6.7.2.In de parlementaire geschiedenis (Tweede Kamer, vergaderjaar 2008–2009, 32 021, nr. 3 p. 39 e.v.) is aangaande volkenrechtelijke immuniteit het volgende opgenomen:
“Met het opnemen van een verwijzing naar artikel 13a Wet AB in artikel 1 Rv is beoogd de rechtstoepasser nadrukkelijker te wijzen op het bestaan van volkenrechtelijke immuniteiten van jurisdictie. Daarmee voorziet het wetsvoorstel in een signaleringsfunctie waaraan behoefte bestaat. Het komt regelmatig voor dat een in rechte betrokken partij die aanspraak kan maken op volkenrechtelijke immuniteit (bijv. een vreemde Staat of een volkenrechtelijke organisatie) ervoor kiest om – op grond van die immuniteit – niet voor de rechter te verschijnen. In dat geval gaat de rechter bij de ambtshalve toetsing van zijn rechtsmacht niet altijd na of sprake is van een volkenrechtelijke immuniteit. Dit kan leiden tot politieke problemen van de Nederlandse staat en aansprakelijkstelling voor het niet naleven van zijn volkenrechtelijke immuniteitsverplichtingen. De grotere nadruk die artikel 13a Wet AB krijgt door in artikel 1 Rv een verwijzing naar die bepaling op te nemen, kan voorkomen dat rechtsmacht wordt aanvaard in strijd met de volkenrechtelijke immuniteitsverplichtingen van de Nederlandse Staat.
Een groot aantal volkenrechtelijke immuniteiten is neergelegd in verdragen.
Daarbij kan onderscheid worden gemaakt tussen verdragen waarin de immuniteit van Staten en van vertegenwoordigers van Staten is neergelegd en verdragen betreffende de immuniteit van volkenrechtelijke organisaties, hun medewerkers en vertegenwoordigers van lidstaten.
Wat de eerstgenoemde categorie betreft kan worden gewezen op de Europese Overeenkomst inzake de immuniteit van Staten (1972) waar Nederland partij bij is. Met betrekking tot de immuniteit van vertegenwoordigers van Staten zijn vooral van belang het Verdrag van Wenen inzake diplomatiek verkeer (1961) en het Verdrag van Wenen inzake consulaire betrekkingen (1963). Op grond van deze verdragen genieten vreemde Staten en hun vertegenwoordigers hier te lande in veel gevallen immuniteit voor de Nederlandse rechter. De belangrijkste ratio hiervan is dat soevereine Staten formeel op gelijke voet staan en geen gezag of rechtsmacht behoren uit te oefenen over elkaars handelen (par in parem non habet imperium).
Wat betreft de tweede hierboven genoemde categorie, volkenrechtelijke organisaties en hun medewerkers, bestaat een groot aantal specifieke verdragen. De immuniteit van deze organisaties en hun medewerkers is doorgaans neergelegd in multilaterale verdragen (gesloten tussen leden van de betreffende organisatie) en in zetelverdragen (gesloten tussen Nederland en de betreffende internationale organisatie).
De ratio van deze immuniteiten is dat zij noodzakelijk zijn voor het onafhankelijk functioneren van de betreffende organisaties. Deze organisaties zijn samenwerkingsverbanden van een aantal leden. De rechter van een van deze leden behoort zich in beginsel niet uit te spreken over handelingen van de organisatie.
Naast de hierboven genoemde, in verdragen neergelegde immuniteiten kent het volkenrecht immuniteiten die onderdeel uitmaken van internationaal gewoonterecht. Dit is onder meer relevant bij de immuniteit van vreemde Staten en de immuniteit van staatshoofden, regeringsleiders en ministers van buitenlandse zaken. In een arrest van de Hoge Raad uit 1985 in de zaak Spaans v. Iran US Claims Tribunal overwoog de Hoge Raad dat ook bij gebreke van een zetelverdrag «uit het ongeschreven volkenrecht voortvloeit dat een internationale organisatie, ten minste in de Staat op welks grondgebied die organisatie met instemming van de regering van die Staat is gevestigd, gerechtigd is tot het privilege van immuniteit van jurisdictie» (20 december 1985, NJ 1986, 438) [(ECLI:NL:HR:1985:AC9158), GHSHE]. Doordat artikel 13a Wet AB
verwijst naar «uitzonderingen in het volkenrecht erkend» is duidelijk dat ook de op grond van het internationale gewoonterecht bestaande immuniteiten behoren tot de volkenrechtelijke beperkingen op de rechtsmacht van de Nederlandse rechter.
