Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2015:3472

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
08-09-2015
Datum publicatie
25-03-2019
Zaaknummer
HD 200.159.624_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2014:5943
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2015:2669
Einduitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2019:1144
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

in incident tot voeging

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer HD 200.159.624/01

arrest van 8 september 2015

in het incident tot voeging ex artikel 217 Rv en

in het incident tot onbevoegdheid

in de zaak van

[eiser in incident tot voeging] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiser in het incident tot voeging,

advocaat: mr. L.H.A.M. Andriessen te Breda,

in het geding tussen

Cycle Beheer B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

appellante in de hoofdzaak,

verweerster in beide incidenten,

advocaat: mr. L.H.A.M. Andriessen te Breda,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] , België,

geïntimeerde in de hoofdzaak,

verweerder in het incident tot voeging,

eiser in het incident tot onbevoegdheid,

advocaat: mr. D.J.M.C. Sieler te Eindhoven,

als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 14 juli 2015 in het hoger beroep van het door de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, onder zaaknummer C/02/257243 HAZA 13-2 gewezen vonnis van 23 juli 2014.

5 Het verdere verloop van de procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenarrest van 14 juli 2015;

  • -

    de antwoordmemorie in het incident tot onbevoegdheid van Cycle Beheer d.d. 21 juli 2015;

  • -

    de akte in het incident tot voeging van [eiser in incident tot voeging] d.d. 11 augustus 2015;

Het hof heeft daarna een datum voor arrest in beide incidenten bepaald.

6 De verdere beoordeling

In het incident tot voeging ex artikel 217 Rv

6.1.

In rechtsoverweging 3.2 van het tussenarrest van 14 juli 2015 is geconstateerd dat het hof vóór 27 mei 2015 geen griffierecht van [eiser in incident tot voeging] heeft ontvangen. [eiser in incident tot voeging] is in de gelegenheid gesteld zich bij akte uit te laten omtrent het bepaalde in artikel 127a Rv.

Bij akte heeft [eiser in incident tot voeging] aangevoerd dat (het kantoor van) zijn advocaat, mr. Andriessen, deelneemt aan de Landelijke rekening-courant griffierechten van de Rechtspraak. Op grond van artikel 7 bij de algemene voorwaarden bij de 'Landelijke rekening-courant griffierechten' (productie 5 bij die akte) moet het griffierecht daarom onmiddellijk nadat het verschuldigd is geworden als betaald worden beschouwd, aldus [eiser in incident tot voeging] .

Het is hof gebleken dat (het kantoor van) mr. Andriessen, zoals door [eiser in incident tot voeging] gesteld, een landelijke rekeningcourant aanhoudt. Indien en voor zover het door [eiser in incident tot voeging] verschuldigde griffierecht niet (tijdig) is betaald, moet dat daarom als een apparaatsfout worden aangemerkt. Het is immers aan de griffier om in geval van een rekeningcourantverhouding met een advocaat het verschuldigde griffierecht (tijdig) ten laste van de desbetreffende rekeningcourant te brengen, zonder dat daarvoor een handeling van de advocaat nodig is. Toepassing van artikel 127a Rv zou in het onderhavige geval daarom leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard en behoort achterwege te blijven.

6.2.

Ingevolge artikel 217 Rv, dat op grond van artikel 353 lid 1 Rv ook van toepassing is in hoger beroep, kan een ieder die belang heeft bij een tussen andere partijen aanhangig geding vorderen zich daarin te mogen voegen. Voor het aannemen van dat belang is voldoende dat de partij die voeging vordert nadelige gevolgen kan ondervinden van een uitkomst van de procedure die ongunstig is voor de partij, aan wier zijde zij zich voegt. Aan de toewijsbaarheid van een vordering tot voeging kunnen niettemin de eisen van een goede procesorde in de weg staan.

Onder nadelige gevolgen zijn in dit verband te verstaan de feitelijke of juridische gevolgen die de toe- dan wel afwijzing van de in die procedure ingestelde vordering of het gezag van gewijsde van in de uitspraak in die procedure gegeven eindbeslissingen zal kunnen hebben voor degene die de voeging vordert.

6.3.

[eiser in incident tot voeging] heeft in zijn incidentele memorie gewezen op de rechtsoverwegingen 3.17 tot en met 3.20 van het bestreden vonnis. In die overwegingen heeft de rechtbank overwogen, kort weergegeven, dat het tijdens besprekingen in 2009 tussen [eiser in incident tot voeging] en [geïntimeerde] voor [geïntimeerde] niet duidelijk was of moest zijn dat [eiser in incident tot voeging] daarbij namens Cycle Beheer handelde. De stelling van Cycle Beheer dat die besprekingen tussen [eiser in incident tot voeging] en [geïntimeerde] hebben geleid tot de totstandkoming van een overeenkomst tussen Cycle Beheer en [geïntimeerde] , uit hoofde waarvan Cycle Beheer aanspraak kan maken op betaling van haar facturen, heeft de rechtbank daarom verworpen.

