GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team belastingrecht
Meervoudige Belastingkamer
Uitspraak op het hoger beroep van
[belanghebbende] ,
wonende te [woonplaats] (België),
hierna: belanghebbende,
tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 19 april 2019, nummer BRE 17/5612, in het geding tussen
de inspecteur van de Belastingdienst
hierna: de inspecteur.
1 Ontstaan en loop van het geding
1.1.
Belanghebbende heeft verzocht om teruggave van dividendbelasting. Bij beschikking heeft de inspecteur dat verzoek afgewezen. Het daartegen door belanghebbende gemaakte bezwaar is bij uitspraak van de inspecteur afgewezen.
1.2.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de inspecteur beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
1.3.
Belanghebbende heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
1.4.
De zitting heeft plaatsgehad op 24 januari 2020 te ’s-Hertogenbosch. Belanghebbende en zijn gemachtigde zijn, met voorafgaande telefonische kennisgeving aan het hof, niet verschenen. Namens de inspecteur is verschenen [inspecteur] .
1.5.
Aan het slot van de zitting heeft het Hof het onderzoek gesloten en een schriftelijke uitspraak aangekondigd
2 Feiten
2.1.
Belanghebbende woont in België. Belanghebbende is directeur en enig aandeelhouder van een in Nederland gevestigde B.V. (hierna: de BV).
2.2.
Op 31 december 2012 is door de BV dividend aan belanghebbende uitgekeerd naar een bedrag van € 100.000. De BV heeft ter zake van dat dividend 15% dividendbelasting (hierna: de dividendbelasting) ingehouden.
2.3.
In België is het dividend verminderd met de dividendbelasting (ofwel voor een bedrag van € 85.000) aan de heffing van personenbelasting onderworpen. De totale belastingdruk op het dividend is: € 36.250, dat is € 15.000 dividendbelasting en € 21.250 Belgische personenbelasting.
4 Gronden
Ten aanzien van het geschil
4.1.
Belanghebbendes verzoek om teruggaaf is gebaseerd op zijn stelling dat de heffing van dividendbelasting leidt tot een ongeoorloofde schending van het vrije kapitaalverkeer van artikel 63 VWEU. De inspecteur is van mening dat een dergelijke schending zich niet voordoet.
4.2.
De rechtbank heeft belanghebbende in het ongelijk gesteld omdat (…) “de uiteindelijke belastingdruk in Nederland voor belanghebbende lager is dan voor in Nederland woonachtige belastingplichtigen in eenzelfde situatie.”1 De rechtbank heeft in dit verband meegewogen, onder verwijzing naar het arrest-Miljoen,2 dat niet is gesteld dat belanghebbende kosten heeft gemaakt die rechtstreeks verband houden met de inning van het dividend.3 Verder heeft de rechtbank overwogen dat de totale belastingdruk op het dividend het gevolg is van de parallelle uitoefening van belastingbevoegdheid van Nederland en België, dat deze belastingheffingen niet op elkaar zijn afgestemd en dat belanghebbende op grond van het gemeenschapsrecht (bedoeld zal zijn: het unierecht) geen afdwingbaar recht heeft op voorkoming van dubbele belasting.4
4.3.
In hoger beroep betoogt belanghebbende dat de rechtbank ten onrechte alleen acht heeft geslagen op de Nederlandse belastingheffing. Hij betoogt dat acht moet worden geslagen op de totale belastingdruk op het dividend. Nederland komt volgens belanghebbende (ook) zijn verplichtingen uit hoofde van het belastingverdrag met België niet na.
4.4.
Wat betreft belanghebbendes laatstbedoelde klacht geldt dat Nederland volgens het belastingverdrag met België van 5 juni 20015 (hierna: het Belastingverdrag) bevoegd is tot de onderhavige heffing van dividendbelasting.6 Gezien artikel 23, lid 2, aanhef en letter b, van het Belastingverdrag brengt België op de dividenden geheven Nederlandse belasting in mindering op Belgische belasting op de dividenden, echter onder voorbehoud van bepalingen van de Belgische wetgeving daaromtrent. Of en in hoeverre België verdragsverplichtingen schendt, staat niet ter beoordeling van de Nederlandse belastingrechter. Nederland is, reeds gelet op het zojuist genoemde voorbehoud in de voorkomingsbepaling uit het Belastingverdrag, niet gehouden België aan te spreken op al dan niet bestaande mogelijkheden tot verrekening van de dividendbelasting volgens Belgisch intern recht.7
4.5.
