30 oktober 2009
Eerste Kamer
09/01689
DV/AS
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
[Verzoeker],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKER tot cassatie,
advocaat: mr. S.M. Kingma.
Verzoeker zal hierna ook worden aangeduid als [verzoeker].
1. Het geding in feitelijke instantie
De rechtbank Middelburg heeft bij vonnis van 22 januari 2008 ten aanzien van [verzoeker] de definitieve toepassing van de schuldsaneringsregeling uitgesproken.
De bewindvoerder, mr. P. Buijs te Vlissingen, heeft bij brief, ingekomen op 6 februari 2009, de rechter-commissaris verzocht het vrij te laten bedrag vast te stellen vanaf de maand februari 2009.
Bij brief van 24 februari 2009 heeft [verzoeker], voor zover in cassatie nog van belang, de rechter-commissaris verzocht met terugwerkende kracht in het vrij te laten bedrag rekening te houden met de premie van de ziektekostenverzekering van [verzoeker] en zijn echtgenote.
Na mondelinge behandeling heeft de rechter-commissaris bij beschikking van 9 april 2009 bepaald dat van het inkomen van [verzoeker] maandelijks buiten de boedel blijft € 1.556,32 en dat hij van het jaarlijks te ontvangen vakantiegeld een bedrag van € 666,26 kan behouden. Voorts heeft de rechter-commissaris bepaald dat de beslissing geldt vanaf 1 februari 2009.
Tegen deze beschikking heeft [verzoeker] hoger beroep ingesteld bij de rechtbank Middelburg.
Bij beschikking van 20 april 2009 heeft de rechtbank [verzoeker] niet-ontvankelijk verklaard in zijn beroep.
De beschikking van de rechtbank van 20 april 2009 is aan deze beschikking gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen de beschikking van de rechtbank heeft [verzoeker] beroep in cassatie ingesteld. Het verzoekschrift is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De conclusie van de Advocaat-Generaal F.F. Langemeijer strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot verwijzing van de zaak naar de rechtbank te Middelburg.
3. Beoordeling van de middelen
3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) Bij vonnis van 22 januari 2008 is ten aanzien van [verzoeker] de definitieve toepassing van de schuldsaneringsregeling uitgesproken.
(ii) De bewindvoerder heeft bij brief van 5 februari 2009 de rechter-commissaris verzocht het vrij te laten bedrag vast te stellen vanaf de maand februari 2009.
(iii) Bij brief van 24 februari 2009, met de aanhef "Verzoekschrift ex artikel 317 Faillissementswet", heeft [verzoeker], voor zover thans van belang, de rechter-commissaris verzocht om - anders dan de bewindvoerder in diens brief van 5 februari 2009 had voorgesteld - de beslagvrije voet te verhogen met de premie van de ziektekostenverzekering van de echtgenote van [verzoeker].
(iv) De rechter-commissaris heeft in de beschikking van 9 april 2009 in rov. 3.2 het verzoek van [verzoeker] afgewezen en heeft het vrij te laten bedrag bepaald op € 1.556,32, daarbij overwegende dat dit bedrag is opgebouwd uit de voor [verzoeker] geldende beslagvrije voet, vermeerderd met een nominaal bedrag en verminderd met een inhouding ter zake van vakantiegeld.
3.2 [Verzoeker] heeft op 14 april 2009 tegen deze beschikking hoger beroep ingesteld. De rechtbank heeft [verzoeker] niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat het hoger beroep zich richt tegen een beslissing van de rechter-commissaris als bedoeld in art. 295 lid 3 F., waartegen ingevolge art. 315 lid 2 F. geen hoger beroep openstaat.
3.3 Het eerste middel klaagt onder meer over onbegrijpelijkheid van de vaststelling dat het hoger beroep van [verzoeker] zich richt tegen een beslissing van de rechter-commissaris als bedoeld in art. 295 lid 3 F.
Deze klacht is gegrond. In zijn brief van 24 februari 2009 verzocht [verzoeker], onder meer, in het vrij te laten bedrag rekening te houden met de premie van de ziektekostenverzekering van zijn echtgenote. Het verzoek had in zoverre betrekking op de hoogte van het ingevolge art. 295 lid 2 F. van rechtswege buiten de boedel vallende bedrag van de beslagvrije voet als bedoeld in art. 475d Rv., en niet op een door de rechter-commissaris op de voet van art. 295 lid 3 F. met een nominaal bedrag vast te stellen verhoging van het ingevolge het tweede lid buiten de boedel vallende bedrag. Met een dergelijk verzoek kan de schuldenaar zich op de voet van art. 317 F. tot de rechter-commissaris wenden, nu het gaat om een geschil over de omvang van de van rechtswege aan hem persoonlijk toekomende, buiten de boedel vallende, inkomsten als bedoeld in art. 295 lid 2, dat ertoe strekt de schuldenaar ondanks de toepassing van de schuldsaneringsregeling de beschikking te doen houden over een zeker bedrag waarmee hij in zijn levensonderhoud kan voorzien (vgl. HR 10 mei 1985, nr. 6771, LJN AG5016, NJ 1985, 792). Op het in de brief van [verzoeker] gedane verzoek met betrekking tot de hoogte van het bedrag van de beslagvrije voet heeft de rechter-commissaris in rov. 3.2 van haar beschikking van 9 april 2009 beslist. Het beroepschrift van 14 april 2009 kan niet anders worden begrepen dan dat het uitsluitend betrekking heeft op die beslissing en derhalve niet op de vaststelling door de rechter-commissaris van het nominale bedrag als bedoeld in art. 295 lid 3 F. De rechtbank heeft dan ook ten onrechte art. 315 lid 2 F. van toepassing geacht en [verzoeker] niet-ontvankelijk verklaard. Het tweede middel behoeft geen behandeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt de beschikking van de rechtbank Middelburg van 20 april 2009;
verwijst de zaak naar die rechtbank ter verdere behandeling en beslissing.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president J.B. Fleers als voorzitter en de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, E.J. Numann, J.C. van Oven en W.A.M. van Schendel, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 30 oktober 2009.