Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2014:470

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
04-03-2014
Datum publicatie
04-03-2014
Zaaknummer
12/03455
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2014:89, Contrair
In cassatie op : ECLI:NL:GHARN:2012:BX1293, (Gedeeltelijke) vernietiging met terugwijzen
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Roekeloosheid, art. 6 jo. art. 175.2 WVW 1994. De door het Hof in het bijzonder in aanmerking genomen omstandigheden dat verdachte onder invloed van alcohol en zonder in het bezit te zijn van een rijbewijs slingerend, met wisselende snelheden en op te korte afstand van andere auto’s heeft gereden, vervolgens op het weggedeelte, bestemd voor het tegemoet komende verkeer is terecht gekomen en een ongeval heeft veroorzaakt, zijn niet zonder meer toereikend voor het oordeel van het Hof dat verdachte “roekeloos” in de zin van art. 6 jo. art. 175.2 WVW 1994 heeft gereden.

Wetsverwijzingen
Wegenverkeerswet 1994
Wegenverkeerswet 1994 6
Wegenverkeerswet 1994 8
Wegenverkeerswet 1994 175
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2014/482
NJ 2014/220 met annotatie van N. Rozemond
VR 2014/170
NBSTRAF 2014/122
JWR 2014/19
SR-Updates.nl 2014-0103
PS-Updates.nl 2019-0439
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

4 maart 2014

Strafkamer

nr. 12/03455

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Arnhem van 22 juni 2012, nummer 21/000430-11, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1984.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. C.N.G.M. Starmans, advocaat te Utrecht, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal E.J. Hofstee heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De raadsman heeft daarop schriftelijk gereageerd.

2 Bewezenverklaring en bewijsvoering

2.1.

Overeenkomstig de tenlastelegging is ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat:

"Feit 1

hij op 28 november 2008, te Wageningen, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto) daarmede rijdende over de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Mansholtlaan, roekeloos,

- terwijl hij onder invloed verkeerde van alcoholhoudende drank en

- terwijl hij niet in het bezit was van een rijbewijs,

- met voormeld motorrijtuig met wisselende snelheden heeft gereden en

- daarmee op korte afstand achter andere motorrijtuigen heeft gereden en

- met voormeld motorrijtuig slingerend heeft gereden en

- in onvoldoende mate op het voor hem liggende weggedeelte heeft gelet en is blijven letten en

- recht op een in die weg liggende verhoogde middengeleider af is gereden en

- vervolgens met het door hem bestuurde motorrijtuig (personenauto) een stuurcorrectie (naar rechts) heeft gemaakt en

- vervolgens met het linkerwiel van het door hem bestuurde motorrijtuig de in die weg liggende verhoogde middengeleider heeft geraakt en

- vervolgens met het door hem bestuurde motorrijtuig in een slip is geraakt en

- daarbij vervolgens de controle over het door hem bestuurde motorrijtuig (personenauto) is kwijt geraakt en

- vervolgens met dat motorrijtuig op het weggedeelte, bestemd voor het tegemoetkomend verkeer is terecht gekomen en

- vervolgens in aanrijding is gekomen met een aldaar rijdend hem tegemoetkomend ander motorrijtuig (taxi), ten gevolge waarvan het door verdachte bestuurde motorrijtuig over de kop is geslagen en op de kop tot stilstand is gekomen

en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan verdachtes schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander ([slachtoffer]) zwaar lichamelijk letsel werd toegebracht, terwijl het een ongeval betrof waardoor een ander lichamelijk letsel werd toegebracht en verdachte verkeerde in de toestand bedoeld in artikel 8 lid 3 van de Wegenverkeerswet 1994, aangezien verdachte toen dat motorrijtuig heeft bestuurd na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van verdachtes bloed bij een onderzoek als bedoeld in artikel 8, derde lid, aanhef en onder b van de Wegenverkeerswet 1994, 0,81 milligram alcohol per milliliter bloed bleek te zijn, terwijl voor het besturen van dat motorrijtuig een rijbewijs was vereist en verdachte dit motorrijtuig heeft bestuurd zonder rijbewijs.

