Uitspraken

Een deel van alle rechterlijke uitspraken wordt gepubliceerd op rechtspraak.nl. Dit gebeurt gepseudonimiseerd.

Deze uitspraak is gepseudonimiseerd volgens de pseudonimiseringsrichtlijn

ECLI:NL:GHSHE:2020:640

Gerechtshof 's-Hertogenbosch
24-02-2020
24-02-2020
20-000086-19
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2019:33, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Strafrecht
Hoger beroep

6 WVW 1994.

Dodelijk verkeersongeval in Terneuzen door gevaarlijk inhalen ter plaatse van inhaalverbod.

Gevangenisstraf en ontzegging rijbevoegdheid.

Rechtspraak.nl
VR 2020/158

Uitspraak

Parketnummer: 20-000086-19

Uitspraak: 24 februari 2020

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

’s-Hertogenbosch,

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Zeeland-

West-Brabant van 10 januari 2019 in de strafzaak met het parketnummer 02-688220-16 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,

wonende te [woonplaats] .

Hoger beroep

Bij voormeld vonnis heeft de rechtbank onder 1 bewezen verklaard, kort gezegd, dat de verdachte als bestuurder van een personenauto in hoge mate onvoorzichtig, onachtzaam, onnadenkend en ondeskundig handelend een verkeersongeval heeft veroorzaakt ten gevolge waarvan de passagier van een andere personenauto is overleden. De rechtbank heeft de verdachte hiervoor veroordeeld tot een gevangenisstraf van 12 maanden en aan de verdachte de bijkomende straf van ontzegging van de rijbevoegdheid opgelegd voor de duur van 3 jaren, met aftrek van de tijd dat het rijbewijs ingevorderd en ingehouden is geweest, waarvan 1 jaar voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren.

Daarnaast heeft de rechtbank onder 2 bewezen verklaard dat de verdachte als bestuurder van een personenauto op een autoweg de toegestane maximumsnelheid van 100 kilometer per uur met ongeveer 61 kilometer per uur heeft overschreden. De rechtbank heeft de verdachte hiervoor een geldboete opgelegd van € 1.000,- subsidiair 20 dagen hechtenis alsmede de bijkomende straf van ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 2 maanden, met aftrek van de tijd dat het rijbewijs al ingevorderd en ingehouden is geweest.

Voorts heeft de rechtbank de personenauto van verdachte verbeurd verklaard.

Van de zijde van de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht en van de verklaring van de nabestaande van het slachtoffer.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het gerechtshof het vonnis van de rechtbank zal bevestigen.

De raadsman van de verdachte heeft ten aanzien van het onder 1 primair ten laste gelegde vrijspraak bepleit en zich ten aanzien van de bewezenverklaring van het onder 1 subsidiair ten laste gelegde gerefereerd aan het oordeel van het hof. Voor het geval het hof komt tot een bewezenverklaring van het onder 1 primair ten laste gelegde heeft de raadsman van de verdachte strafmatiging bepleit.

Ten aanzien van de bewezenverklaring van het onder 2 ten laste gelegde en de daarvoor door de rechtbank opgelegde straffen is van de zijde van de verdachte geen verweer gevoerd.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd omdat het hof onder 1 tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank. Om reden van efficiëntie zal het hof het gehele vonnis vernietigen, behoudens voor zover hieronder anders is vermeld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg - ten laste gelegd:

1.

dat hij op of omstreeks 01 oktober 2016 te Westdorpe, gemeente Terneuzen, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto, BMW), daarmede rijdende over de weg, de Tractaatweg, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door in hoge, althans aanzienlijke mate onvoorzichtig en/of onachtzaam en/of onnadenkend en/of ondeskundig, met dat motorrijtuig, rijdende over voormelde weg, geen gevolg te geven aan een in het midden (tussen de rijstroken) van de rijbaan van die weg aangebrachte zogeheten "dubbele doorgetrokken streep" (aanduidende: "bestuurders mogen de streep niet overschrijden"), doch, gezien zijn, verdachtes, rijrichting, voornoemde "dubbele doorgetrokken streep" links heeft overschreden en/of (vervolgens) een, gezien zijn, verdachtes, rijrichting, vóór hem in dezelfde richting over die weg rijdend motorrijtuig (personenauto, Toyota) links is gaan inhalen, waarbij hij, verdachte, met het door hem bestuurde motorrijtuig geheel of gedeeltelijk op de rijstrook van die weg, bestemd voor het hem, verdachte, tegemoetkomende verkeer, is gaan en/of is blijven rijden op het moment dat een hem, verdachte, over die weg tegemoetkomend motorrijtuig (personenauto, Renault) hem, verdachte, tot op (zéér) korte afstand was genaderd, waarna hij, verdachte, met het door hem bestuurde motorrijtuig tegen (de linkerzijde van) voormeld motorrijtuig (personenauto, Renault) is gebotst/gereden, waarna (vervolgens) genoemd motorrijtuig (personenauto, Renault) (slippend/schuivend over de rijbaan van die weg) tegen een motorrijtuig (personenauto, VW) is gebotst/gereden, waardoor een inzittende (genaamd: [naam overleden slachtoffer] ) van voormeld motorrijtuig (personenauto, Renault) werd gedood,