[eiser in incident tot voeging] voert ter onderbouwing van zijn vordering in het incident aan dat, mocht ook het hof tot het oordeel komen dat [eiser in incident tot voeging] niet (voor [geïntimeerde] kenbaar) namens Cycle Beheer optrad, hij er belang bij heeft om zich aan de zijde van Cycle Beheer in het geding te voegen teneinde de door Cycle Beheer ingestelde vordering in conventie staande te houden. Met Cycle Beheer is [eiser in incident tot voeging] van mening dat [geïntimeerde] in dat geval bevrijdend kan betalen aan [eiser in incident tot voeging] .

[geïntimeerde] heeft gemotiveerd verweer gevoerd tegen de vordering in het incident.

6.4.

Naar het oordeel van het hof volgt uit de stellingen van [eiser in incident tot voeging] niet dat [eiser in incident tot voeging] een eigen belang heeft ter verdediging waarvan hij dient te worden toegelaten tot het geding. Uit die stellingen blijkt immers dat [eiser in incident tot voeging] wenst op te komen voor het belang van Cycle Beheer bij betaling van haar facturen. Gesteld noch gebleken is dat afwijzing van de vordering van Cycle Beheer of eindbeslissingen in dat verband kunnen leiden tot feitelijke of juridische nadelige gevolgen voor [eiser in incident tot voeging] zelf. De vordering tot voeging zal daarom worden afgewezen.

6.5.

Als de in het ongelijk gestelde partij zal [eiser in incident tot voeging] in de proceskosten van [geïntimeerde] in het incident worden veroordeeld.

In het incident tot onbevoegdheid

6.6.

In de rechtsoverwegingen 3.8 tot en met 3.14 van het bestreden vonnis heeft de rechtbank - de desbetreffende verweren van [geïntimeerde] verwerpend - geoordeeld dat de Nederlandse rechter bevoegd is van de vorderingen in conventie en in reconventie kennis te nemen.

In het door hem opgeworpen incident bestrijdt [geïntimeerde] dit oordeel van de rechtbank en vraagt hij het hof zich onbevoegd te verklaren van de vorderingen kennis te nemen.

Cycle Beheer voert gemotiveerd verweer tegen de vordering in het incident.

6.7.

De stelling van Cycle Beheer dat tegen het oordeel van de rechtbank omtrent haar bevoegdheid geen hoger beroep mogelijk is en dat [geïntimeerde] daarom niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn vordering in het incident, is onjuist. Anders dan Cycle Beheer meent heeft artikel 110 (lid 3) Rv, dat betrekking heeft op de relatieve bevoegdheid van rechters binnen Nederland (de distributie binnen Nederland), geen betekenis voor de vraag of de Nederlandse rechter al dan niet rechtsmacht toekomt.

6.8.

Het hof zal de vordering in het incident afwijzen. Indien en voor zover een partij het niet eens is met overwegingen en beslissingen van de rechter in eerste aanleg, dienen daartegen in beginsel bij memorie grieven te worden geformuleerd. De bezwaren van [geïntimeerde] tegen de uitgebreide overwegingen van de rechtbank omtrent de bevoegdheid van de Nederlandse rechter, in welke overwegingen tevens het materiële geschil tussen partijen aan de orde komt, lenen zich naar het oordeel van het hof niet voor een beoordeling in een incident. [geïntimeerde] zal zijn desbetreffende bezwaren bij memorie van grieven in incidenteel appel dienen te formuleren.

6.9.

Als de in het ongelijk gestelde partij zal [geïntimeerde] in de proceskosten van Cycle Beheer in het incident worden veroordeeld.

In de hoofdzaak

6.10.

De zaak zal naar de rol worden verwezen voor het nemen van de memorie van antwoord. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

7 De uitspraak

Het hof:

In het incident tot voeging ex artikel 217 Rv

wijst de vordering af;

veroordeelt [eiser in incident tot voeging] in de proceskosten van het incident, welke kosten aan de zijde van [geïntimeerde] tot de dag van deze uitspraak worden begroot op € 894,- aan salaris advocaat;

in het incident tot onbevoegdheid

wijst de vordering af;

veroordeelt [geïntimeerde] in de proceskosten van het incident, welke kosten aan de zijde van Cycle Beheer tot de dag van deze uitspraak worden begroot op € 894,- aan salaris advocaat;

in de hoofdzaak

verwijst de zaak naar de rol van 20 oktober 2015 voor het nemen van de memorie van antwoord;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. S.M.A.M. Venhuizen, C.N.M. Antens en M.G.W.M.

Stienissen en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 8 september 2015.

griffier rolraadsheer