Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2016:2471

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
21-06-2016
Datum publicatie
24-06-2016
Zaaknummer
200.126.932_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2013:2770, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

samenlevers; peildatum wettelijke rente

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 3
Burgerlijk Wetboek Boek 3 182
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 119
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JPF 2017/83
JIN 2016/149 met annotatie van A.D. Leuftink
PFR-Updates.nl 2016-0173
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer 200.126.932/01

arrest van 21 juni 2016

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats 1] ,

appellant in principaal hoger beroep,

geïntimeerde in incidenteel hoger beroep,

advocaat: mr. R. Zwamborn te Goes,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats 2] ,

geïntimeerde in principaal hoger beroep,

appellante in incidenteel hoger beroep,

advocaat: mr. S. van de Voorde te Middelburg,

als vervolg op de door het hof gewezen tussenarresten van 9 september 2014 en 12 mei 2015 in het hoger beroep van het door de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg onder zaaknummer C/12/84125/HA ZA 12-147 gewezen vonnis van 27 maart 2013.

9 Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenarrest van 12 mei 2015;

  • -

    het deskundigenbericht van 24 augustus 2015;

  • -

    de memorie na deskundigenbericht van 29 september 2015 met eiswijziging;

  • -

    de antwoordmemorie na deskundigenbericht van 27 oktober 2015.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald.

10 De verdere beoordeling

in principaal en incidenteel hoger beroep

10.1.

Tot aan zijn wijziging van eis bij memorie na deskundigenbericht vorderde de man in hoger beroep, voor zover thans relevant:

  1. het bedrag dat de man aan de vrouw ter zake overbedeling in verband met de toebedeling van de woning aan hem vast te stellen op € 13.500,- in voege als vermeld onder punt 14, dan wel een zodanig bedrag uit overbedeling vast te stellen als het hof juist acht, waarop in mindering strekt het door de vrouw aan de man verschuldigde bedrag ad € 9.967,52 te vermeerderen met de wettelijke rente en voorts te bepalen dat de man een eventueel restant pas verschuldigd is op het moment van het verlijden van de notariële akte van levering van de woning aan hemzelf;

  2. de vrouw te veroordelen om binnen 7 dagen na de betekening van het in deze te wijzen arrest, tegen een behoorlijk bewijs van kwijting, aan de man te voldoen een bedrag ad € 10.000,-, zijnde de vergoeding voor de door de man betaalde verbouwingskosten, dan wel een zodanige vergoeding als het hof juist acht, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening;

  3. de vrouw te veroordelen om al hetgeen de man ter uitvoering van het bestreden vonnis teveel aan de vrouw heeft voldaan aan de man terug te betalen, zulks vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van betaling tot de dag van terugbetaling.

10.2.

De eiswijziging bij memorie na deskundigenbericht houdt in:

Vervanging van het onder sub b gevorderde:

De vrouw te veroordelen om binnen 7 dagen na de betekening van het in deze te wijzen arrest, tegen een behoorlijk bewijs van kwijting, aan de man te voldoen een bedrag ad € 14.583,35, zijnde de vergoeding voor de door de man betaalde verbouwingskosten, dan wel een zodanige vergoeding als het hof juist acht, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening.

10.3.

De vrouw heeft geen bezwaar gemaakt tegen de eiswijziging.

10.4.

Het hof stelt voorop dat de in artikel 347 Rv besloten “twee-conclusie-regel” de aan de man toekomende bevoegdheid tot verandering of vermeerdering van eis in hoger beroep beperkt in die zin dat hij in beginsel zijn eis niet later dan in de memorie van grieven mag wijzigen. Een verandering of vermeerdering van eis na het tijdstip van de memorie van grieven of antwoord kan toelaatbaar zijn, indien daarmee aanpassing wordt beoogd aan eerst na dat tijdstip voorgevallen of gebleken feiten en omstandigheden en de eisverandering of vermeerdering ertoe strekt te voorkomen dat het geschil aan de hand van inmiddels achterhaalde of onjuist gebleken (juridische of feitelijke) gegevens zou moeten worden beslist, of dat – indien dan nog mogelijk – een nieuwe procedure zou moeten worden aangespannen om het geschil alsnog aan de hand van de juiste en volledige gegevens te kunnen doen beslissen. Daarvan is in dit geval sprake omdat de gewijzigde eis betrekking heeft op een verdere concretisering van de door de man betaalde materialen die zijn gebruikt voor de realisatie van de aanbouw en de nieuwe keuken ter zake van de voormalige echtelijke woning van partijen. Die nadere concretisering werd pas mogelijk na verschijning van het deskundigenrapport. Het hof is van oordeel dat de wijziging toelaatbaar is gelet op het door de man ter zake aangevoerde.