zijnde de terminologie in deze tenlastelegging, voor zover daaraan betekenis is gegeven, gebezigd in de zin van de Wegenverkeerswet 1994 en/of het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990;

subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:


dat hij op of omstreeks 01 oktober 2016 te Westdorpe, gemeente Terneuzen, als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto, BMW), daarmede rijdende over de weg, de Tractaatweg, geen gevolg heeft gegeven aan een in het midden (tussen de rijstroken) van de rijbaan van die weg aangebrachte zogeheten "dubbele doorgetrokken streep" (aanduidende: "bestuurders mogen de streep niet overschrijden"), doch, gezien zijn, verdachtes, rijrichting, voornoemde "dubbele doorgetrokken streep" links heeft overschreden en/of (vervolgens) een, gezien zijn, verdachtes, rijrichting, vóór hem in dezelfde richting over die weg rijdend motorrijtuig (personenauto, Toyota) links is gaan inhalen, waarbij hij, verdachte, met het door hem bestuurde motorrijtuig geheel of gedeeltelijk op de rijstrook van die weg, bestemd voor het hem, verdachte, tegemoetkomende verkeer is gaan en/of is blijven rijden op het moment dat een hem, verdachte, over die weg tegemoetkomend motorrijtuig (personenauto, Renault) hem, verdachte, tot op (zéér) korte afstand was genaderd, waarna hij, verdachte, met het door hem bestuurde motorrijtuig tegen (de linkerzijde van) voormeld motorrijtuig (personenauto, Renault) is gebotst/gereden, waarna (vervolgens) genoemd motorrijtuig (personenauto, Renault) (slippend/schuivend over de rijbaan van die weg) tegen een motorrijtuig (personenauto, VW) is gebotst/gereden, waarbij een persoon, genaamd: [naam overleden slachtoffer] , dodelijk letsel heeft bekomen en waarbij aan [namen van andere betrokkenen] letsel en/of schade werd toegebracht,

door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;

2.
dat hij op of omstreeks 08 mei 2017 in de gemeente Borsele, buiten de bebouwde kom, als bestuurder van een motorvoertuig (personenauto) op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Sloeweg N-62, welke weg als autoweg was aangeduid, heeft gereden met een snelheid van ongeveer 161 kilometer per uur, in elk geval de aldaar toegestane maximumsnelheid van 100 kilometer per uur met meer dan 30 kilometer per uur heeft overschreden.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande:

1.

dat hij op 1 oktober 2016 te Westdorpe, gemeente Terneuzen, als verkeers-deelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto, BMW), daarmede rijdende over de weg, de Tractaatweg, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door in hoge mate onvoorzichtig en onachtzaam met dat motorrijtuig rijdende over voormelde weg geen gevolg te geven aan een in het midden (tussen de rijstroken) van de rijbaan van die weg aangebrachte zogeheten "dubbele doorgetrokken streep" (aanduidende: "bestuurders mogen de streep niet overschrijden"), doch, gezien zijn, verdachtes, rijrichting, voornoemde "dubbele doorgetrokken streep" links heeft overschreden en (vervolgens) een, gezien zijn, verdachtes, rijrichting, vóór hem in dezelfde richting over die weg rijdend motorrijtuig (personenauto, Toyota) links is gaan inhalen, waarbij hij, verdachte, met het door hem bestuurde motorrijtuig geheel of gedeeltelijk op de rijstrook van die weg, bestemd voor het hem, verdachte, tegemoetkomende verkeer, is gaan en is blijven rijden op het moment dat een hem, verdachte, over die weg tegemoetkomend motorrijtuig (personenauto, Renault) hem, verdachte, tot op korte afstand was genaderd, waarna hij, verdachte, met het door hem bestuurde motorrijtuig tegen (de linkerzijde van) voormeld motorrijtuig (personenauto, Renault) is gereden, waarna (vervolgens) genoemd motorrijtuig (personenauto, Renault) (slippend over de rijbaan van die weg) tegen een motorrijtuig (personenauto, VW) is gereden, waardoor een inzittende (genaamd: [naam overleden slachtoffer] ) van voormeld motorrijtuig (personenauto, Renault) werd gedood;