Feit 3:

hij op 28 november 2008 te Wageningen als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto) heeft gereden op de weg, de Mansholtlaan, zonder dat aan hem door de daartoe bevoegde autoriteit, als bedoeld in artikel 116 lid 1 van de Wegenverkeerswet 1994 een rijbewijs was afgegeven voor de categorie van motorrijtuigen, waartoe dat motorrijtuig behoorde."

2.2.

Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

"1. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal (pagina 85 e.v.), voor zover inhoudende als relaas van verbalisant, zakelijk weergegeven:

Op 28 november 2008 kreeg ik kennis van een verkeersongeval op de Mansholtlaan te Wageningen. Het bleek dat de nader te noemen persoon als bestuurder van een personenauto van het merk Alfa Romeo, voorzien van het kenteken [AA-00-BB], bij dat ongeval betrokken was. De bestuurder werd door mij, verbalisant, aangesproken. Op 28 november 2008, omstreeks 23.50 uur, had ik het eerste directe contact met deze bestuurder. Ik, verbalisant, nam waar dat de adem van de bestuurder naar het inwendig gebruik van alcoholhoudende drank rook. Na onderzoek bleek dat de bestuurder was genaamd [verdachte], geboren op [geboortedatum] 1984 te [geboorteplaats].

Bij navraag in het herkenningssysteem van de regiopolitie Gelderland-Midden bleek de verdachte [verdachte] niet in het bezit te zijn van een geldig rijbewijs.

Op 29 november 2009 heeft de arts de verdachte bloed afgenomen. Het bloedmonster is verzonden naar het Nederlands Forensisch Instituut. Uit het hierbij gevoegde rapport van het Nederlands Forensisch Instituut blijkt dat het alcoholgehalte van het bloed van de verdachte ten tijde van het onderzoek 0,81 milligram alcohol per milliliter bloed bedraagt.

2. Het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg van 24 september 2010, voor zover inhoudende als verklaring van [verbalisant], brigadier van politie, zakelijk weergegeven:

Ik lag op de grond naast de auto. Door de raamportieren had ik contact met [slachtoffer]. Ik kon al liggend met haar praten. [slachtoffer] en de andere persoon lagen met hun hoofden naar achteren gericht. Zij lagen tegen elkaar aan, bij de achterbank. De andere persoon was niet aanspreekbaar. Uiteindelijk is gebleken dat [slachtoffer] ergens vastzat met haar benen. Toen wij ter plaatse kwamen, lag de auto op de kop. De auto was zodanig ingedeukt dat niemand er zelfstandig uit had kunnen kruipen. Beide personen zijn via de achterzijde door de brandweer uit de auto gehaald. Ik weet nog dat ik genoteerd had dat verdachte de bestuurder van de auto was. De andere persoon is meteen naar het ziekenhuis overgebracht. Ik nam aan dat hij de bestuurder van de auto is geweest vanwege de stoelstand en vanwege de positie van [slachtoffer] toen wij ter plaatse kwamen. Zij lag toen aan de passagierszijde. [slachtoffer] kon niets omdat zij klem zat.

3. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal verkeersongevalsanalyse (pagina 11 e.v.), voor zover inhoudende als relaas van verbalisant, zakelijk weergegeven:

(Pagina 14)

Beknopte ongevalsbeschrijving

Wij hebben op 29 november 2008, omstreeks 00.15 uur, geassisteerd bij de afwikkeling van het hierna bedoelde verkeersongeval. De bestuurder van een personenauto reed komende vanuit de richting van Ede en gaande in de richting van Wageningen via de Mansholtlaan. Volgens een getuigenverklaring reed de bestuurder van een personenauto erg slingerend en raakte hierbij de middengeleider en verloor daardoor de macht over het stuur. De Alfa Romeo kwam hierdoor in de rechterberm en reed vervolgens de rijbaan weer op en kreeg een aanrijding op de rijstrook voor het tegemoetkomende verkeer met een taxi en sloeg hierbij over de kop. Bij dit ongeval waren de volgende voertuigen betrokken:

personenauto, merk Alfa Romeo, gekentekend [AA-00-BB];

taxi, merk Mercedes-Benz, gekentekend [CC-00-DD].

