[geïntimeerde] baseert haar vordering primair op nakoming van [appellante]
van de op haar rustende verbintenis tot (door)betaling aan [geïntimeerde] van de koopsom van het
motorjacht “ [het motorjacht] ”. In dit verband stelt [geïntimeerde] dat zij [appellante] door middel van een tussen partijen overeengekomen bemiddelingsovereenkomst heeft opgedragen te bemiddelen bij de verkoop van voormeld motorjacht, e.e.a. zoals vastgelegd in de overeenkomst van opdracht van 16 mei 2014, alsmede dat zij bij e-mailberichten van16 november 2015 en 23 november 2015 aan [appellante] instructie heeft gegeven
tot doorbetaling van de koopsom op de bankrekening van de aandeelhouder van [geïntimeerde]
( [holdings] ). Volgens [geïntimeerde] heeft [appellante] niet voldaan aan voormelde
betaalinstructie zodat zij om die reden jegens [geïntimeerde] toerekenbaar tekortschiet. Aan de
sommatie tot doorbetaling d.d. 25 oktober 2016 heeft [appellante] niet voldaan,
aldus [geïntimeerde] , zodat zij in verzuim is komen te verkeren.
Subsidiair legt [geïntimeerde] , op grond van dezelfde feitenconstellatie, wanprestatie aan haar
vordering ten grondslag.
Meer subsidiair legt [geïntimeerde] aan haar vorderingen ten grondslag dat [appellante]
gehandeld heeft in strijd met de op haar als opdrachtnemer rustende zorgplicht. Daarbij betoogt [geïntimeerde] dat [appellante] niet heeft voldaan aan de op haar als opdrachtnemer rustende informatieplicht ex artikel 7:403 lid 1 BW omdat
zij heeft verzuimd om [geïntimeerde] op de hoogte te houden van de door haar verrichte
werkzaamheden. Volgens [geïntimeerde] heeft [appellante] haar vanaf 1 december 2015
“aan het lijntje gehouden” en [geïntimeerde] niet meer op de hoogte gehouden van de
ontwikkelingen ten aanzien van de verkoop van het bewuste motorjacht. Daarnaast voert
[geïntimeerde] aan dat [appellante] niet conform het bepaalde in artikel 7:403 lid 2 BW
rekening en verantwoording heeft afgelegd.
Uiterst subsidiair legt [geïntimeerde] onrechtmatige daad aan haar vordering ten grondslag, stellende dat het toerekenbaar en zonder enkel recht of titel onder zich houden van de opeisbare koopsom en/of het doorbetalen hiervan aan een derde door [appellante]
onrechtmatig is jegens [geïntimeerde] . In dit verband voert [geïntimeerde] aan dat [appellanten c.s.]
wisten dat [oprichter van geintimeerde] niet bevoegd was om [geïntimeerde] te vertegenwoordigen. Daarnaast
betoogt [geïntimeerde] dat de teboekstelling van het bewuste motorjacht met assistentie van
[appellante] en zonder medeweten van [geïntimeerde] is doorgehaald en daarna het motorjacht is geleverd, eveneens met assistentie van [appellante] en zonder medeweten van [geïntimeerde] alsmede dat zowel het motorjacht als de koopsom verdwenen zijn, zonder dat [appellante]
hierover tot op heden opheldering heeft gegeven. Dit alles kwalificeert als
onrechtmatig handelen van [appellanten c.s.] jegens [geïntimeerde] .
De vordering van [geïntimeerde] tegen de heer [enig aandeelhouder en bestuurder van Yachting] is gebaseerd op
onrechtmatige daad, meer specifiek bestuurdersaansprakelijkheid.