2.

dat hij op 8 mei 2017 in de gemeente Borsele, buiten de bebouwde kom, als bestuurder van een motorvoertuig (personenauto) op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Sloeweg N-62, welke weg als autoweg was aangeduid, heeft gereden met een snelheid van ongeveer 161 kilometer per uur.

Het hof acht niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan wordt vrijgesproken.

Bewijs

De bewezenverklaring van het hof van het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde berust op de in het vonnis waarvan beroep weergegeven feiten en omstandigheden die zijn vervat in de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen. Het hof neemt die bewijsmiddelen over en maakt deze tot de zijne, met uitzondering van de verklaring van de getuige [getuige] , voor zover die, in de weergave ervan door de rechtbank, inhoudt: ‘De bestuurder van de BMW stuurde ineens weer terug naar zijn rijbaan en raakte hen hierbij.’

In aanvulling op de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen bezigt het hof voor het bewijs van het onder 1 ten laste gelegde voorts:

a. het proces-verbaal Forensisch Onderzoek van 12 december 2016, dossierpagina 29, inhoudende:

De maximumsnelheid voor bestuurders van motorvoertuigen bedroeg 100 km/h.

de verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep, voor zover die verklaring, zakelijk weergegeven, inhoudt:

Ik reed op 1 oktober 2016 omstreeks 15.30 uur als bestuurder van een personenauto, BMW, over de N62 in de richting van de Belgische grens. De weg was een tweebaansweg met een dubbele doorgetrokken streep op de wegas. Ik wist dat de betekenis van een dergelijke streep is dat je niet mag inhalen.

Voor mij op de weg reed een Toyota. Toen ik achter die Toyota kwam te zitten, reden wij allebei met een snelheid van circa 80 kilometer per uur. Ik wilde die Toyota gaan inhalen. Ik wist dat dat op die weg niet was toegestaan. Voordat ik besloot de Toyota te gaan inhalen, heb ik gekeken of dat mogelijk was. Ik zag toen in de verte een tegenligger naderen. Ik reed toen in de derde versnelling. Ik schakelde daarom terug van de derde naar de tweede versnelling om snel meer snelheid te kunnen maken. Ik reed op dat moment nog achter de Toyota en maakte snelheid op de rechterrijstrook. Ik ben vervolgens naar de linkerrijstrook gegaan en toen ik bezig was met het inhalen van de Toyota en ernaast reed, merkte ik dat de motor van mijn auto “inhield”. Ik heb op dat moment de fout gemaakt om te besluiten de inhaalactie door te zetten in plaats van af te remmen en achter de Toyota terug te gaan naar mijn weghelft. Om de inhaalmanoeuvre zo snel mogelijk te kunnen voltooien heb ik opgeschakeld naar de derde versnelling en gas gegeven.

Elk bewijsmiddel wordt - ook in zijn onderdelen - slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit, of die bewezen verklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

Nadere overwegingen omtrent het bewijs

De raadsman van de verdachte heeft aan de bepleite vrijspraak van het onder 1 primair ten laste gelegde ten grondslag gelegd dat enige vorm van schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 niet bewezen kan worden. Slechts kan worden vastgesteld, aldus de raadsman, dat de verdachte heeft ingehaald, terwijl hij wist dat dat op die plaats verboden was. Van andere (verkeers)fouten of bijkomende factoren die kunnen bijdragen aan het aannemen van schuld in bovenbedoelde zin is geen sprake geweest: de verdachte is gaan inhalen omdat hij zich gehaast voelde en geïrriteerd was door de lage snelheid van zijn voorligger, maar deze gevoelens voorafgaand aan het inhalen hebben niet bijgedragen aan het ontstaan van het ongeval. Ook is de verdachte niet gaan inhalen zonder hierover na te denken of zonder te kijken. Wel heeft hij de inschattingsfout gemaakt dat het inhalen, gelet op de tegenligger, wel zou lukken en vervolgens heeft hij, toen hij zich tijdens het inhalen realiseerde dat er te weinig ruimte was, de verkeerde keuze gemaakt om te proberen een aanrijding te voorkomen door gas bij te geven in plaats van te remmen en achter zijn voorligger aan te sluiten. Ook deze inschattingsfout en de verkeerde keuze tijdens het inhalen zijn geen op zichzelf staande fouten, aldus de raadsman; zij zijn inherent aan het overtreden van het inhaalverbod. Dit dient ertoe te leiden dat verdachte van het onder 1 primair ten laste gelegde moet worden vrijgesproken.