10.5.

Naar aanleiding van grief 4: Financiering kosten verbouwing van de woning

10.5.1.

In het arrest van 9 september 2014 heeft het hof geoordeeld dat een deskundige diende te worden benoemd ter vaststelling van de waarde van de materialen die zijn gebruikt voor de realisatie van de aanbouw en de nieuwe keuken van de woning. In het arrest van 12 mei 2015 is een deskundige benoemd. De deskundige heeft op 24 augustus 2015 rapport uitgebracht.

10.5.2.

Het hof heeft de deskundige gevraagd om antwoord te geven op de vraag wat de waarde is van de materialen die zijn gebruikt voor de realisatie van de aanbouw en de nieuwe keuken ter zake van de woning aan de [adres] te [woonplaats 1] .

10.5.3.

Bij deskundigenrapport van 24 augustus 2015 heeft de deskundige als volgt geantwoord: “de waarde van de materialen die zijn gebruikt voor de realisatie van de aanbouw en de nieuwe keuken is op prijsniveau 2015 bepaald op € 27.928,68, incl. 21% BTW. Gecorrigeerd naar prijspeil 2de helft 2009, (gemiddeld tussen begin en einde bouw), is de waarde bepaald op € 26.011,30, incl. 19% BTW. Aangezien de toegepaste materialen in de periode 2008-2010 als nieuw moeten worden behandeld is in de aangegeven waarden geen afschrijving verrekend.”

10.5.4.

Beide partijen betwisten de door de deskundige vastgestelde waarde ad € 26.011,30 van de materialen die zijn gebruikt voor de realisatie van de aanbouw en de nieuwe keuken.

In de visie van de man dient deze waarde hoger te zijn en moet worden uitgegaan van de waarde die de deskundige eerder in zijn conceptrapport had bepaald, te weten een bedrag van € 29.166,70. De man is van mening dat de deskundige bij de beantwoording van de door het hof geformuleerde vraag in zijn definitieve rapport ten onrechte de posten met betrekking tot het door de man gebruikte materieel heeft laten vallen.

In de visie van de vrouw dient de door de deskundige vastgestelde waarde echter lager te zijn. Hoewel de deskundige naar aanleiding van haar eerdere bezwaren tegen het conceptrapport terecht de posten met betrekking tot het door de man gebruikte materieel heeft laten vervallen in het definitieve rapport, is de vrouw van mening dat de deskundige daarnaast ook geen rekening had mogen houden met de kozijnen, ramen en deuren, alsmede het aanrechtblad, de spoelbak en de tegels. Tot slot is de vrouw van mening dat de waardebepaling gecorrigeerd dient te worden met een kortingspercentage van 10% nu in de bouwwereld een korting op de aanschaf van bouwmaterialen heel gebruikelijk is. Concluderend komt de vrouw dan op een waarde van € 15.487,24 exclusief btw. Met de btw mag volgens de vrouw geen rekening worden gehouden, nu de man op naam van zijn onderneming de btw heeft kunnen verrekenen.

10.5.5.

Het hof gaat aan de bezwaren van beide partijen tegen de inhoud van het deskundigenrapport voorbij en volgt de waardebepaling door de deskundige. Het hof overweegt daartoe als volgt.

10.5.6.

