geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1992 ,
wonende te [woonplaats] .
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de eerste rechter zal bevestigen, met uitzondering van de beslissing over de straf, en opnieuw rechtdoende, verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 120 dagen, waarvan 20 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, met aftrek van voorarrest conform artikel 27 Wetboek van Strafrecht.
Het hoger beroep van de verdachte is onbeperkt ingesteld en richt zich aldus mede tegen de nietigverklaring van de dagvaarding door de eerste rechter van het onder 2 ten laste gelegde feit. Ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken dat verdachte geen bezwaren heeft tegen dit oordeel van de eerste rechter. Nu voorts het belang van de verdachte noch enig ander rechtens te beschermen belang is gediend met behandeling van het hoger beroep ter zake het onder 2 ten laste gelegde, zal het hof overeenkomstig artikel 416, tweede lid, Wetboek van Strafvordering het door de verdachte ingestelde hoger beroep in zoverre niet-ontvankelijk verklaren.
Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – en met de gronden waarop dit berust, met aanvulling en verbetering van de gronden voor bewezenverklaring, behalve voor wat betreft de opgelegde straf en de strafmotivering en de vermelding van de toepasselijke wettelijke voorschriften.
I. Anders dan de rechtbank, baseert het hof de beslissing dat verdachte het bewezen verklaarde feit heeft begaan met onder andere [medeverdachte 1] , niet mede op de eigen waarneming van de rechtbank ter terechtzitting in eerste aanleg op 26 juni 2015 dat de [medeverdachte 1] een tremor in zijn linkerhand en -arm had en dat hij bij die vaststelling opmerkte de ziekte van Parkinson te hebben.
II. Ter verbetering van de door de rechtbank opgenomen bewijsmotivering geldt het volgende. Anders dan de rechtbank beschikt het hof niet over een dossier met volledig doorlopende paginanummering. In plaats daarvan zijn de pagina’s van de stukken van het geding waarover het hof beschikt per proces-verbaal of per dossierdeel doorgenummerd. De in het vonnis opgenomen voetnoten behorend bij de motivering van de door het hof bevestigde bewezenverklaring moeten reeds daarom als volgt worden verbeterd:
- -
voetnoot 1: Onder deze kop wordt, tenzij anders vermeld, telkens verwezen naar dossierpagina’s van het meerdelige dossier van de Politie Regio Limburg-Noord, dossiernummer 233R1209. Alle tot bewijs gebezigde processen-verbaal zijn, voor zover niet anders vermeld, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde verbalisanten en alle verklaringen zijn, voor zover nodig, zakelijk weergegeven.
- -
2: Proces-verbaal verhoor verdachte [medeverdachte 2] , nr. PL233R 2012008764-94, d.d. 28 augustus 2012, Dossier B ‘Verdachten’, nr. VE.02.12, p. 1.
- -
3: Proces-verbaal Zaaksdossier 1 (deel 1) (stam-pv), nr. 233R1209, d.d. 20 maart 2013, ZK/1.10.
- -
4: Proces-verbaal aangifte, nr. PL233R 2012008764-1, d.d. 27 januari 2012, Dossier C ‘Getuigen’, nr. 1.
- -
5: Proces-verbaal aangifte, nr. PL233R 2012009025-1, d.d. 27 januari 2012, Dossier C ‘Getuigen’, nr. 6.
- -
6: Proces-verbaal aangifte, nr. PL233R 2012009283-1, d.d. 28 januari 2012, Dossier C ‘Getuigen’, nr. 9.
- -
7: Proces-verbaal aangifte, nr. PL233R 2012009284-1, d.d. 28 januari 2012, Dossier C ‘Getuigen’, nr. 11.
- -
8: Proces-verbaal verhoor verdachte [medeverdachte 2] , nr. PL233R 2012008764-102, d.d. 29 augustus 2012, Dossier B ‘Verdachten’, nr. VE.02.16.
- -
9: Proces-verbaal verhoor verdachte [medeverdachte 3] , nr. PL2300 2012008764-142, d.d. 11 september 2012, Dossier B ‘Verdachten’, nr. VE.03.16.
- -
10: Proces-verbaal onderzoek Telecommunicatie ( [medeverdachte 3] ), nr. 2011076031, d.d. 11 februari 2013, Dossier A, nr. 5.
- -
11: Proces-verbaal onderzoek Telecommunicatie ( [medeverdachte 1] ), nr. 2012008764, d.d. 13 maart 2013, Dossier A, nr. 7.
- -
12: Proces-verbaal [getuige] , nr. PL2324 2012008764-125, d.d. 5 september 2012, Dossier C ‘Getuigen’, verklaring 47.
