3.1
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) Qnow heeft aan [betrokkene 1] en [betrokkene 2] een pakket aandelen verkocht voor een prijs van ƒ 30.000.000,--.
De aandelen zijn geleverd. [betrokkene 1] en [betrokkene 2] hebben een deel van de kooprijs betaald, maar hebben vervolgens de overeenkomst buitengerechtelijk vernietigd op grond van bedrog althans dwaling.
(ii) Tussen Qnow enerzijds en [betrokkene 1] en [betrokkene 2] anderzijds is vervolgens een arbitrale procedure gevoerd ten overstaan van drie arbiters met [verweerder] als voorzitter.
(iii) De arbiters hebben op 13 februari 2004 einduitspraak gedaan. Daarbij hebben zij – onder meer – een vervangende koopprijs van € 11.344.505,-- voor de aandelen vastgesteld en bepaald dat [betrokkene 1] en [betrokkene 2] naast het reeds betaalde bedrag ieder nog € 3.403.352,-- aan Qnow dienden te betalen.
(iv) Het arbitrale eindvonnis is op 13 februari 2004 aan partijen toegestuurd. Het was ondertekend door [verweerder] als voorzitter en door de griffier bij de arbitrage.
Het is vervolgens vanwege het scheidsgerecht bij de rechtbank Amsterdam gedeponeerd. De voorzieningenrechter van die rechtbank heeft op dit vonnis exequatur verleend.
(v) Op vordering van [betrokkene 1] en [betrokkene 2] heeft de rechtbank Amsterdam het arbitrale vonnis vernietigd op de grond dat het niet door alle drie de arbiters was ondertekend. Het vonnis van de rechtbank is in hoger beroep bekrachtigd. Er is geen beroep in cassatie ingesteld.
(vi) Qnow heeft haar geschil met [betrokkene 1] en [betrokkene 2] aan de rechtbank Maastricht voorgelegd. Die rechtbank heeft het beroep van [betrokkene 1] en [betrokkene 2] op verjaring gehonoreerd ten aanzien van enkele termijnen van de koopprijs, en heeft hen ieder afzonderlijk veroordeeld tot betaling aan Qnow van een bedrag van € 2.268.901,--. Het hoger beroep dat [betrokkene 1] en [betrokkene 2] tegen dit vonnis hebben ingesteld, is ambtshalve geroyeerd.
3.2
Voor zover in cassatie van belang vordert Qnow in de onderhavige procedure schadevergoeding van [verweerder] op onder meer de grond dat Qnow een groot deel van de koopsom van de aandelen niet meer op [betrokkene 1] en [betrokkene 2] kan verhalen. Qnow stelt dat de schade het gevolg is van een aan [verweerder] toe te rekenen beroepsfout die erin bestaat dat hij niet erop heeft toegezien dat het onder zijn voorzitterschap gewezen arbitrale vonnis de door art. 1057 lid 2 Rv voorgeschreven ondertekening door alle arbiters bevatte en dat dit vonnis vervolgens, zonder de noodzakelijke handtekeningen, is gedeponeerd bij de rechtbank Amsterdam. De rechtbank heeft de vordering van Qnow afgewezen.
3.3
Voor zover in cassatie van belang heeft het hof het vonnis van de rechtbank bekrachtigd. Daartoe heeft het onder meer – in rov. 3.5 – als volgt overwogen.
“(…) Bij de beantwoording van de vraag of een arbiter aansprakelijk is staat voorop dat een scheidsrechterlijke beoordeling in een uitspraak die wordt vernietigd slechts in uitzonderlijke gevallen onrechtmatig te achten is. Dat neemt niet weg dat zich gevallen kunnen voordoen waarin blijkt dat de arbiter met betrekking tot de vernietigde uitspraak opzettelijk of bewust roekeloos heeft gehandeld dan wel met kennelijke grove miskenning van hetgeen een behoorlijke taakvervulling meebrengt. Arbiters kunnen slechts persoonlijk aansprakelijk zijn indien zij met betrekking tot de vernietigde beslissing opzettelijk of bewust roekeloos hebben gehandeld dan wel met kennelijke grove miskenning van hetgeen een behoorlijke taakvervulling meebrengt (HR 4 december 2009, NJ 2011/131 (Greenworld)).