Subsidiair heeft de raadsman aangevoerd dat, als er al sprake zou zijn geweest van meerdere verkeersfouten, dit niet leidt tot de conclusie dat de verdachte in hoge mate verwijtbaar heeft gehandeld. Hooguit de lichtste schuldvariant in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 zou dan bewezen kunnen worden.

Het hof overweegt als volgt.

Op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen staat naar het oordeel van het hof het volgende vast.

Op 1 oktober 2016 omstreeks 15.30 uur vond op de Tractaatweg te Westdorpe, gemeente Terneuzen, een ernstig verkeersongeval plaats. De rijbaan van de Tractaatweg bestond ter plaatse van het ongeval uit twee rijstroken voor het verkeer in tegengestelde richtingen. De rijstroken waren van elkaar gescheiden door een dubbele doorgetrokken streep met een groen vlak ertussen.

Met overschrijding van die doorgetrokken streep is de verdachte met zijn personenauto (BMW) een andere personenauto (Toyota) gaan inhalen, terwijl vanuit de tegengestelde richting een personenauto (Renault) naderde. Vervolgens schampte de linkerzijde van de BMW van de verdachte de linkerzijde van de Renault en raakte het linkervoorwiel van de BMW het linkerachterwiel van de Renault, waarna de Renault slippend op de weghelft voor het tegemoetkomende verkeer terecht kwam. De bestuurder van de personenauto (VW) die in dezelfde richting achter de BMW van de verdachte reed, kon een aanrijding niet voorkomen en reed in de rechterflank van de Renault. Als gevolg van deze aanrijding is [naam overleden slachtoffer] , die als passagier rechts achter in de Renault zat, komen te overlijden.

Toetsingskader

De tenlastelegging onder 1 primair is gestoeld op artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW 1994). Voor een bewezenverklaring van het ten laste gelegde artikel 6 WVW 1994 moet vastgesteld worden dat de verdachte zich als verkeersdeelnemer zodanig heeft gedragen dat het aan zijn schuld te wijten is dat een verkeersongeval heeft plaatsgevonden met als gevolg dat iemand is overleden. Om tot het oordeel te kunnen komen dat sprake is van schuld in de zin van artikel 6 WVW 1994 moet minimaal sprake zijn van een aanmerkelijke mate van onvoorzichtigheid of onoplettendheid. Een lichtere vorm van schuld is hiervoor onvoldoende.

Daarbij geldt dat niet in zijn algemeenheid is aan te geven of één verkeersovertreding voldoende kan zijn voor het oordeel dat sprake is van schuld in vorenbedoelde zin. Er moet worden gekeken naar het geheel van de gedragingen van de

verdachte, de aard en de concrete ernst van de verkeersovertreding en naar de

omstandigheden waaronder die is begaan. Daarnaast geldt dat niet enkel uit de ernst van de gevolgen van het verkeersgedrag kan worden afgeleid dat er sprake is van schuld in de zin van artikel 6 WVW 1994.

Het verkeersgedrag van de verdachte wordt afgemeten aan dat wat van een automobilist in het algemeen en gemiddeld genomen mag worden verwacht.

Voorts dient een oorzakelijk verband te worden vastgesteld tussen het gedrag van de verdachte en het verkeersongeval.

Toepassing van het toetsingskader

Provinciale autowegen, en zeker die waarbij de rijstroken voor het elkaar tegemoetkomende verkeer niet fysiek van elkaar zijn gescheiden, zoals ten tijde van het ten laste gelegde het geval was op de Tractaatweg te Westdorpe op de plaats van het ongeval, zijn wegen die vanuit verkeerstechnisch oogpunt bijzondere oplettendheid en voorzichtigheid van weggebruikers vragen. Dat de wegsituatie om grote voorzichtigheid vraagt, wordt benadrukt door de aanwezigheid van de dubbele doorgetrokken streep op het midden van de weg die een absoluut inhaalverbod aanduidt. De bijzondere voorzichtigheid en oplettendheid van de weggebruikers is voorts geboden vanwege de ter plaatse geldende maximumsnelheid van 100 kilometer per uur.