Blijkens de inhoud van het definitieve rapport van de deskundige hebben partijen zich kunnen uitlaten over het eerder door de deskundige opgemaakte conceptrapport waarin

hij in antwoord op de door het hof aan hem voorgelegde vraag de waarde van de materialen die zijn gebruikt voor de realisatie van de aanbouw en de nieuwe keuken heeft bepaald op een bedrag van € 29.166,70 inclusief btw. Uit zijn (bij het definitieve rapport gevoegde) reactie van 6 augustus 2015, blijkt dat de man het eens was met deze waardebepaling. De vrouw daarentegen heeft bij brief van 19 augustus 2015 een aantal bezwaren naar voren gebracht tegen voormelde waardebepaling. De deskundige heeft van deze bezwaren blijkens de inhoud van zijn rapport kennisgenomen, hetgeen heeft geleid tot het naar beneden bijstellen van de oorspronkelijke waardebepaling. Het hof stelt vast dat de thans door de vrouw naar voren gebrachte bezwaren met betrekking tot het definitieve rapport niet anders zijn, dan haar eerdere bezwaren ten aanzien van het conceptrapport. De bezwaren van de vrouw zijn, naar het oordeel van het hof, dan ook “een herhaling van zetten”. Ook in het door de man naar voren gebrachte bezwaar dat de deskundige in afwijking van het conceptrapport bij de uiteindelijke waardebepaling in het definitieve rapport geen rekening meer heeft gehouden met de kosten van het door de man gebruikte materieel, ziet het hof geen aanleiding om van de waardebepaling van de deskundige af te wijken nu, zoals de deskundige terecht heeft opgemerkt, deze kosten niet in de vraagstelling van het hof aan de deskundige, liggen besloten. De man heeft voorts nog bezwaar gemaakt tegen de door de deskundige naar aanleiding van door de vrouw gemaakte opmerkingen bijgestelde waarde van het aanrechtblad en de spoelbak. Nu de man zijn standpunt niet nader heeft onderbouwd, ziet het hof geen aanleiding op dit punt af te wijken van het rapport van de deskundige.

10.5.7.

Het voorgaande brengt met zich mee dat de vrouw gehouden is om de helft van de door de deskundige vastgestelde waarde ad € 26.011,30, zijnde een bedrag van € 13.005,65, van de materialen die zijn gebruikt voor de realisatie van de aanbouw en de nieuwe keuken aan de man te vergoeden. De man heeft bij memorie na deskundigenbericht zijn eis gewijzigd en de wettelijke rente gevorderd vanaf de dag der dagvaarding. De vrouw heeft hiertegen geen verweer gevoerd. Het hof zal derhalve de gevorderde wettelijke rente vanaf 5 juni 2012 toewijzen.

Grief 4 van de man slaagt derhalve.

10.6.

Naar aanleiding van grief 1 en grief 2: de overbedelingsvergoeding en de waarde van de woning

10.6.1.

In het tussenarrest van 9 september 2014 heeft het hof in rov. 4.10.4 overwogen dat op de vrouw de bewijslast rust van haar stelling dat tussen partijen een bindende afspraak met betrekking tot de overbedelingsvergoeding van € 20.000,- tot stand is gekomen. Nu de vrouw daartoe bewijs heeft aangeboden door het horen van haar vader, alsmede haar vorige advocaat, mr. [getuige], heeft het hof de vrouw toegelaten tot bewijsvoering.

10.6.2.

De vader van de vrouw, de heer [vader van de vrouw] , heeft als getuige onder meer verklaard:

“Ik meen dat in maart 2011 mijn dochter mij meedeelde dat zij niet verder wilde met [appellant]. Dat bericht overviel mijn vrouw en mij. Wij waren veel bij mijn dochter en [appellant] om op de kinderen te passen.

Op een gegeven moment vroeg mijn dochter of wij op de kinderen wilden passen. Er zou een makelaar komen om het huis te taxeren. Om het huis rustig te kunnen bekijken met de makelaar moesten de kinderen uit het huis worden gehouden. Ik heb de makelaar het huis in zien gaan. Tijdens de taxatie waren wij buiten met de kinderen. Ik denk dat de makelaar ongeveer een uur binnen is geweest. Toen het gesprek met de makelaar was afgelopen en deze was vertrokken heeft [appellant] mij verteld wat er was besproken. Hij vertelde mij dat hij met [geïntimeerde] had afgesproken dat hij [geïntimeerde] uit zou kopen voor een bedrag van 20 000 euro zodat hij in het huis kon blijven wonen. Hij heeft mij gezegd dat hij in het huis wilde blijven wonen. Verder heeft hij mij verteld dat de makelaar het huis schatte op 290 000 euro als het verkocht zou worden en dat het na afbouw 350 000 euro waard zou zijn. [appellant] vertelde mij dat er een hypotheek van 240 000 euro op het huis zat. [appellant] zei mij dat hij gelet op de geschatte waarde van 290 000 euro, [geïntimeerde] 20 000 euro wilde geven zodat hij in het huis kon blijven wonen. Hij heeft toen ook gezegd dat hij voor de kinderen 300 euro per maand alimentatie zou betalen.