Hiermee is duidelijk dat in een veelheid van gevallen sprake kan zijn van immuniteit van betrokken partijen voor de Nederlandse rechter waarvan de rechter bij de ambtshalve toetsing van zijn rechtsmacht op de hoogte dient te zijn. De voorgestelde wijziging van artikel 1 Rv draagt bij aan een grotere bekendheid bij de rechtstoepasser van deze immuniteiten.”
6.7.3In de hierboven geciteerde uitspraak Hoge Raad 20 december 1985, NJ 1986,438 (ECLI:NL:HR:1985:AC9158) (Spaans – International Tribunaal) heeft de Hoge Raad overwogen:
“3.3.2
De vraag of, en zo ja in welke gevallen aan een internationale organisatie beroep moet worden toegekend op het privilege van immuniteit van jurisdictie is vooral van belang met het oog op — en speelt in deze procedure uitsluitend in verband met — de rechtsmacht van de rechter van het gastheerland. Beantwoording van deze vraag vergt in beginsel afweging van twee, ieder voor zich zwaarwegende, maar tegenstrijdige belangen: enerzijds het belang dat de internationale organisatie er bij heeft dat onder alle omstandigheden een onafhankelijke en ongehinderde vervulling van haar taken is gewaarborgd; anderzijds het belang dat haar wederpartij er bij heeft dat haar geschil met de internationale organisatie door een onafhankelijke en onpartijdige rechterlijke instantie wordt behandeld en beslist.
3.3.3
In de verdragen waarin voorrechten en immuniteiten aan internationale organisaties worden toegekend — verdragen die met name plegen te worden gesloten met de gastheerstaat — leidt afweging van de onder 3.3.2 genoemde belangen heden ten dage veelal ertoe dat aan de internationale organisatie, optredend binnen de grenzen van haar taakuitoefening, in beginsel het privilege van immuniteit van jurisdictie wordt toegekend, dat op dit beginsel een uitzondering wordt gemaakt voor bepaalde vormen van buiten-contractuele aansprakelijkheid (met name voor aansprakelijkheid voor schade door motorrijtuigen) en dat aan de internationale organisatie de verplichting wordt opgelegd in contracten in beginsel te voorzien in arbitrage.
3.3.4
Aangenomen moet worden dat ook bij gebreke van een verdrag als onder 3.3.3 bedoeld uit het ongeschreven volkenrecht voortvloeit dat een internationale organisatie, ten minste in de staat op welks grondgebied die organisatie met instemming van de regering van die staat is gevestigd, gerechtigd is tot het privilege van immuniteit van jurisdictie op dezelfde voet als zulks in de hiervoor bedoelde verdragen pleegt te worden geregeld. [vet, GHSHE]
Dat betekent dat volgens huidig ongeschreven volkenrecht een internationale organisatie in beginsel niet is onderworpen aan de rechtsmacht van de rechter van de gastheerstaat ter zake van alle geschillen welke onmiddellijk verband houden met de vervulling van de aan die organisatie opgedragen taken. In hoeverre op dit beginsel uitzonderingen moeten worden gemaakt, kan — naar zal blijken uit hetgeen onder 3.3.5 en 3.3.6 zal worden overwogen — thans in het midden worden gelaten.