Evenals de rechtbank en de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat de verdachte, die naar eigen zeggen bekend was met de betekenis van bedoelde dubbele doorgetrokken streep, een ernstige verkeersfout heeft gemaakt door in strijd met het ter plaatse geldende verbod de voor hem rijdende Toyota te gaan inhalen en daarbij de dubbele doorgetrokken streep te overschrijden en met de door hem bestuurde personenauto (deels) op de weghelft voor het hem tegemoetkomende verkeer te gaan rijden.

Deze gedraging is op zichzelf al laakbaar, maar is extra onvoorzichtig, aangezien de verdachte naar eigen zeggen, voordat hij de voor hem rijdende Toyota ging inhalen, had gezien dat er op de andere weghelft een tegenligger naderde. Niet alleen het inhaalverbod zelf, maar ook de wetenschap dat er een tegenligger naderde, had de verdachte er van moeten weerhouden, zoals van een redelijk nadenkend weggebruiker verwacht mag worden, om daar en op dat moment de voor hem rijdende Toyota te gaan inhalen. Ondanks de wetenschap dat er op de andere weghelft een tegenligger naderde, heeft de verdachte er echter voor gekozen om te gaan inhalen. Daartoe heeft hij, nog rijdend achter de Toyota, teruggeschakeld naar de tweede versnelling om extra snelheid te kunnen genereren. Vervolgens is de verdachte, gezien vanuit het oogpunt van de bestuurder van de tegemoetkomende Renault, plotseling naar de andere weghelft gegaan. De bestuurder van de Renault heeft toen ingeschat dat er tussen zijn auto en de BMW van de verdachte onvoldoende ruimte was om in te halen. Ook de getuige [getuige] , die als passagier voorin de Renault zat, zag dat er geen ruimte was en dat het niet goed zou gaan. Ook van de verdachte had verwacht mogen worden dat hij, op het moment dat hij van zijn weghelft naar links ging, zou hebben ingezien dat hij, gezien de betrekkelijk geringe afstand tot de hem tegemoetkomende Renault, er niet in zou slagen de inhaalactie op een veilige manier te voltooien. Nog daargelaten dat de verdachte ter plaatse niet mocht inhalen, had hij toen hij de tegenligger zag na het inzetten van de inhaalactie aanstonds moeten besluiten om terug te gaan naar zijn eigen weghelft. Uit de bewijsmiddelen volgt echter dat de verdachte de fout heeft gemaakt om met zijn inhaalmanoeuvre door te gaan en op de weghelft van het hem tegemoetkomende verkeer te blijven rijden.

De verdachte heeft vervolgens, toen hij, rijdend naast de door hem ingehaalde Toyota, bemerkte dat de motor van zijn auto “inhield”, de foute keuze gemaakt om de inhaalactie niet af te breken door af te remmen en achter de Toyota terug te gaan naar zijn eigen weghelft. In de plaats daarvan heeft de verdachte naar eigen zeggen ervoor gekozen om te proberen snelheid te vermeerderen door op te schakelen naar de derde versnelling en gas bij te geven.

Uit de verklaring van de verdachte leidt het hof af dat het de verdachte voor ogen stond om, aldus handelend, nog tijdig voor de naderende Renault vanaf de linkerweghelft vóór de Toyota langs naar de rechterrijstrook terug te kunnen gaan. Hiervan uitgaande moet de verdachte volstrekt hebben miskend met welke snelheid de onderlinge afstand tussen twee elkaar tegemoet rijdende voertuigen afneemt, als zij elkaar tegemoet rijden op een weg waar sprake is van een maximumsnelheid van 100 kilometer per uur.

Het hof is van oordeel dat het hiervoor beschreven rijgedrag van de verdachte en de door hem gemaakte keuzes zeer in strijd zijn met hetgeen van een gemiddeld bekwaam automobilist verwacht mag worden. De verdachte had op verschillende momenten anders kunnen en moeten handelen. Hierbij neemt het hof in aanmerking dat, naast de omstandigheid dat er ter plaatse een inhaalverbod gold, uit de verklaringen van diverse getuigen volgt dat zij zagen dat er tussen de Renault en de BMW van de verdachte onvoldoende ruimte was om in te halen en dat het inhalen van de Toyota, op dat moment en op die plaats, niet goed zou gaan.

Anders dan de raadsman is het hof van oordeel dat het geheel van de verkeersgedragingen van de verdachte, bestaande uit een combinatie van een ernstige verkeersovertreding en de daarop volgende, op zichzelf staande, verkeerde keuzes van de verdachte, moet worden geschaard onder de schuldgradatie ‘in hoge mate onvoorzichtig en onachtzaam’.