Naar het oordeel van het hof is aan laatstgenoemd criterium in dit geval niet voldaan. Dat bij het ontbreken van de handtekeningen van twee van de arbiters sprake is geweest van opzettelijk dan wel bewust roekeloos handelen bij arbiters kan uit de stellingen van Qnow niet worden afgeleid. Ook kan het feit dat door welke omstandigheden dan ook de handtekeningen van twee van de arbiters ontbreken onder het bij de rechtbank gedeponeerde arbitrale vonnis, hoe ongelukkig dat ook is, niet leiden tot de conclusie dat is gehandeld met kennelijke grove miskenning van hetgeen een behoorlijke taakvervulling meebrengt.
Ook als het handtekeningengebrek na deponeren van het vonnis niet meer te repareren is leidt dat – anders dan Qnow heeft aangevoerd – niet tot een ander oordeel.”
3.4.1
Onderdeel 1.1 van het middel betoogt kort gezegd dat het hof van een onjuiste maatstaf is uitgegaan voor de beantwoording van de vraag of [verweerder] aansprakelijk is. Volgens het onderdeel geldt de maatstaf van HR 4 december 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ7834, NJ 2011/131 (Greenworld) alleen in geval van vernietiging van een inhoudelijke beslissing van een scheidsgerecht, en niet bij een totstandkomingsgebrek als het onderhavige. Subsidiair klaagt onderdeel 1.2 dat het hof zijn oordeel dat het onderhavige gebrek op één lijn moet worden gesteld met de vernietiging van een inhoudelijke beslissing, onbegrijpelijk heeft gemotiveerd.
3.4.2
Bij de beoordeling van het onderdeel wordt het volgende vooropgesteld. In rov. 3.5 van het hiervoor in 3.4.1 genoemde Greenworld-arrest is erop gewezen dat overheidsrechtspraak en de in Boek 4 Rv geregelde arbitrage op diverse punten met elkaar overeenstemmen.
In dat arrest is geoordeeld dat arbiters voor de nadelige gevolgen van een vernietigde beslissing slechts persoonlijk aansprakelijk kunnen worden gesteld indien zij met betrekking tot die beslissing opzettelijk of bewust roekeloos hebben gehandeld, dan wel met kennelijke grove miskenning van hetgeen een behoorlijke taakvervulling meebrengt.
3.4.3
Hoewel het Greenworld-arrest betrekking had op een geval van vernietiging van een arbitrale uitspraak op inhoudelijke gronden en de motivering van het arrest vooral daarop is toegespitst, is er geen grond om de maatstaf van dat arrest te beperken tot vernietiging van een arbitraal vonnis op inhoudelijke gronden. In rov. 3.5 van het Greenworld-arrest is reeds gewezen op de mogelijkheid van vernietiging van een arbitrale uitspraak in verband met een processuele fout. Ook het niet (toezien op het) naleven van het voorschrift van art. 1057 lid 2 Rv is een zodanige fout. Er is geen grond om in dit verband een onderscheid te maken tussen enerzijds processuele fouten – of bepaalde processuele fouten – en anderzijds fouten bij de inhoudelijke beoordeling van een zaak. Ook bij de inhoudelijke beoordeling kunnen immers fouten worden gemaakt die geen verband houden met beoordelingsvrijheid, maar in meerdere of mindere mate kunnen worden gekwalificeerd als misslagen of omissies. De vraag naar de aansprakelijkheid voor dergelijke fouten dient steeds te worden beoordeeld naar de Greenworld-maatstaf, omdat die fouten samenhangen met de rechterlijke taak van arbiters. Ook de naleving van processuele voorschriften, inclusief die bij de afhandeling van een zaak, hangt met die taak samen.
Mede omwille van de rechtszekerheid dienen alle fouten bij de uitoefening van die rechterlijke taak te worden beoordeeld naar eenzelfde maatstaf.
