Bij het bepalen van de termijn voor het instellen van een rechtsmiddel waarmee doorbreking van het verbod van art. 282 Fw wordt beoogd, is het volgende van belang.
De wet bevat geen termijn voor het instellen van een rechtsmiddel met een beroep op doorbreking van een rechtsmiddelenverbod. In beginsel geldt dan de termijn die voor het instellen van het desbetreffende rechtsmiddel zou gelden als het rechtsmiddelenverbod zou ontbreken, wat in de verzoekschriftprocedure ingevolge art. 358 lid 2 Rv respectievelijk art. 426 lid 1 Rv een termijn van drie maanden zou opleveren.
Indien het gaat om beslissingen waarop het verbod van art. 282 Fw betrekking heeft, bestaat evenwel grond uit te gaan van een kortere termijn.
In gevallen waarin Titel II van de Faillissementswet, die betrekking heeft op surseance van betaling, in rechtsmiddelen voorziet, is de termijn acht dagen voor het instellen van hoger beroep, en acht dagen voor het instellen van cassatieberoep tegen de uitspraak op het hoger beroep (vgl. art. 219 lid 1 Fw en art. 221 lid 1 Fw; art. 243 lid 1 en art. 244 lid 1 Fw; art. 247b lid 2 en lid 4 Fw; art. 269a en art. 270 lid 1 Fw; art. 278 lid 1 en art. 279 lid 2 Fw).
Aldus is in de titel over surseance niet alleen afgeweken van de gewone termijn van drie maanden vanart. 358 lid 2 Rv respectievelijk art. 426 lid 1 Rv, maar ook van de regel van art. 426 lid 2 Rv dat in de gevallen waarin de wet voor het instellen van hoger beroep een kortere termijn dan drie maanden heeft voorgeschreven, de cassatietermijn het dubbele bedraagt van de appeltermijn.
Deze afwijking moet worden bezien tegen de achtergrond dat op een surseance die niet eindigtdoor algehele voldoening van de schuldeisers of door een akkoord, veelal een andere, ingrijpender insolventiemaatregel volgt (een faillissement, of toepassing van de schuldsaneringsregeling). Een termijn van acht dagen past bij het spoedeisende karakter van zaken waarin aanvankelijk toepassing is gegeven aan de surseance, maar vervolgens ingrijpender insolventiemaatregelen worden overwogen of getroffen. Dit is evenzeer aan de orde bij een rechtsmiddel waarmee doorbreking van het verbod van art. 282 Fw wordt beoogd. Daarom moet worden aanvaard dat ook dat rechtsmiddel gedurende acht dagen na de dag van de uitspraak kan worden aangewend, ongeacht of het gaat om hoger beroep of cassatie.