VI. Ter aanvulling van de bewijsmotivering in het vonnis wordt de volgende passage op pagina 6 van het vonnis als volgt met voetnoten onderbouwd:
In de verklaringen wordt gesproken over [verdachte] . De telefoon van verdachte is ten tijde van
het feit bij de plaats van het delict getraceerd.1 Verdachte heeft ten tijde van het plegen van
het feit bij [medeverdachte 2] ingewoond.2 De rechtbank leidt hieruit af dat verdachte de persoon is
geweest die door [medeverdachte 3] is ingeschakeld.
Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.
Naar het oordeel van het hof kan gelet op de ernst van het bewezen verklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd, niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de hierna te vermelden duur met zich brengt.
Het hof heeft daarbij gelet op de volgende omstandigheden:
- -
de omstandigheid dat verdachte samen met anderen gedurende de nacht een auto in brand heeft gestoken, ten gevolge waarvan verschillende auto’s geheel of gedeeltelijk zijn uitgebrand dan wel beschadigd zijn geraakt;
- -
de omstandigheid dat de schade beperkt is gebleven tot materiële schade niet aan verdachte te danken is, nu hij met zijn mededaders na de brandstichting de plaats delict heeft verlaten;
- -
de omstandigheid dat verdachte bij het plegen van het feit oog heeft gehad voor geldelijk gewin en hij zich in elk geval niet heeft bekommerd om de gevolgen van zijn handelen en daarmee onder meer geen respect heeft getoond voor andermans bezit;
- -
de omstandigheid dat het handelen van verdachte gevoelens van angst en onrust teweeg heeft gebracht;
- -
de omstandigheid dat verdachte, blijkens het hem betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 19 juli 2018, eerder onherroepelijk is veroordeeld voor strafbare feiten.
Het hof weegt deze omstandigheden in het nadeel van verdachte en is daarom van oordeel dat een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf in beginsel een passende bestraffing vormt.
Het hof heeft echter ook oog voor het volgende. Het ‘Voortgangsverslag toezicht aan opdrachtgever’ van Reclassering Nederland d.d. 10 september 2018 houdt als conclusie in dat verdachte, na jarenlang begeleiding vanuit de reclassering te hebben geweigerd, thans goed contact heeft met de betrokken reclasseringswerker. Daardoor zijn meer mogelijkheden ontstaan om te werken aan gedragsverandering, wat kan leiden tot afname van het recidiverisico. De reclassering beveelt onder meer aan geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen. Uit genoemd rapport alsook uit de verklaring van [reclasseringswerker] ter terechtzitting in hoger beroep blijkt voorts dat verdachte is verhuisd van Maastricht naar Heerlen en in zoverre het criminele milieu waarin hij verkeerde heeft verlaten.
Gelet op deze omstandigheden zal het hof, conform de vordering van de advocaat-generaal en het standpunt van de verdediging in hoger beroep, aan verdachte een gevangenisstraf opleggen voor de duur van 120 dagen, waarvan de duur van het onvoorwaardelijke deel gelijk is aan de tijd die de verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, te weten 100 dagen. De duur van het voorwaardelijke deel van de gevangenisstraf bedraagt derhalve 20 dagen. Met de oplegging van een gedeeltelijk voorwaardelijke gevangenisstraf wordt enerzijds de ernst van het bewezen verklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.
In de duur van de behandeling van de strafzaak tegen verdachte ziet het hof geen aanleiding de straf verder te matigen. Het hof stelt vast dat verdachte op 22 augustus 2012 in verzekering is gesteld. De rechtbank Limburg heeft op 10 juli 2015 uitspraak gedaan, waarna op 22 juli 2015 hoger beroep is ingesteld. Het hof doet uitspraak op 25 september 2018. Weliswaar hebben zowel de berechting in eerste aanleg als de berechting in hoger beroep langer geduurd dan de termijn die daarvoor doorgaans als uitgangspunt wordt genomen. Echter, gelet op de ingewikkeldheid van de zaak, in het bijzonder de omvang van het opsporingsonderzoek, alsook gelet op het belang om de strafzaken tegen verdachte en zijn medeverdachten samenhangend te behandelen, terwijl ook in alle zaken onderzoeksverzoeken zijn ingediend en toegewezen, is het hof van oordeel dat noch het tijdsverloop in de afzonderlijke fasen van de strafprocedure, noch de totale duur van het geding van dien aard is dat de redelijke termijn in de zin van artikel 6 EVRM is overschreden.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De beslissingen zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 47, 63 en 157 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.