(Pagina 27 e.v.)

Interpretatie en analyse

Het verkeersongeval vond plaats op 28 november 2008 op de Mansholtlaan te Wageningen. De bestuurder van de Alfa Romeo heeft op een gegeven moment geslingerd waarbij hij met de linkerwielen van de Alfa Romeo de middengeleider heeft geraakt. Vervolgens is de Alfa Romeo dermate in de slip geraakt dat deze nagenoeg zijdeling richting het fietspad is gegleden en vervolgens op de rijbaan tot stilstand is gekomen. Op dat moment bevond de Alfa Romeo zich nagenoeg haaks op de rijbaan en wel op de rechterrijstrook gezien vanuit de richting van Wageningen. Een ogenblik later botste de Mercedes met de voorzijde tegen de rechterzijkant van de Alfa Romeo. Bij deze botsing is de Alfa Romeo gekanteld en vervolgens op het dak gerold.

4. De verklaring van verdachte ter terechtzitting in hoger beroep van 8 juni 2012, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven.

Ik heb geen rijbewijs. Ik heb nooit een rijbewijs gehad.

5. Het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg van 24 september 2010, voor zover inhoudende als verklaring van [slachtoffer], zakelijk weergegeven:

Ik had op de avond van 28 november 2008 een feestje en ik had gedronken. Omdat onze sigaretten op waren, wilden we sigaretten halen. Er werd mij gezegd dat ik met verdachte mee moest rijden om sigaretten te halen. Hij zat toen al in de auto. We zijn met zijn tweeën naar Wageningen gereden. We zaten beiden voorin. Ik zat rechts en hij zat links. Hij was degene die reed. Hij heeft ook de hele tijd gereden. Op de heenweg en op de terugweg. Hij had ook gedronken. Door het ongeval heb ik mijn heup gebroken, mijn been was verbrijzeld en mijn hoofd was beschadigd. Ook ben ik geopereerd aan mijn buik. Ik sta nu nog steeds onder behandeling voor mijn been en heup.

6. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor (pagina 70), voor zover inhoudende als verklaring van [slachtoffer], zakelijk weergegeven:

U vraagt mij hoe het met mij gaat sinds de aanrijding eind november. Ik heb zes weken bedrust gehad in verband met mijn bekken en gebroken enkel. Ik heb pinnen in mijn linkerbeen. Hier heb ik nog veel last van. Ik kan nu wel lopen, maar dat doet erg pijn. Ik kan hierdoor niet naar school of werk uitoefenen.

7. Een geschrift als bedoeld in artikel 344 van het Wetboek van Strafvordering, te weten een medische verklaring betreffende [slachtoffer] (pagina 72), voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Datum onderzoek: 29 november 2008.

Letsel: bekkenbreuk, dubbele onderbeenbreuk.

8. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor (pagina 55), voor zover inhoudende als verklaring van [getuige 1], zakelijk weergegeven:

