blijkt te zijn dan 570 microgram alcohol per liter uitgeademde, lucht, een en ander voor zover ten tijde van het begaan van het strafbare feit nog geen vijf jaren zijn verlopen sedert de houder als bestuurder van een motorrijtuig onherroepelijk is veroordeeld wegens overtreding van artikel 8, tweede, derde of vierde lid WVW 1994. Indien aan deze voorwaarden is voldaan, wordt het rijbewijs van rechtswege ongeldig op het moment waarop de veroordeling onherroepelijk wordt.
De wetgever heeft de maatregel - het rechtsgevolg van ongeldigheid van het rijbewijs - als bestuursrechtelijk gekwalificeerd (zie Kamerstukken I 2007-2008, 30 324, nr. C, p. 3). De vraag die door de verdediging aan de orde wordt gesteld, is of de ongeldigheid van rechtswege een maatregel is die gebaseerd is op een "criminal charge".
In de jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: EHRM) zijn in de loop der tijd maatstaven geformuleerd voor de beoordeling van de vraag of er sprake is van een "criminal charge" in de zin van artikel 6, eerste lid van het EVRM. Zo dienen blijkens (onder andere) het arrest van het EHRM in de zaak Engel en anderen tegen Nederland van 8 juni 1976
NJ 1978, 223, de volgende criteria bij die beoordeling te worden betrokken:
1. de classificatie naar nationaal recht;
2. de aard van het delict;
3. de aard en zwaarte van de maatregel, die met de overtreding wordt geriskeerd.
Ten aanzien van het eerste criterium: het rijden onder invloed van alcohol is enerzijds strafbaar gesteld in artikel 8 WVW 1994, maar kan anderzijds ook bestuursrechtelijke consequenties hebben.
Ten aanzien van het tweede criterium: het rijden onder invloed van alcohol is een gedraging die de veiligheid van de verkeersdeelnemers in gevaar brengt en is daarom door de wetgever als misdrijf gekwalificeerd.
Ten aanzien van het derde criterium: de wetgever heeft de ongeldigheid van rechtswege van het rijbewijs gekarakteriseerd als een bestuursrechtelijk gevolg. Degene die herhaaldelijk wordt veroordeeld wegens het rijden onder invloed wordt geacht, niet langer te voldoen aan de eisen die gelden voor de vergunning.
Het hof acht het rechtsgevolg van ongeldigheid van rechtswege van een rijbewijs door de recidiveregeling op grond van artikel 123b WVW 1994 naar aard en zwaarte geen maatregel gebaseerd op een "criminal charge". Het hof overweegt dat het rijbewijs kan worden beschouwd als een vergunning die slechts kan worden afgegeven aan een persoon die heeft aangetoond over een voldoende mate van rijvaardigheid en geschiktheid te beschikken. Op het moment dat deze persoon herhaaldelijk met drank op achter het stuur zit, kan ervan worden uitgegaan dat hij niet meer aan de eisen voldoet voor de vergunning, waardoor de grond ontvalt aan zijn vergunning om een motorrijtuig te besturen.
Het voorgaande betekent dat er naar het oordeel van het hof van dubbele vervolging of dubbele bestraffing indien na een strafrechtelijke veroordeling artikel 123b WVW 1994 van toepassing wordt, geen sprake is. Daarnaast is geen sprake van een oplegging door de strafrechter, nu een rijbewijs van rechtswege ongeldig wordt. Het verweer van de verdachte dat hij voor een tweede keer wordt vervolgd of bestraft en dat sprake is van schending van het ne bis in idem beginsel strandt al daarop. Om dezelfde reden is er geen strijd met een goede procesorde.
Het meest subsidiaire verweer dat het openbaar ministerie de verkeerde juridische route heeft gekozen en niet heeft gekozen voor de vorderingsprocedure van artikel 130 WVW 1994, slaagt al niet omdat in deze bestuursrechtelijke procedure, die niets met de strafprocedure te maken heeft, het CBR het besluit daartoe neemt.
Het verweer tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie wordt verworpen."