Volgens mij heeft hij de afspraken met betrekking tot het huis aan meer mensen bevestigd.

Onlangs vertelde mijn jongste zoon mij – toen wij het erover hadden dat wij naar Den Bosch toe moesten – dat [appellant] dat ook aan hem had verteld.

Mijn dochter heeft na de scheiding anderhalf jaar met de kinderen bij mij in huis gewoond. Toen is mij ter ore gekomen dat [appellant] zijn verplichtingen niet nakwam. Ik heb hem daar toen verschillende keren op aangesproken. Van de zijde van [appellant] kwam daar geen enkele reactie op. Ik heb zelf ook nog een vordering op [appellant]. Eigenlijk is dat een vordering van mijn vrouw in verband met het oppassen op de kinderen.”

10.6.3.

Getuige de heer [getuige] verklaarde:

“Ter voorbereiding van dit getuigenverhoor heb ik de stukken van de eerste aanleg gelezen. Ik ben inmiddels bijna twee jaar met pensioen.

Ongeveer drie jaar geleden is mevrouw [geïntimeerde] bij mij gekomen. In eerste instantie ging het over de alimentatie ten behoeve van de kinderen. Het ging met name om de vraag of met betrekking met de kinderalimentatie afspraken gemaakt konden worden. Later is ook de verdeling aan de orde gekomen. Mevrouw vertelde mij dat er afspraken waren gemaakt. Ik ben zelf niet betrokken geweest bij de onderhandelingen daarover.

Mevrouw deelde mij mee dat zij en haar ex-partner overeengekomen waren dat de woning aan meneer zou worden toebedeeld en dat hij daar zou blijven wonen. Voorts deelde zij mee dat meneer bij wijze van overbedeling een bedrag van 20 000 euro zou betalen.

Ik heb toen tegen mevrouw gezegd dat het verstandig zou zijn wanneer zij samen met meneer een keer bij mij zou komen, zodat wij samen over de alimentatie en de verdeling met elkaar konden praten. Het doel was er onderling uit te komen. Dat leek mij ook mogelijk, nu er geen grote conflicten waren. Meneer en mevrouw zijn beiden bij mij op kantoor geweest. Dat was kort na de eerste afspraak met mevrouw.

Tijdens het gesprek met meneer en mevrouw zijn zowel de alimentatie als verdeling aan de orde gekomen. Ten aanzien van de verdeling bevestigde meneer dat de afspraak zoals die ik hiervoor heb omschreven was gemaakt. Aan de orde kwam nog dat het bedrag van 20 000 euro tot stand was gekomen na de taxatie door makelaar [makelaar]. Ter sprake kwam dat [makelaar] de vaste makelaar van meneer was.

Meneer is als eerste weggegaan. Ik heb daarna nog gesproken met mevrouw en toen opgemerkt dat het prettig was dat meneer had erkend dat de hiervoor gemaakte afspraak met betrekking tot de verdeling was gemaakt, nu er niets op papier stond, zodat dit punt geregeld was.

Ik heb in de conclusie van antwoord in eerste aanleg vermeld dat mij is meegedeeld dat die afspraak zoals hiervoor vermeld tussen partijen was gemaakt. Ik zou dat natuurlijk nooit zo opnemen als dat niet juist zou zijn. Dan zou ik tuchtrechtelijk fout gehandeld hebben.

Ik heb op een gegeven moment op verzoek van mevrouw bij meneer aan de bel getrokken toen de verdeling niet werd afgewikkeld. U houdt mij twee brieven van mijn hand voor van 1 februari 2012 en 14 maart 2012. Die zal ik geschreven hebben, al herinner ik mij dat nu niet meer zo precies.