Het tot vrijspraak van het onder 1 primair ten laste gelegde strekkende verweer wordt daarom in al zijn onderdelen verworpen.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het onder 1 primair bewezen verklaarde levert op:

Overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood.

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

Overtreding van het bepaalde bij artikel 21, aanhef en onder a van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluiten. De feiten zijn strafbaar.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen sancties

Algemeen

Bij de bepaling van de op te leggen straffen is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Ten aanzien van feit 1

De rechtbank heeft de verdachte ter zake van het onder 1 bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf van 12 maanden en aan hem de bijkomende straf van ontzegging van de rijbevoegdheid opgelegd voor de tijd van 3 jaren, met aftrek, waarvan 1 jaar voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren. Daarnaast heeft de rechtbank de BMW van de verdachte verbeurd verklaard.

De advocaat-generaal heeft zich bij de sanctiebeslissingen van de rechtbank aangesloten.

De raadsman van de verdachte heeft ten aanzien van het onder 1 bewezen verklaarde strafmatiging bepleit. Daartoe is in de eerste plaats aangevoerd dat uit het vonnis van de rechtbank niet blijkt waarom de daartoe door de rechtbank opgegeven gronden een tweemaal zo lange gevangenisstraf zouden rechtvaardigen als op grond van de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (hierna: LOVS) passend wordt geacht wanneer sprake is van ernstige schuld aan het veroorzaken van een verkeersongeval waarbij een slachtoffer is gedood. Daarnaast heeft de raadsman gewezen op het gegeven dat de verdachte thans een eigen bedrijf heeft, dat relevante recidive ontbreekt en dat het ongeval ook op de verdachte een grote impact heeft gehad.

Voorts heeft de raadsman er op gewezen dat de redelijke termijn van berechting in eerste aanleg met ruim 3 maanden is overschreden, met het verzoek deze termijnoverschrijding te compenseren in de op te leggen straf. Ten slotte heeft de raadsman er op gewezen dat de verdachte, hoewel hij niet in verzekering is gesteld, op het politiebureau is opgehouden voor verhoor van 1 oktober 2016 te 16.35 uur tot 2 oktober 2016 te 23.00 uur. De raadsman heeft verzocht dat het hof op de voet van artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht zal bevelen dat deze tijd bij de tenuitvoerlegging van de op te leggen straf in mindering wordt gebracht.

Het hof overweegt als volgt.

De verdachte heeft als bestuurder van een personenauto, door zeer onvoorzichtig en onachtzaam handelen, een verkeersongeval veroorzaakt door gevaarlijk in te halen, ten gevolge waarvan de heer [naam overleden slachtoffer] , een passagier van de hem, verdachte, tegemoet komende personenauto, is overleden. Ten gevolge van het ongeval zijn voorts vijf personen gewond geraakt.

Door zijn handelen heeft de verdachte intens verdriet teweeg gebracht bij de nabestaanden van het overleden slachtoffer, zoals onder meer blijkt uit de verklaring die de dochter van de heer [naam overleden slachtoffer] ter terechtzitting van het hof heeft afgelegd. Het grote verdriet en de gevoelens van wanhoop en onmacht bij de nabestaanden zijn, ondanks het tijdsverloop, nog immer voelbaar. Ook heeft de verdachte door zijn handelen leed berokkend aan de andere weggebruikers, die buiten hun schuld bij het door de verdachte veroorzaakte verkeersongeval betrokken zijn geraakt. Het hof realiseert zich dat het verdriet van de nabestaanden van de heer [naam overleden slachtoffer] en het leed van de andere slachtoffers niet tot uitdrukking kan worden gebracht in de hoogte van de op te leggen straf.

Anderzijds is gebleken dat de verdachte voor 1 oktober 2016 niet met politie en justitie in aanraking was gekomen.

Evenals de rechtbank zoekt het hof voor de bepaling van de straf aansluiting bij de oriëntatiepunten van het (LOVS), waarin het gebruikelijke rechterlijke straftoemetingsbeleid zijn neerslag heeft gevonden. Voorts betrekt het hof bij de straftoemeting de aard en hoogte van de straffen die door dit hof in gevallen vergelijkbaar met het onderhavige worden opgelegd.

Het LOVS geeft als oriëntatiepunt voor straftoemeting ten aanzien van overtreding van artikel 6 WVW 1994, wanneer het verkeersongeval een dodelijk slachtoffer tot gevolg heeft en het te wijten is aan een hoge mate van schuld van de veroorzaker, een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van

2 jaren.