Het hof verwerpt het betoog van belanghebbende ook voor het overige. De bepalingen betreffende het recht van op vrij verkeer van het VWEU normeren de eenzijdige uitoefening van rechtsmacht door de lidstaten. De (al dan niet parallelle) uitoefening van rechtsmacht door (een) andere (lid)staten is in beginsel niet van belang bij het antwoord op de vraag of de eenzijdige uitoefening van rechtsmacht door een lidstaat leidt tot schending van het recht op vrij verkeer. Een uitzondering daarop doet zich voor indien het ingevolge eenzijdige regels van die lidstaat nodig is om acht te slaan op de uitoefening van rechtsmacht, ook indien die door andere lidstaten wordt uitgeoefend, om te beoordelen of een lidstaat een niet-toegestaan onderscheid maakt tussen interne en grensoverschrijdende situaties. Dat kan bijvoorbeeld aan de orde zijn bij maatregelen ter voorkoming van economisch dubbele belastingheffing.8
4.6.
Belanghebbende beklaagt zich echter (terecht) niet over dergelijke maatregelen, maar over de nadelige gevolgen van de uitoefening van rechtsmacht door twee lidstaten ten aanzien van hemzelf. Deze juridisch dubbele belastingheffing is weliswaar een gevolg van grensoverschrijdende economische activiteiten van belanghebbende, maar de bepalingen betreffende het recht op vrij verkeer bevat geen waarborg tegen alle nadelige gevolgen van die grensoverschrijding. De verkeersvrijheden bieden dan ook geen waarborg tegen juridisch dubbele belastingheffing.9 Zij bieden evenmin een remedie voor de omstandigheid dat de Belgische eenzijdige regelgeving betreffende de voorkoming van dubbele belasting kennelijk afwijkt van de Nederlandse eenzijdige regels daaromtrent. In zoverre is de dubbele belastingheffing waarmee belanghebbende wordt geconfronteerd het gevolg van een dispariteit.
4.7.
Het voorgaande laat onverlet dat beoordeeld moet worden of Nederland het recht op vrij verkeer schendt doordat het zijn eenzijdige regels op (kortweg) discriminerende wijze heeft vormgegeven of toegepast.10 Zoals de rechtbank terecht heeft onderkend, is in dit verband van belang dat belanghebbende niet enkel dividendbelastingplichtig is ter zake van het dividend, maar tevens buitenlands belastingplichtig voor de inkomstenbelasting. Dat betekent dat de dividendbelasting voor belanghebbende geen eindheffing vormt, net zo min als voor een binnenlandse belastingplichtige ontvanger van dividenden in overigens gelijke omstandigheden. De dividendbelasting zelf is voorts voor zowel binnenlandse als buitenlandse belastingplichtigen aangewezen als voorheffing.11 Gelet daarop is, anders dan de rechtbank heeft verondersteld en anders dan de problematiek die aan de orde was in het arrest-Miljoen, irrelevant of en zo ja in hoeverre belanghebbende kosten heeft gemaakt in verband met de inning van de dividenden. Met die kosten wordt immers in de eindheffing (van inkomstenbelasting) op gelijke wijze rekening gehouden bij binnenlandse en buitenlandse belastingplichtigen.12 Ten slotte geldt voor buitenlandse belastingplichtigen die in een belastingverdragsstaat als België woonachtig zijn, anders dan voor binnenlandse belastingplichtigen, de begrenzing van de Nederlandse belastingheffing over dividenden tot een percentage van 15% over het brutobedrag van die dividenden.13 Van een verschil in behandeling ten nadele van belanghebbende is geen sprake.
4.8.
Gezien het voorgaande moet belanghebbende in het ongelijk worden gesteld.
Ten aanzien van het griffierecht
4.9.
Het hof ziet geen aanleiding om het griffierecht te laten vergoeden.
Ten aanzien van de proceskosten
4.10.
Het hof acht geen reden aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
5 Beslissing
Het hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
Aldus gedaan op 20 februari 2020 door P.C. van der Vegt, voorzitter, V.M. van Daalen-Mannaerts en D.A. Hofland, in tegenwoordigheid van P.A. Flutsch, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.
Het aanwenden van een rechtsmiddel:
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.
-
Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
-
Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
-
de naam en het adres van de indiener;
-
een dagtekening;
-
een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
-
e gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.
In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.