Het middel klaagt dat art. 1, eerste lid, Sr is geschonden doordat het Hof de bijkomende straf van ontzetting van de uitoefening van het beroep van belastingadviseur/ belastingconsulent heeft opgelegd.
2.2.1.
Ten laste van de verdachte is - kort gezegd - bewezenverklaard het medeplegen van het opzettelijk doen van onjuiste belastingaangiften in de periode juni 2002 onderscheidenlijk oktober 2002 tot en met september 2003 (feiten 1 en 2) en het medeplegen van het valselijk opmaken van een geschrift in juni 2001 (feit 3).
2.2.2.
Deze bewezenverklaringen zijn toegesneden op respectievelijk art. 69, tweede lid, Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) en art. 225, eerste lid, Sr.
2.2.3.
Het Hof heeft de verdachte onder meer ontzet van de uitoefening van het beroep van belastingadviseur/ belastingconsulent. Het heeft ten aanzien van de oplegging van deze bijkomende straf het volgende overwogen:
"Op grond van verdachtes eerdere veroordeling, verdachtes opstelling op de zitting in hoger beroep en het feit dat verdachte nog steeds werkzaam is als belastingadviseur, acht het hof de kans dat verdachte wederom een strafbaar feit (als genoemd in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht) als belastingadviseur zal plegen, aanzienlijk. Gelet op deze recidivekans en de ernst van het onder 3 bewezenverklaarde en in combinatie met de onder 1 en 2 bewezenverklaarde feiten, zal het hof verdachte ontzetten van het recht tot uitoefening van het beroep van belastingadviseur voor de duur van vijf jaren."
2.3.1.
Bij de beoordeling van het middel zijn de volgende wettelijke bepalingen van belang:
- art. 1, eerste lid, Sr:
"Geen feit is strafbaar dan uit kracht van een daaraan voorafgegane wettelijke strafbepaling."
- art. 235, eerste lid, Sr:
"Bij veroordeling wegens een der in deze titel omschreven misdrijven, kan de schuldige worden ontzet van de uitoefening van het beroep waarin hij het misdrijf begaan heeft."
- art. 69, zesde lid, AWR:
"Indien de schuldige een van de strafbare feiten, omschreven in het eerste en tweede lid, in zijn beroep begaat, kan hij van de uitoefening van dat beroep worden ontzet."
2.3.2.
Art. 235, eerste lid, Sr en art. 69, zesde lid, AWR, zoals in 2.3.1 weergegeven, zijn ingevoerd bij de Wet van 12 juni 2009 tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht, Wetboek van Strafvordering en enkele aanverwante wetten in verband met de strafbaarstelling van het deelnemen en meewerken aan training voor terrorisme, uitbreiding van de mogelijkheden tot ontzetting uit het beroep als bijkomende straf en enkele andere wijzigingen (Stb. 2009, 245). Deze wet is in werking getreden op 1 april 2010.