Evenals de rechtbank stelt het hof vast dat bij het ongeval niet alleen een dodelijk slachtoffer te betreuren was, maar dat er tevens meerdere personen gewond zijn geraakt. Het hof zal dit gegeven betrekken bij de op te leggen straf. Voorts stelt het hof, in navolging van de rechtbank, vast dat in deze zaak sprake is van strafverzwarende omstandigheden in de zin van artikel 175, derde lid, WVW 1994, nu uit de toedracht van het ongeval volgt dat de verdachte op gevaarlijke wijze heeft ingehaald.

Het oriëntatiepunt bij strafverzwarende omstandigheden is een gevangenisstraf voor de duur van 7 maanden en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 3 jaren.

Met de rechtbank en de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat, gelet op de ernst van het bewezen verklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd, niet kan worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt.

Hoewel het hof met de rechtbank en de advocaat-generaal van oordeel is dat sprake is van een zeer ernstig feit, in die zin dat de verdachte op grove wijze is tekort geschoten in zijn verantwoordelijkheden als bestuurder van een personenauto, ziet het hof in het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep onvoldoende aanleiding om een gevangenisstraf van aanzienlijk langere duur op te leggen dan door het LOVS als passend wordt geadviseerd. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat de verdachte vóór het veroorzaken van het ongeval nog niet met politie en justitie in aanraking was gekomen.

In hetgeen de raadsman omtrent de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte heeft aangevoerd ziet het hof geen aanleiding voor een verdergaande strafmatiging.

Met de raadsman heeft het hof geconstateerd dat de in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) bedoelde redelijke termijn van berechting in eerste aanleg met ruim 3 maanden is overschreden. Hoewel de duur van deze termijnoverschrijding op zichzelf van dien aard is, dat deze tot strafvermindering aanleiding kan geven, ziet het hof hiervoor in deze zaak geen aanleiding. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat de zaak in hoger beroep met voortvarendheid ter terechtzitting is aangebracht en behandeld. De overschrijding van de termijn van berechting in eerste aanleg wordt hierdoor voldoende gecompenseerd. Het hof zal daarom volstaan met het benoemen van de termijnoverschrijding zonder daar verder gevolgen aan te verbinden.

Met de raadsman heeft het hof voorts geconstateerd dat tegen de verdachte na zijn aanhouding geen dwangmiddelen zijn toegepast en dat de verdachte niettemin langer dan wettelijk toegestaan op het politiebureau is opgehouden voor verhoor. Het hof ziet geen aanleiding om deze termijnoverschrijding in mindering te brengen op de op te leggen straf en zal dan ook met deze constatering volstaan.

Naast de vrijheidsstraf zal het hof, mede ter bescherming van de verkeersveiligheid, ter zake van het onder 1 bewezen verklaarde, aan de verdachte de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen ontzeggen voor de duur van 3 jaren.

De tijd, gedurende welke het rijbewijs van de verdachte ingevolge artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994 ingevorderd of ingehouden is geweest, zal op de duur van deze bijkomende straf in mindering worden gebracht.

In hetgeen in hoger beroep aan de orde is gekomen ziet het hof evenwel aanleiding te bepalen dat het hierna te vermelden gedeelte van deze bijkomende straf voorwaardelijk niet ten uitvoer zal worden gelegd.

Met oplegging van een gedeeltelijk voorwaardelijke rijontzegging beoogt het hof enerzijds de ernst van het bewezen verklaarde tot uitdrukking te brengen en anderzijds de strafoplegging dienstbaar te maken aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.

Beslag

De hierna te noemen in beslag genomen en nog niet teruggegeven personenauto, volgens opgave van de verdachte aan hem toebehorend, is vatbaar voor verbeurdverklaring, nu het onder 1 ten laste gelegde en bewezen verklaarde met betrekking tot deze personenauto is begaan.

Het hof heeft bij zijn beslissing rekening gehouden met de draagkracht van verdachte.

Ten aanzien van feit 2

De verdachte heeft als bestuurder van een personenauto de toegestane maximumsnelheid van 100 kilometer per uur met ongeveer 61 kilometer per uur overschreden.

De rechtbank heeft de verdachte hiervoor veroordeeld tot een geldboete van € 1.000,- subsidiair 20 dagen hechtenis en hem voorts de bijkomende straf van ontzegging van de rijbevoegdheid opgelegd voor de duur van 2 maanden, met aftrek van de tijd gedurende welke het rijbewijs van de verdachte reeds ingevorderd en/of ingehouden is geweest.