3.4.4
Opmerking verdient dat een fout als de onderhavige dient te worden onderscheiden van de ‘bedrijfsfouten’ vermeld in de toelichting op de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren (Kamerstukken II 1994-1995, 24 220, nr. 3, p. 3-4, geciteerd in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 2.18.2). De laatstgenoemde fouten – zoals het zoekmaken van stukken – kunnen niet leiden tot vernietiging van een (arbitraal) vonnis en staan ook overigens in onvoldoende verband met de rechterlijke taak om daartoe te worden gerekend. Voor dergelijke fouten geldt de maatstaf van het Greenworld-arrest dan ook niet.
3.4.5
Gelet op het bovenstaande is het hof uitgegaan van de juiste maatstaf, zodat onderdeel 1.1 faalt. Onderdeel 1.2 faalt reeds op de grond dat een rechtsoordeel niet met succes met een motiveringsklacht kan worden bestreden.
3.5.1
Onderdeel 2 klaagt over de wijze waarop het hof de Greenworld-maatstaf heeft toegepast. Samengevat klaagt het dat het hof ten onrechte althans ontoereikend gemotiveerd heeft geoordeeld dat in het onderhavige geval, waarin sprake is van een (naar het hier nog van toepassing zijnde recht) onherstelbaar totstandkomingsgebrek, niet – dan wel niet in beginsel – is voldaan aan het criterium van ‘kennelijk grove miskenning van hetgeen een behoorlijke taakvervulling meebrengt’. Daarbij wijst het onderdeel onder meer op de omstandigheid dat sprake is van een van de essentialia van het vonnis, op de ernst van het gevolg van de fout – blootstelling van het vonnis aan vernietiging –, op het door Qnow gestelde feit dat [verweerder] is verzekerd (ook voor fouten als de onderhavige) en op de consequentie dat de arbitrale procedure zinledig is geweest, hetgeen volgens Qnow niet voor haar risico zou moeten komen.
3.5.2
Bij de beoordeling van het onderdeel wordt vooropgesteld dat de maatstaf of is gehandeld met ‘kennelijke grove miskenning van hetgeen een behoorlijke taakvervulling meebrengt’ (hierna ook: grof plichtsverzuim) uitgaat van een lichtere graad van verwijtbaarheid dan de maatstaf ‘opzet of bewuste roekeloosheid’, maar dat niettemin ook in eerstgenoemde maatstaf de nadruk erop ligt dat de betrokken arbiter een ernstig persoonlijk verwijt van zijn handelen of nalaten kan worden gemaakt, zij het dat die verwijtbaarheid in zekere mate is geobjectiveerd. Of een arbiter dit (geobjectiveerde) verwijt kan worden gemaakt, hangt af van de omstandigheden van het geval.
3.5.3
Het onderdeel slaagt. Zoals hiervoor in 3.5.2 is overwogen, is het antwoord op de vraag of een arbiter grof plichtsverzuim kan worden verweten, afhankelijk van de omstandigheden van het geval. De verantwoordelijkheid van de voorzitter van een scheidsgerecht om erop toe te zien dat het voorschrift van art. 1057 lid 2 Rv wordt nageleefd moet, mede gelet op de ernstige gevolgen van niet-inachtneming van dat voorschrift, worden aangemerkt als een wezenlijk onderdeel van diens taak. Een arbiter wordt geacht dit voorschrift te kennen. Tegen deze achtergrond kon het hof niet volstaan met de motivering dat aan de maatstaf voor aansprakelijkheid niet is voldaan indien ‘door welke omstandigheden dan ook’ de handtekeningen van twee arbiters onder het bij de rechtbank gedeponeerde arbitrale vonnis ontbraken.
Indien het hof hiermee tot uitdrukking heeft willen brengen dat het ontbreken van de twee handtekeningen nimmer tot aansprakelijkheid van de voorzitter kan leiden (behoudens diens opzet of bewuste roekeloosheid), is het uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting. Indien het hof is uitgegaan van de juiste rechtsopvatting, maar van oordeel was dat in de omstandigheden van dit geval geen sprake was van grof plichtsverzuim, heeft het onvoldoende inzicht gegeven in zijn gedachtegang, nu niet is vastgesteld wat de feitelijke gang van zaken is geweest rond de ondertekening en deponering ter griffie van het arbitrale vonnis.