In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten.
[Kabelbedrijf] heeft hierop in een e-mail van 1 juli 2015 aan [appellante] geantwoord:
“(…) Obviously you will understand that [Kabelbedrijf] Benelux and me personally take your report extremely serious and will prioritize the investigation of the facts reported. (…)”.
In een interview formulier Jaarlijkse personeelsevaluatie van 8 oktober 2015 is onder meer geschreven:
“(…) De functie is HBO niveau maar veel ervaring heeft [roepnaam appellante] nog niet. We zien wel een goede ontwikkeling en de salaristoezeggingen worden aangepast tot een zeker niveau (…)”.
[appellante] heeft in een e-mail van 6 april 2016 aan [Kabelbedrijf] geschreven:
“(…) Terwijl ik afgelopen donderdag 31 maart met een andere collega sta te praten, werd er over mij geroddeld door (…) en [collega van appellante] . (…) Ik heb aangegeven dat het respect en borging van mijn waardigheid inmiddels al meerdere malen is overschreden
Gezien mijn ervaringen met lastering waar ik management reeds meerdere malen van op de hoogte heb gesteld verzoek ik management te handelen naar de code of conduct. (…)”.
[appellante] heeft in geen gespreksverslag van 11 april 2016 geschreven:
“(…) Het incident van vrijdag middag 8 april omstreeks 16:18. (…) Ik fietste rustig aan vanaf de fietsenstalling, vervolgens rijdt collega [collega van appellante] achteruit van de parkeerplaats (…) waardoor ik plots en gedwongen moest uitwijken en terecht kom in het gras naast de afrit. (…) Collega week absoluut niet voor mij uit. Ik (…) heb hier direct melding van gemaakt (…)”.
In een brief van [collega van appellante] aan [Kabelbedrijf] van 13 april 2016 staat:
“Hierbij wens ik een officiële klacht neer te leggen tegen [appellante] naar aanleiding van de gebeurtenissen op vrijdag 8 april op de parking van [Kabelbedrijf] (…). Ik kijk naar rechts en links, er komt geen verkeer aan, dus ik draai de straat op naar rechts. Plots hoor ik geschreeuw en zie [roepnaam appellante] op haar fiets aan de rechterkant van mijn auto staan. (…) Daarop heb ik mijn weg verder gezet, en is [roepnaam appellante] blijkbaar teruggedraaid naar het gebouw van [Kabelbedrijf] Benelux. Daar heeft ze meteen liggen roepen en tieren dat ik haar expres heb willen aanrijden. Dat ik daar alle reden toe had volgens haar aangezien we een week daarvoor reeds een akkefietje hadden.(…) Door deze valse beschuldiging voel ik mij zwaar aan de schandpaal genageld en aangetast in mijn integriteit. (…)”.
[Kabelbedrijf] heeft in een e-mail van 15 juni 2016 aan [appellante] geschreven:
“(…) tijdens ons gesprek gisteren heb ik je terugkoppeling gegeven over je functioneren binnen [Kabelbedrijf] Benelux B.V. welke samengevat niet aan de verwachtingen voldoet. Op de volgende punten zijn je prestaties niet voldoende (…);
* In de rapportage (…) welke ook richting de Holding gaan zitten regelmatig fouten (…)
* Tijdens de laatste zogenaamde S-Audit is gebleken dat er nauwelijks vooruitgang is geboekt met het Quality Improvement Plan (…)
* Het kwaliteitsdenken in de organisatie is slechts marginaal verbeterd (…)
* Hoewel wij herhaaldelijk anders hebben aangegeven blijf je inconsistente boodschappen, aan het de Directie van [Kabelbedrijf] Benelux B.V. voorbij, afgeven aan personen buiten deze onderneming. Hiervan hebben wij je meermaals verteld dat dit niet tot je taken behoord en dus achterwege hoort te blijven. Zelfs tot afgelopen maandag heb je je hier niet aan gehouden. (…)
* Op eigen interpretatie, hou je je niet aan de afgesproken werktijden (…)
* Herhaaldelijk eigen je je bevoegdheden toe die niet bij je functie van QA coördinator passen op basis van het feit dat mensen buiten deze onderneming volgens eigen zeggen je zien als QA Manager. (…)
* Zoals reeds in vier afzonderlijke gesprekken aan je gemeld wordt je agressieve communicatie stijl door niemand gewaardeerd (…)
* Je gedrag richting de andere medewerkers, zoals ook al drie maal besproken, brengt een ernstige verstoring van de team spirit met zich mee. Bij de 7 conflicten die mij de afgelopen 12 maanden gemeld zijn, was jij telkens betrokken. (…)
Gisteren, 14 juni, was ons vierde gesprek waarin wij ( [HR-manager] en ik) aangaven dat je werkwijze, resultaat en/of gedrag ondermaats zijn en snel verbeteren moet. Het feit dat je je daags na een moeilijk gesprek weer ziek meld verbaast me (…). Het verbaast me temeer omdat ik je op 1 juni een duidelijke taak gaf om op 2 juni een simpel rapportje af te ronden waarop je je op 2 juni ziek gemeld heb om vervolgens 1 dag later vrolijk op te duiken in [plaats] voor het [Kabelbedrijf] Sport Toernooi en klaarblijkelijk weer helemaal fit was. Gezien bovenstaande verzoeken wij je dringend om in te stemmen met ontbinding van de bestaande arbeidsovereenkomst (…)”.
[appellante] heeft zich op 15 juni 2016 ziek gemeld.
[Kabelbedrijf] heeft in een e-mail van 16 juni 2016 aan [appellante] geschreven:
“(…) Gisteren kort nadat de controlerend arts bij je thuis aan de deur was geweest en je daar niet aantrof belde en sms-te je [HR-manager] met het bericht dat je de bel niet hebt gehoord omdat je lag te slapen en mogelijk de bel ook niet heeft gewerkt. (…) Tevens is vast komen te staan dat ongeveer op dezelfde tijd als de controlerend arts aan je voordeur stond te bellen en te kloppen je zelf in een lokale supermarkt boodschappen aan het doen was. Dit strookt niet met wat je [HR-manager] vertelde tijdens jullie telefoongesprek (…)”.
In een advies van de arbodienst naar aanleiding van een afspraak op 7 juni 2016 staat:
“1e verzuimdag 15-06-2016
3.2.1.
In de onderhavige procedure heeft [Kabelbedrijf] de kantonrechter verzocht de arbeidsovereenkomst te ontbinden, onder compensatie van de kosten van de procedure. Aan dit verzoek heeft [Kabelbedrijf] , samengevat, primair ten grondslag gelegd dat sprake is van een verstoorde arbeidsverhouding als bedoeld in art. 7:669 lid 3 sub g BW en subsidiair van verwijtbaar handelen aan de zijde van [appellante] als bedoeld in art. 7:669 lid 3 sub e BW.