Op 28 november 2008, omstreeks 23.30 uur, reed ik met mijn personenauto op de Dr. Willem Dreeslaan te Ede in de richting van Wageningen. Ik zag dat er voor mij een rode personenauto reed met het kenteken [AA-00-BB]. Het viel me op dat deze auto vreemd reed. Met vreemd bedoel ik dat hij het ene moment hard reed en vervolgens weer zachter begon te rijden en haast niet optrok bij de verkeerslichten. Vervolgens ging de auto weer harder rijden en reed daarbij dicht op zijn voorganger. Toen ik Bennekom passeerde op de Dr. Willem Dreeslaan zag ik dat de rode personenauto iets slingerde en ter hoogte van de rotonde met de Droevendaalsesteeg reed de rode personenauto erg dicht op zijn voorganger. Vlak na de rotonde, waar de Dr. Willem Dreeslaan inmiddels was overgegaan in de Mansholtlaan te Wageningen zag ik dat de rode personenauto recht op de daar gevestigde middengeleider afreed. Ik zag dat de bestuurder kennelijk op het laatste moment zijn of haar auto wilde corrigeren omdat de personenauto plotseling naar rechts uitweek. Ik zag vervolgens dat de rode personenauto in de slip raakte en dat de bestuurder kennelijk de macht over het stuur verloor omdat ik de auto steeds verder in de slip zag raken. Ik zag vervolgens dat de rode personenauto na de middengeleider op de linkerweghelft geraakte. Ik zag dat er uit de richting van Wageningen een tweede personenauto aan kwam rijden. Ik zag dat de rode personenauto op de linkerweghelft tolde en vervolgens met de voorzijde op de voorzijde dan wel linkerzijkant van de tegemoetkomende personenauto botste. Ik zag vervolgens dat de rode personenauto over de kop sloeg en op zijn dak tot stilstand kwam. Ik zag dat de tweede auto een taxi was.

9. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor (pagina 57), voor zover inhoudende als verklaring van [getuige 2], zakelijk weergegeven:

Op 28 november 2008, omstreeks 23.30 uur, reed ik in mijn personenauto op de Dr. Willem Dreeslaan te Ede in de richting van Wageningen. Ik zag in mijn achteruitkijkspiegel dat er een rode personenauto mij snel naderde en zeer dicht op mijn bumper ging rijden. Toen ik naar rechts ging, zag ik dat de rode personenauto mij met hoge snelheid inhaalde. Ik zag vervolgens dat de auto weer snel vaart minderde en vrij direct invoegde voor een aantal auto's voor mij. Ik zag dat de rode personenauto vervolgens weer heel langzaam ging rijden. Toen ik eenmaal op de Mansholtlaan te Wageningen kwam, zag ik dat er een aanrijding was gebeurd en dat de rode personenauto die mij kort hiervoor had ingehaald, bij deze aanrijding betrokken was en op zijn kop op de Mansholtlaan lag."

2.3.

Het Hof heeft ten aanzien van de bewezenverklaring voorts nog het volgende overwogen:

"Gedragingen

Op grond van de in de eventueel later op te maken aanvulling gebezigde bewijsmiddelen acht het hof het volgende wettig en overtuigend bewezen.

Verdachte reed op 28 november 2008 te Wageningen als bestuurder van een personenauto. [slachtoffer] zat bij hem in de auto. Verdachte reed slingerend, met wisselende snelheden en op korte afstand achter andere auto's. Op enig moment raakte verdachte een op de weg liggende verhoogde middengeleider. Als gevolg daarvan raakte verdachte in een slip en verloor hij de controle over zijn auto. Verdachte kwam terecht op het weggedeelte bestemd voor het tegemoetkomende verkeer, waarop een aanrijding volgde met een daar rijdende auto. Ten gevolge hiervan is verdachtes auto over de kop geslagen en ondersteboven tot stilstand gekomen. Verdachte was ten tijde van het ongeluk onder invloed van alcohol en hij beschikte niet over een rijbewijs.

[slachtoffer] heeft als gevolg van dit ongeluk een dubbele beenbreuk en een breuk in het bekken opgelopen. Daarnaast is zij geopereerd aan haar been waarbij pinnen in haar been zijn gezet. Als gevolg hiervan had zij veel pijn. Zij heeft vanwege de breuken zes weken bedrust moeten houden en in die periode heeft ze niet kunnen werken of naar school kunnen gaan.

Schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet

De vraag is vervolgens of deze feitelijke gedragingen, gegeven de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval, de conclusie kunnen rechtvaardigen dat verdachte schuld heeft aan het verkeersongeval in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 en zo ja, of deze schuld bestaat in roekeloosheid.

Het gedrag van verdachte moet daarvoor worden afgemeten aan dat wat van een automobilist in het algemeen en gemiddeld genomen mag worden verwacht. Het hof merkt het rijgedrag van verdachte reeds op zichzelf aan als zeer onvoorzichtig en onachtzaam. Een automobilist heeft onder meer de bijzondere zorgplichten om bewust, en dus niet onder onaanvaardbare invloed van middelen, en alert aan het verkeer deel te nemen, en daarbij de plaats op de weg in te nemen die de (verkeers)wetgever hem heeft voorgeschreven en voldoende afstand tot zijn voorganger te houden. Die voorzorgen heeft verdachte gezien zijn bewezen verklaarde handelen zeer veronachtzaamd.

Met betrekking tot de ten laste gelegde roekeloosheid overweegt het hof nog het volgende.

Met roekeloosheid wordt gedoeld op de zwaarste vorm van schuld. Het gaat dan in het algemeen om gevallen waarin sprake is van zeer onvoorzichtig gedrag waarbij welbewust en met ernstige gevolgen onaanvaardbare risico's zijn genomen. Roekeloosheid vereist een zeer ernstig gebrek aan zorgvuldigheid.

In de onderhavige zaak is vast komen te staan dat verdachte als bestuurder van een auto een ongeluk heeft veroorzaakt nadat hij slingerend, met wisselende snelheden en op te korte afstand van andere auto's reed. Hij was daarbij onder invloed van alcohol. Het alcoholgehalte in zijn bloed was aanmerkelijk hoger dan toegestaan. Bovendien beschikte verdachte niet over een rijbewijs; zijn bekwaamheid om een voertuig te besturen was dus niet getoetst en hij was dus onbevoegd een auto te besturen. Door desondanks een auto te besturen heeft verdachte desbewust grote risico's genomen.

Op grond van al deze omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, merkt het hof het bewezenverklaarde gedrag van verdachte aan als roekeloos."

3 Beoordeling van het eerste middel

Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4 Beoordeling van het derde middel

4.1.

Het middel richt zich tegen het oordeel van het Hof dat sprake is van schuld in de zin van roekeloosheid.

4.2.

Het onder 1 tenlastegelegde is toegesneden op art. 6 in verbinding met art. 175 WVW 1994. De in de tenlastelegging en bewezenverklaring voorkomende term "roekeloos" moet derhalve geacht worden aldaar te zijn gebezigd in dezelfde betekenis als daaraan toekomt in art. 175, tweede lid aanhef en onder a, WVW 1994.

4.3.

Ingevolge bestendige rechtspraak kan in cassatie slechts worden onderzocht of de schuld aan een verkeersongeval in de zin van art. 6 WVW 1994 uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid. Daarbij komt het aan op het geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Voorts verdient opmerking dat niet reeds uit de ernst van de gevolgen van verkeersgedrag dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer, kan worden afgeleid dat sprake is van schuld in vorenbedoelde zin.

Voor de schuldvorm "roekeloosheid" geldt op zichzelf hetzelfde, zij het dat daarbij moet worden betrokken dat deze roekeloosheid in de wetsgeschiedenis als "de zwaarste vorm van het culpose delict" wordt aangemerkt die tot onder meer een verdubbeling van het maximum van de op te leggen vrijheidsstraf heeft geleid. Mede met het oog op het strafverhogende effect van dit bestanddeel moeten daarom aan de vaststelling dat sprake is van roekeloosheid, dus de zwaarste vorm van schuld, bepaaldelijk eisen worden gesteld en dient de rechter in voorkomende gevallen daaraan in zijn motivering van de bewezenverklaring nadere aandacht te geven. Dat geldt ook in de gevallen waarin de roekeloosheid in de kern bestaat uit de in art. 175, derde lid, WVW 1994 omschreven gedragingen, nu die gedragingen grond vormen voor een verdere verhoging van het ingevolge het tweede lid van dat artikel voor roekeloosheid geldende strafmaximum.