De advocaat-generaal heeft zich bij deze sanctiebeslissingen aangesloten.

De raadsman van de verdachte heeft ter zake van het onder 2 bewezen verklaarde geen straftoemetingsverweer gevoerd.

Het hof overweegt als volgt.

Evenals de rechtbank en de advocaat-generaal acht het hof oplegging van een geldboete en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 2 maanden passend en geboden.

Gelet op hetgeen ter terechtzitting in hoger beroep omtrent de financiële draagkracht van de verdachte is gebleken zal het hof echter, in tegenstelling tot de rechtbank en de advocaat-generaal volstaan met oplegging van een geldboete van € 750,00 subsidiair 15 dagen hechtenis.

Het hof zal daarnaast, anders dan de rechtbank en de advocaat-generaal, aan de verdachte tevens voorwaardelijke hechtenis opleggen voor na te melden duur. Het hof ziet hiervoor aanleiding in het gegeven dat de verdachte iets meer dan 7 maanden na het veroorzaken van het hiervoor onder 1 bewezen verklaarde verkeersongeval opnieuw als bestuurder van een personenauto een ernstige verkeersovertreding heeft begaan door de maximum toegestane snelheid op grove wijze te overschrijden. Het hof trekt hieruit de conclusie dat de verdachte uit het betrekkelijk korte tijd daarvoor veroorzaakte ongeval onvoldoende lering heeft getrokken om zich in het vervolg te gedragen naar de in het verkeer geldende regels.

Met oplegging van de voorwaardelijke vrijheidsstraf beoogt het hof enerzijds de ernst van het onder 2 bewezen verklaarde tot uitdrukking te brengen en anderzijds de strafoplegging dienstbaar te maken aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 24, 33, 33a en 62 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 6, 175, 177 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994 en de artikelen 21 en 92 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht;

verklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 2

ten laste gelegde heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij;

verklaart het onder bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar;

ten aanzien van het onder 1 bewezen verklaarde:

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 7 (zeven) maanden;

ontzegt de verdachte de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 3 (drie) jaren;

bepaalt dat een gedeelte van de bijkomende straf van ontzegging van de rijbevoegdheid, groot 1 (één) jaar, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;

verklaart verbeurd het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:

- een personenauto, merk BMW, type 3er Reihe, kleur grijs, met kenteken [kenteken] (goednummer G1577436);

ten aanzien van het onder 2 bewezen verklaarde:

veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 750,00 (zevenhonderdvijftig euro),

bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 15 (vijftien) dagen hechtenis;

veroordeelt de verdachte voorts tot hechtenis voor de duur van 2 (twee) weken;

bepaalt dat de hechtenis niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;

ontzegt de verdachte de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van

2 (twee) maanden;

ten aanzien van het onder 1 en 2 bewezen verklaarde:

bepaalt dat de tijd, gedurende welke het rijbewijs van de verdachte vóór het tijdstip waarop deze uitspraak voor wat betreft de in artikel 179 van de Wegenverkeerswet 1994 genoemde bijkomende straf voor tenuitvoerlegging vatbaar is geworden, ingevolge artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994 telkens ingevorderd of ingehouden is geweest, op de totale duur van bovengenoemde bijkomende straffen van ontzegging van de rijbevoegdheid geheel in mindering zal worden gebracht.

Aldus gewezen door:

mr. N.J.L.M. Tuijn, voorzitter,

mr. M.J.H.J. de Vries-Leemans en mr. Y.G.M. Baaijens- van Geloven, raadsheren,

in tegenwoordigheid van J.M.A.W. Koningstein, griffier,

en op 24 februari 2020 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

De gegevens worden opgehaald

Hulp bij zoeken

Er is een uitgebreide handleiding beschikbaar voor het zoeken naar uitspraken, met onder andere uitleg over:

Selectiecriteria

De Rechtspraak, Hoge Raad der Nederlanden en Raad van State publiceren uitspraken op basis van selectiecriteria:

  • Uitspraken zaken meervoudige kamers
  • Uitspraken Hoge Raad en appelcolleges
  • Uitspraken met media-aandacht
  • Uitspraken in strafzaken
  • Europees recht
  • Richtinggevende uitspraken
  • Wraking

Weekoverzicht

Selecteer een week en bekijk welke uitspraken er in die week aan het uitsprakenregister zijn toegevoegd.