Het hof overweegt het navolgende.
In artikel 1:157 lid 1 Burgerlijk Wetboek is bepaald dat de rechter bij de echtscheidingsbeschikking of bij latere uitspraak aan de echtgenoot die niet voldoende inkomsten tot zijn levensonderhoud heeft, noch zich in redelijkheid kan verwerven, op diens verzoek ten laste van de andere echtgenoot een uitkering tot levensonderhoud kan toekennen. Dit betekent dat de vrouw geen recht op partneralimentatie heeft, indien zij voldoende inkomsten heeft om in haar huwelijksgerelateerde behoefte te voorzien of zich die inkomsten in redelijkheid kan verwerven.
Vast staat dat partijen in februari 2017 feitelijk uit elkaar zijn gegaan. Vanaf dat moment wist de vrouw, dan wel behoorde zij te weten, dat zij in de kosten van haar eigen levensonderhoud zou moeten gaan voorzien en dat op haar daarvoor een inspanningsverplichting rustte. De rechtbank Oost-Brabant heeft de vrouw reeds bij de beschikking voorlopige voorzieningen van 6 juni 2017 meegegeven op zoek te gaan naar uitbreiding van haar werkzaamheden bij haar toenmalige werkgever dan wel bij een andere werkgever, althans inzichtelijk te maken welke sollicitatie-activiteiten zij verricht.
Uit de stukken en het verhandelde ter zitting in hoger beroep is verder het navolgende gebleken. De vrouw is thans 40 jaar. Tijdens het huwelijk van partijen was de man kostwinner, maar de man heeft onweersproken ter zitting bij het hof verklaard dat de vrouw vóór het huwelijk fulltime werkzaam is geweest bij ‘ [bedrijf] ’ en dat de vrouw tijdens het huwelijk, naar het hof begrijpt regelmatig, parttime heeft gewerkt, soms tot 16 uur per week en de laatste jaren voor het feitelijk uiteengaan van partijen een paar uur per week. Blijkens de stukken is de vrouw van 31 maart 2014 tot 1 oktober 2017 in dienst geweest bij [postverspreider] als postverspreider voor gemiddeld ongeveer 6 uur per week tegen een salaris gelijk aan het minimumloon. De vrouw heeft voorts – deels tegelijk met haar dienstverband bij [postverspreider] – in de schoonmaakbranche gewerkt, te weten voor [schoonmaakbedrijf] van 26 juni 2017 tot (in ieder geval) 15 juli 2017 gedurende totaal 32 uur in die periode. Bij [schoonmaakdiensten] is zij in dienst geweest van 4 oktober 2017 tot en met 4 mei 2018 voor minimaal 8 uur per vier weken en maximaal 24 uur per vier weken. Dit alles tegen een salaris in ieder geval gelijk aan het minimumloon.
Het hof constateert op grond van het voorgaande dat de vrouw gedurende langere tijd, en in ieder geval ook nog recentelijk, relevant contact heeft gehad met de arbeidsmarkt. Gesteld noch gebleken is dat de vrouw zich heeft ingespannen om haar werkzaamheden uit te breiden en dat de vrouw, zo zij al zou hebben gesolliciteerd, bij sollicitaties is afgewezen. Voorts is noch in eerste aanleg, noch in hoger beroep gebleken van arbeidsbelemmerende omstandigheden van psychische of fysieke aard aan de zijde van de vrouw. Daarnaast heeft de vrouw geen kinderen voor wie zij de zorg heeft.
Op grond van voorgaande feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang beschouwd, is het hof van oordeel dat de vrouw in staat moet worden geacht, hetgeen in redelijkheid ook van haar kan worden gevergd, om met ingang van de datum van de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking (11 december 2017) een inkomen te genereren waarmee zij in haar huwelijksgerelateerde behoefte van € 964,- netto per maand kan voorzien.
Het voorgaande leidt ertoe dat de grief van de man slaagt en dat het verzoek van de vrouw tot vaststelling van partneralimentatie moet worden afgewezen.