Het voorgaande brengt mee dat de vraag of in een concreet geval sprake is van roekeloosheid in de zin van art. 175, tweede lid, WVW 1994 een beoordeling vergt van de specifieke omstandigheden van dat geval. De Hoge Raad kan bij het beoordelen van cassatieberoepen die zich richten tegen beslissingen in concrete gevallen, slechts tot op zekere hoogte duidelijkheid verschaffen omtrent de inhoud van het begrip roekeloosheid. Bij die toetsing in cassatie van beslissingen in concrete gevallen kan een rol spelen of de rechter zijn oordeel dat sprake is van roekeloosheid in de zin van art. 175, tweede lid, WVW 1994, heeft voorzien van een nadere motivering die recht doet aan het bijzondere karakter van roekeloosheid. Van roekeloosheid als zwaarste, aan opzet grenzende, schuldvorm zal immers slechts in uitzonderlijke gevallen sprake zijn. Daarbij verdient opmerking dat "roekeloosheid" in de zin van de wet een specifieke betekenis heeft die niet noodzakelijkerwijs samenvalt met wat in het normale spraakgebruik onder "roekeloos" - in de betekenis van "onberaden" - wordt verstaan.

Om tot het oordeel te kunnen komen dat in een concreet geval sprake is van roekeloosheid in de zin van art. 175, tweede lid, WVW 1994, zal de rechter zodanige feiten en omstandigheden moeten vaststellen dat daaruit is af te leiden dat door de buitengewoon onvoorzichtige gedraging van de verdachte een zeer ernstig gevaar in het leven is geroepen, alsmede dat de verdachte zich daarvan bewust was, althans had moeten zijn.

Uit hetgeen hiervoor is overwogen vloeit voort dat in dit verband doorgaans niet volstaat de enkele vaststelling dat de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan een of meer in art. 175, derde lid, WVW 1994 genoemde, zelfstandig tot verhoging van het wettelijk strafmaximum leidende gedragingen. (Vgl. HR 15 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:960, NJ 2014/25.)

4.4.

In het licht van het voorafgaande schiet de bewijsvoering van het Hof tekort. De door het Hof blijkens de nadere bewijsoverweging in het bijzonder in aanmerking genomen omstandigheden dat de verdachte onder invloed van alcohol en zonder in het bezit te zijn van een rijbewijs slingerend, met wisselende snelheden en op te korte afstand van andere auto's heeft gereden, vervolgens op het weggedeelte, bestemd voor het tegemoetkomende verkeer is terecht gekomen en een ongeval heeft veroorzaakt, zouden toereikend kunnen zijn voor het oordeel dat de verdachte, zoals eveneens is tenlastegelegd, "zeer, althans aanmerkelijk onoplettend, onvoorzichtig en/of onachtzaam" heeft gereden onder de in art. 175, derde lid, WVW 1994 tot strafverhoging leidende omstandigheden, maar zij zijn niet zonder meer toereikend voor het oordeel van het Hof dat de verdachte "roekeloos" in de zin van art. 6 in verbinding met art. 175, tweede lid, WVW 1994 heeft gereden.

4.5.

Het middel is gegrond.

5 Slotsom

Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat het tweede middel geen bespreking behoeft en als volgt moet worden beslist.

6 Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak maar uitsluitend wat betreft de beslissingen ter zake van het onder 1 tenlastegelegde en de strafoplegging;

wijst de zaak terug naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan;

verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren W.F. Groos en V. van den Brink, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 4 maart 2014.

Mr. Groos is buiten staat dit arrest te ondertekenen.