3.3.5
Tot de geschillen welke onmiddellijk verband houden met de vervulling van de taken van de internationale organisatie, behoren in elk geval die arbeidsgeschillen welke kunnen rijzen tussen de organisatie en diegenen die in haar dienst bij het vervullen van die taken een essentiële rol spelen. In de regel zullen de tussen de internationale organisatie en zulke medewerkers geldende, al dan niet contractuele regelen (zoals Staff Regulations) dan ook voorzien in een bijzondere rechtsgang — hetzij binnen, hetzij buiten de organisatie — voor dergelijke aan de rechtsmacht van het gastheerland onttrokken geschillen over de arbeidsverhouding.
Dat geldt blijkens het in 3.1 onder (6) overwogene ook voor wat betreft het Tribunaal, dat naar het voorbeeld van hetgeen in andere internationale organisaties geldt optreedt als ‘ambtenarengerecht’ voor de aan zijn griffie verbonden personeelsleden.
3.3.6
Uit hetgeen in 3.1 onder (8) is overwogen volgt dat Spaans behoort of heeft behoord tot die medewerkers van het Tribunaal die bij het vervullen van de aan het Tribunaal opgedragen taken een essentiële rol spelen. Dat blijkt ook wel daaruit dat het Tribunaal aan Spaans, wiens overeenkomst met het Tribunaal klaarblijkelijk tot stand is gekomen in de periode kort nadat deze internationale organisatie in het leven was geroepen, nadat het Tribunaal gelegenheid had gekregen zijn interne diensten op te bouwen en te structureren, een schriftelijk contract heeft aangeboden waarin een bijzondere rechtsgang als onder 3.3.5 bedoeld — beroep op het Tribunaal — was voorzien. Dat Spaans dit contract niet heeft ondertekend en evenmin gebruik heeft gemaakt van de, volgens hetgeen het Tribunaal bij pleidooi voor de Hoge Raad heeft doen betogen, niettemin voor hem openstaande mogelijkheid die rechtsgang te volgen, kan niet afdoen aan de uit het vorenoverwogene voortvloeiende slotsom dat het Tribunaal ter zake van het onderhavige geschil niet aan de rechtsmacht van de Nederlandse rechter is onderworpen.”
Deze uitspraak is wederom benut en herhaald in het kader van het geschil als beslecht in Hoge Raad 20 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:687 (art. 81 RO, conform de conclusie van AG Wuisman van 23 januari 2015, ECLI:NL:PHR:2015:26).
6.7.4In de conclusie van AG Strikwerda 6 juni 2009, ECLI: NL:PHR:2009:BI9632 wordt voorts het volgende overwogen:
“10. Alvorens de door het middel aangevoerde klachten te bespreken, sta ik kort stil bij een paar algemene aspecten van de immuniteit van jurisdictie van internationale organisaties en de invloed daarop van art. 6 EVRM.
11. De grondslag van de immuniteit van internationale organisaties ligt in de noodzaak het functioneren van internationale organisaties te beschermen. Internationale organisaties zouden hun werk niet goed kunnen doen als rechters van het gastland kunnen oordelen over de handelingen die zij verrichten. Vgl. P.H.F. Bekker, The legal Position of Intergovernmental Organizations, diss. 1994, blz. 155; A. Nollkaemper, Kern van het internationaal publiekrecht, 2007, blz. 139.