Wat er daarna is gebeurd weet ik niet meer precies. Mij staat wel bij dat meneer tijdens de comparitie van partijen bij de rechtbank de afspraak heeft bevestigd. Mevrouw is overigens ook nog weleens met haar vader bij mij op kantoor geweest. Ook haar vader bevestigde de afspraak.

Ik kan mij niet herinneren of er concrete afspraken over de betaling van 20 000 euro zijn gemaakt. De afspraak was dat er 20 000 euro in contanten betaald zou worden, op het moment dat de woning aan meneer zou worden toebedeeld. Over termijnen is niet gesproken.

De vader van mevrouw had net als ik van meneer de bevestiging gekregen dat de hiervoor bedoelde afspraak was gemaakt.

Ik heb ter voorbereiding van dit getuigenverhoor niet inhoudelijk met mr. Van de Voorde gesproken over de zaak en evenmin met de vader van mevrouw.

Bij het gesprek dat ik met meneer en mevrouw heb gevoerd was geen advocaat die voor meneer optrad aanwezig. Het was meneer duidelijk dat ik alleen voor mevrouw optrad. Ik durf niet te zeggen of dat nog expliciet met meneer is besproken. Dat weet ik niet meer.”

10.6.4.

Het hof oordeelt als volgt.

Het hof is van oordeel dat de vrouw geslaagd is in het haar opgedragen bewijs.

Uit zowel de verklaring van de vader van de vrouw, alsook de verklaring van de voormalige advocaat van de vrouw blijkt dat de man zelf aan hen heeft verteld dat hij aan de vrouw wegens overbedeling een bedrag van € 20.000,- zou voldoen. De vader van de vrouw kan zich dat moment concreet herinneren, namelijk na afloop van de taxatie door de makelaar. Dat geldt ook voor de voormalige advocaat, namelijk in een gezamenlijk gesprek met partijen. Het hof heeft geen reden aan de verklaring van de advocaat te twijfelen, ook al trad hij op als advocaat van de vrouw. De verklaringen van de vader van de vrouw en van haar advocaat bevestigen dat het ter comparitie door de man verklaarde – …en hebben we besproken dat EUR 20.000,- voor de vrouw is als de woning wordt toegedeeld aan mij. – dient te worden begrepen als een overeenstemming tussen partijen.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de grieven 1 en 2 van de man falen.

10.7.

Naar aanleiding van grief 3: Vergoeding wettelijke rente

10.7.1.

In het tussenarrest van 9 september 2014 heeft het hof in rov. 4.11.3 partijen in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de constatering van het hof dat partijen geen beroep hebben gedaan op artikel 9 lid 6 van de tussen partijen gesloten samenlevingsovereenkomst.

Voorts heeft het hof partijen in rov. 4.11.4 in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over het feit dat het door de man ingenomen standpunt – te weten dat een eventuele vordering uit overbedeling pas ontstaat op het moment dat de verdeling van de woning is geëffectueerd – niet door de Hoge Raad gedeeld wordt (zie HR 23 november 2007, ECLI:NL:HR:2007:BB6176).

10.7.2.

De man heeft bij zijn akte uitlaten gesteld dat door partijen terecht geen beroep is gedaan op artikel 9 lid 6 van de samenlevingsovereenkomst. Primair, omdat dit artikel betrekking heeft op de situatie waarbij de samenlevingsovereenkomst conform artikel 7 wordt ontbonden. Daarvan is in casu geen sprake. Er heeft geen ontbinding volgens de vereisten van artikel 7 sub a tot en met d plaatsgevonden. De man stelt subsidiair dat artikel 9 lid 6 van de samenlevingsovereenkomst geen peildatum noemt voor de verdeling, waardoor het onmogelijk is een aanvangsdatum voor de wettelijke rente te bepalen.

Gelet op het arrest van de Hoge Raad van 23 november 2007, kan de man ermee instemmen dat de datum van het vonnis in eerste aanleg, te weten 27 maart 2013, heeft te gelden als de datum van verdeling, alsook de datum waarop de wettelijke rente verschuldigd is.

10.7.3.

