Uitspraken

Een deel van alle rechterlijke uitspraken wordt gepubliceerd op rechtspraak.nl. Dit gebeurt gepseudonimiseerd.

Deze uitspraak is gepseudonimiseerd volgens de pseudonimiseringsrichtlijn

ECLI:NL:HR:2005:AT7292

Hoge Raad
30-08-2005
01-09-2005
02595/04
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2005:AT7292
In cassatie op : ECLI:NL:GHSHE:2004:AQ6471
Strafrecht
Cassatie

Bestuurder in de zin van de WVW 1994. ’s Hofs oordeel dat verdachte (die niet op de bestuurdersstoel zat) door het aantrekken van de handrem van een auto een bedieningsorgaan van die auto heeft gehanteerd waardoor de voortbeweging en rijrichting van die auto werden beïnvloed en aldus als bestuurder van die auto heeft gefungeerd, geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting omtrent het begrip “bestuurder” in de zin van de WVW 1994.

Rechtspraak.nl
NJ 2005, 542
VR 2006, 17
Jwr 2005/58 met annotatie van T. van der Pluijm
NbSr 2005/329

Uitspraak

30 augustus 2005

Strafkamer

nr. 02595/04

PB/AM

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 27 juli 2004, nummer 20/003418-03, in de strafzaak tegen:

[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1962, wonende te [woonplaats].

1. De bestreden uitspraak

Het Hof heeft in hoger beroep - behalve ten aanzien van de bewijsvoering, de opgelegde straf, strafmotivering en de beslissing op de vordering van de benadeelde partij - bevestigd een vonnis van de Rechtbank te 's-Hertogenbosch van 5 juni 2003, waarbij de verdachte is veroordeeld ter zake van "overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht, meermalen gepleegd". Het Hof heeft de verdachte veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 240 uren subsidiair 120 dagen hechtenis, met ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van twaalf maanden. Voorts heeft het Hof de vordering van de benadeelde partij toegewezen tot een bedrag van € 2.500,- en aan de verdachte een betalingsverplichting opgelegd, een en ander zoals in het arrest vermeld.

2. Geding in cassatie

2.1. Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben mr. G.P. Hamer en mr. A.M. Ficq-Kengen, beiden advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2.2. De Hoge Raad heeft kennisgenomen van het schriftelijk commentaar van mr. G.P. Hamer en mr. B.P. de Boer, beiden advocaat te Amsterdam, op de conclusie van de Advocaat-Generaal.

3. Beoordeling van het eerste middel

3.1. In het middel wordt geklaagd over de verwerping van het op de terechtzitting gevoerde verweer dat de verdachte niet als bestuurder in de zin van art. 179 Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994) kan worden aangemerkt.

3.2. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

"hij op 18 april 2002 te Eindhoven als verkeersdeelnemer, namelijk als passagier van een voertuig (personenbusje), welk busje door een ander werd bestuurd over de weg, de rijksweg A67, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door zeer onvoorzichtig de handrem van dat busje op een zodanige manier aan te trekken dat ten gevolge daarvan dat busje in een slip is geraakt, en (vervolgens) op zijn kant is gevallen, waardoor twee inzittenden (genaamd [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2]) zwaar lichamelijk letsel, te weten ten aanzien van [slachtoffer 1]: hersenschudding en een gebroken heiligbeen en een scheurtje in het bekkenstelsel en een gebroken hand of een gebroken vinger, en ten aanzien van [slachtoffer 2]: een gecompliceerde bovenarmfractuur werd toegebracht."

3.3. Het bestreden arrest houdt ten aanzien van het gevoerde verweer het volgende in:

"Naar het oordeel van het hof kan als feitelijk bestuurder - en daarmee tevens als verkeersdeelnemer - worden aangemerkt elke persoon die bedieningsorganen van een motorrijtuig hanteert en door middel daarvan de voortbeweging en rijrichting van het motorrijtuig beïnvloedt.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat verdachte als passagier toen hij vaststelde dat het verkeer voor hem vaart minderde, heeft gezegd: 'Even bijremmen' of woorden van gelijke strekking en daarop de handrem van het voertuig heeft aangetrokken. Verdachte heeft daarmee zeer bewust een bedieningsorgaan van het motorrijtuig gehanteerd, en zodoende de voortbeweging en rijrichting van het motorrijtuig beïnvloed.

Naar het oordeel van het hof heeft verdachte zich dan ook op dat moment en daardoor gemanifesteerd als bestuurder in de zin van de Wegenverkeerswet 1994, en kan hij derhalve in die zin ook als verkeersdeelnemer worden aangemerkt."

3.4. Art. 179 WVW 1994 luidt, voorzover hier relevant, als volgt:

"1. Bij veroordeling van de bestuurder van een motorrijtuig wegens overtreding van de artikelen 6, 7, eerste lid, 8, 9, 162, derde lid, of 163, tweede, zesde, achtste of negende lid, kan hem de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor ten hoogste vijf jaren worden ontzegd."

3.5. Het oordeel van het Hof dat de verdachte door het aantrekken van de handrem van een auto een bedieningsorgaan van die auto heeft gehanteerd waardoor de voortbeweging en rijrichting van die auto werden beïnvloed en aldus als bestuurder van die auto heeft gefungeerd, geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting omtrent het begrip 'bestuurder' in de zin van de WVW 1994. Het oordeel is evenmin onbegrijpelijk. Daaraan doet niet af dat de verdachte zich bij het aantrekken van de handrem niet op de bestuurdersplaats bevond.

3.6. Het middel faalt.

4. Beoordeling van het tweede middel

Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

5. Slotsom

Nu de middelen niet tot cassatie kunnen leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.

6. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren G.J.M. Corstens, J.P. Balkema, J.W. Ilsink en J. de Hullu in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 30 augustus 2005.

De gegevens worden opgehaald

Hulp bij zoeken

Er is een uitgebreide handleiding beschikbaar voor het zoeken naar uitspraken, met onder andere uitleg over:

Selectiecriteria

De Rechtspraak, Hoge Raad der Nederlanden en Raad van State publiceren uitspraken op basis van selectiecriteria:

  • Uitspraken zaken meervoudige kamers
  • Uitspraken Hoge Raad en appelcolleges
  • Uitspraken met media-aandacht
  • Uitspraken in strafzaken
  • Europees recht
  • Richtinggevende uitspraken
  • Wraking

Weekoverzicht

Selecteer een week en bekijk welke uitspraken er in die week aan het uitsprakenregister zijn toegevoegd.