Bij immuniteit van jurisdictie van een internationale organisatie gaat het dan ook om een zgn. functionele immuniteit [ vet, GHSHE]. Anders dan bij staatsimmuniteit, waarvan de grondslag ligt in de soevereine gelijkheid van staten en waarbij een onderscheid moet worden gemaakt tussen typische overheidshandelingen (acta iure imperii) en rechtshandelingen die de staat op voet van gelijkheid met particulieren is aangegaan (acta iure gestionis), moet bij de immuniteit van internationale organisaties een onderscheid worden gemaakt tussen officiële en niet-officiële activiteiten van de organisatie. De officiële activiteiten zijn activiteiten die samenhangen met het bereiken van het doel van de organisatie en vallen in beginsel onder de immuniteit. Niet-officiële activiteiten vallen buiten de immuniteit. Vgl. Bekker, a.w., blz. 163; Nollkaemper, a.w., blz. 141. Tot geschillen die verband houden met de vervulling van de taken van de organisatie behoren in ieder geval arbeidsgeschillen tussen de organisatie en werknemers die in dienst van de organisatie bij het vervullen van die taken een essentiële rol spelen. Zie Hoge Raad 20 december 1985, NJ 1986, 438 nt. P.J.I.M. de Waart.(…)
14. Uit deze overwegingen kan worden afgeleid dat de beperkingen van het recht op toegang tot de rechter die het gevolg kunnen zijn van het toekennen van immuniteit van jurisdictie aan de internationale organisatie en de verwijzing van de eiser naar de rechtsgang binnen de organisatie de essentie van het aan art. 6 lid 1 EVRM ontleende recht van de eiser onverlet moeten laten, een legitiem doel moeten dienen en proportioneel moeten zijn.
Voor de Nederlandse rechter betekent dit dat hij in het concrete geval dient te toetsen of de rechtsgang binnen de internationale organisatie eiser "reasonable alternative means" biedt om zijn rechten onder art. 6 lid 1 EVRM effectief te beschermen. Zie nader over deze rechtspraak van het EHRM A. Reinisch & U.A. Weber, In the Shadow of Waite and Kennedy. The Jurisdictional Immunity of International Organizations, the Individual's Right of Access to the Courts and Administrative Tribunals as Alternative Means of Dispute Settlement, International Organizations Law Review, 2004, blz. 59 e.v.; C.G. van der Plas, De taak van de rechter en het IPR, diss. 2005, blz. 264-266; N. Blokker, Recht van internationale organisaties, in: N. Horbach, R. Lefeber & O. Ribbelink (red.), Handboek Internationaal recht, 2007, blz. 437 e.v., blz. 449-451; A. Reinisch, The Immunity of International Organizations and the Jurisdiction of their Adminstrative Tribunals, Chinese Journal of International Law 2008, blz. 285 e.v.”
6.7.5In de conclusie van AG Vlas 24 juni 2016 ECLI:NL:PHR:2016:551 wordt nader ingegaan op artikel 6 EVRM in dit verband:
“2.14. De vierde prejudiciële vraag heeft betrekking op de verhouding van de presumptie van immuniteit tot art. 6 EVRM. Gevraagd wordt of de immuniteit van executie tot een schending van art. 6 EVRM en tot een ontoelaatbare doorkruising van het Nederlandse beslagrecht leidt, omdat crediteuren van vreemde staten, indien op hen de bewijslast rust dat de beslagen goederen geen publieke bestemming hebben, geen enkele mogelijkheid hebben om verhaal te halen op de vermogensbestanddelen van de vreemde staat.
Het is vaste rechtspraak van het EHRM dat het toekennen van immuniteit van jurisdictie en van executie geen schending van art. 6 EVRM oplevert. De beperkingen die door de immuniteit op art. 6 EVRM worden aangebracht, dienen een legitiem doel en zijn proportioneel. In zijn uitspraak van 12 december 2002 heeft het EHRM overwogen dat het EHRM bij de uitleg van het EVRM rekening moet houden met de relevante bepalingen van internationaal recht en dat het EVRM ‘should be interpreted in harmony with other rules of international law of which it forms part, including those relating to the grant of State immunity’.
Het EHRM vervolgde:
‘It follows that measures taken by a High Contracting Party which reflect generally recognized rules of public international law in State immunity cannot generally be regarded as imposing disproportionate restriction on the right of access to a court as embodied in Article 6 § 1. [vet, GHSHE] Just as the right of access to a court is an inherent part of the fair trial guarantee in that Article, so some restrictions on access must likewise be regarded as inherent, an example of those limitations generally accepted by the community of nations as part of the doctrine of State immunity (see Al- Adsani v. the United Kingdom [GC], no. 35763/97, ECHR 2001-XI, §§ 52-56)’.21