De vrouw heeft bij haar akte uitlaten gesteld dat uit voormeld arrest van de Hoge Raad van 23 november 2007 volgt dat de overbedelingsvordering ontstaat op het moment van verdeling van de woning. In casu is de toedeling van de woning aan de man niet in geschil en stelt de vrouw dat partijen reeds een overeenkomst hadden gesloten over de toedeling van de woning en de hoogte van de overbedelingsvordering. Dat er in ieder geval een overeenkomst over toedeling van de woning aan de man bestond, blijkt uit de overeenkomst die partijen hebben gesloten en getekend op 18 oktober 2011.

10.7.4.

Het hof oordeelt als volgt.

Uit de getuigenverhoren is gebleken dat tussen partijen een overeenkomst van verdeling tot stand is gekomen ten tijde van het bezoek van de makelaar in maart 2011. Partijen waren het er immers over eens dat de woning zou worden toebedeeld aan de man en dat de man ter zake van overwaarde aan de vrouw € 20.000,- zou betalen. Het hof wijst in dit verband op artikel 8 lid 5 van de leveringsakte (pagina 6 onder het kopje overnemingsbeding, productie 1 bij inleidende dagvaarding) waarin staat dat de ‘koopovereenkomst’ tot stand komt op het moment van overeenstemming over de ‘koopprijs’.

Deze overeenkomst is uiteraard aangegaan onder opschortende voorwaarde van ontbinding van de samenleving. De samenlevingsovereenkomst is geëindigd (ontbonden) door het vertrek van de vrouw uit de woning per 1 juli 2011. Zij heeft daarmee te kennen gegeven die overeenkomst op te zeggen.

Ingevolge artikel 9 lid 6 van de samenlevingsovereenkomst kreeg de man vanaf dit laatste moment een jaar de tijd om aan zijn betalingsverplichting te voldoen. Eerst na verloop van dat jaar werd de vordering van de vrouw opeisbaar, aldus per 1 juli 2012. Voordien verkeerde man derhalve niet in verzuim.

De wettelijke gaat vanaf dit laatste moment lopen. Een ingebrekestelling is niet vereist omdat dit jaar als een fatale termijn voor betaling kan worden aangemerkt.

De vrouw heeft in het petitum van de memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in incidenteel appel wettelijke rente gevorderd vanaf de dag der dagvaarding, derhalve vanaf 5 juni 2012.

De wettelijke rente is mitsdien verschuldigd vanaf 1 juli 2012, zijnde een datum later dan de inleidende dagvaarding.

In het vonnis waarvan beroep van 27 maart 2013 heeft de rechtbank de verdeling van de gemeenschappelijke woning vastgesteld en de woning aan de man toebedeeld. Het gaat hierbij evenwel niet om een constitutieve beslissing, zoals in het arrest HR 23 november 2007, ECLI:NL:HR:2007:BB6176 het geval was, maar om een declaratoire beslissing. Dit volgt uit rechtsoverweging 4.2 van dat vonnis waarin wordt overwogen (met verwerping van het verweer van de man) dat tussen partijen inderdaad overeenstemming over de verdeling was bereikt. Aldus is onjuist de opvatting dat de wettelijke niet eerder gaat lopen dan voor de datum van dat vonnis.

11 De uitspraak

Het hof:

op het principaal en incidenteel hoger beroep

vernietigt het bestreden vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg, van 27 maart 2013, doch uitsluitend voor wat betreft de afwijzing van de vordering van de man tot vergoeding van de verbouwingskosten en de veroordeling van de man tot betaling van de wettelijke rente over het bedrag van € 20.000,- met ingang van 5 juni 2012;

en in zoverre opnieuw rechtdoende:

veroordeelt de vrouw tot betaling aan de man van € 13.005,65, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 5 juni 2012;

veroordeelt de man tot betaling aan de vrouw van de wettelijke rente over het bedrag van € 20.000,- vanaf 1 juli 2012 tot aan de dag van voldoening van de hoofdsom;

bekrachtigt het bestreden vonnis voor het overige;

compenseert de proceskosten aldus dat elk van partijen haar eigen kosten draagt;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. W.Th.M. Raab, W.H.B. den Hartog Jager en A.R. Autar en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 21 juni 2016.

griffier rolraadsheer