[verdachte],
geboren te[geboorteplaats] op [geboortedatum],
wonende te [adres].
Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte ter zake van “Overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander zwaar lichamelijk letsel wordt toegebracht en terwijl degene die schuldig is aan dit feit, verkeerde in de toestand bedoeld in artikel 8, derde lid aanhef en onder b van deze wet” veroordeeld tot:
- een taakstraf voor de duur van tweehonderdveertig uren, subsidiair honderdtwintig dagen hechtenis;
- een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee maanden, met een proeftijd van twee jaren;
- een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen voor de duur van twee jaren, met aftrek van de tijd dat verdachte zijn rijbewijs al heeft ingeleverd.
De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroep vonnis zal bevestigen.
Namens verdachte is een lagere gradatie van schuld bepleit. Voorts is een strafmaatverweer gevoerd.
Het hof kan zich op onderdelen niet met het beroepen vonnis verenigen. Om redenen van efficiëntie zal het hof evenwel het gehele vonnis vernietigen.
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij, op 16 februari 2013, te omstreeks 21.45 uur, bij duisternis en/of mist, althans bij verminderd zicht, in de gemeente Middelburg, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto, Opel), daarmede rijdende over de weg, de Rijksweg A-58,
na het gebruik van alcoholhoudende drank,
zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval in hoge, althans aanzienlijke mate onvoorzichtig en/of onachtzaam en/of onnadenkend en/of ondeskundig,
met dat motorrijtuig rijdende, op enig moment, over enige afstand (komende/rijdende vanaf de hoofdrijbaan van de Rijksweg A-58) tegen het verkeer in, over de rijbaan van de Afrit 38 (gelegen aan en behorende tot de weg, de Rijksweg A-58), (gezien in de richting Vlissingen) is gaan en/of is blijven rijden,
(mede) ten gevolge waarvan hij, verdachte, met dat door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig (personenauto, Opel) (nagenoeg frontaal), in botsing/aanrijding is gekomen met een hem, verdachte, over de rijbaan van voormelde Afrit 38, tegemoet rijdend motorrijtuig (personenauto, Citroen, bestuurd door: [slachtoffer 1]),
waardoor (een) ander(en), (genaamd [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2]) zwaar lichamelijk letsel, of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan, te weten: ten aanzien van [slachtoffer 1] (bestuurster van het motorrijtuig (personenauto, Citroen): een breuk van de vierde lendewervel en/of ten aanzien van[slachtoffer 2] (inzittende van het motorrijtuig (personenauto, Citroen): een breuk van het linker bovenbeen,
zulks terwijl hij, verdachte, dat motorrijtuig (personenauto, Opel), heeft bestuurd na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van zijn, verdachtes, bloed, bij een onderzoek als bedoeld in artikel 8, derde lid, aanhef en onder b van de Wegenverkeerswet, 0.84 milligram, in elk geval hoger dan 0,20 milligram, alcohol per milliliter bloed bleek te zijn, terwijl voor het besturen van dat motorrijtuig een rijbewijs was vereist en sedert de datum waarop aan hem, verdachte, voor de eerste maal een rijbewijs was afgegeven, nog geen vijf jaren waren verstreken en de eerste afgifte van het rijbewijs op of na 30 maart 2002 heeft plaatsgevonden.
subsidiair, althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
a.
a) hij op 16 februari 2013, omstreeks 21.45 uur, bij duisternis en/of mist, althans bij verminderd zicht, in de gemeente Middelburg, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto, Opel), daarmede rijdende over de weg, de Rijksweg A-58,
na het gebruik van alcoholhoudende drank, met dat motorrijtuig rijdende, op enig moment, over enige afstand (komende/rijdende vanaf de hoofdrijbaan van de Rijksweg A-58) tegen het verkeer in, over de rijbaan van de Afrit 38 (gelegen aan en behorende tot de weg, de Rijksweg A-58), (gezien in de richting Vlissingen) is gaan en/of is blijven rijden,
waarna hij, verdachte, met dat door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig (personenauto, Opel) (nagenoeg frontaal), in botsing/aanrijding is gekomen met een hem, verdachte, over de rijbaan van voormelde Afrit 38, tegemoet rijdend motorrijtuig (personenauto, Citroen, bestuurd door: [slachtoffer 1], met als inzittenden: [slachtoffer 2] en/of[slachtoffer 3]), waarbij letsel werd toegebracht aan genoemde: [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3],
door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;
en/of: b) hij, op of omstreeks 16 februari 2013, in de gemeente Middelburg, als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), dat motorrijtuig (personenauto, Opel), heeft bestuurd na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van zijn, verdachtes, bloed, bij een onderzoek als bedoeld in artikel 8, derde lid, aanhef en onder b van de Wegenverkeerswet, 0.84 milligram, in elk geval hoger dan 0,20 milligram, alcohol per milliliter bloed bleek te zijn, terwijl voor het besturen van dat motorrijtuig een rijbewijs was vereist en sedert de datum waarop aan hem, verdachte, voor de eerste maal een rijbewijs was afgegeven, nog geen vijf jaren waren verstreken en de eerste afgifte van het rijbewijs op of na 30 maart 2002 heeft plaatsgevonden;
en/of: c) hij, op of omstreeks 16 februari 2013, in de gemeente Middelburg, als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto, Opel), dat motorrijtuig heeft bestuurd, terwijl hij verkeerde onder zodanige invloed van alcohol, waarvan hij wist of redelijkerwijs moest weten, dat het gebruik daarvan – al dan niet in combinatie met het gebruik van (een) andere stof(fen) – de rijvaardigheid kon verminderen, dat hij, verdachte, niet tot behoorlijk besturen in staat moest worden geacht,
zijnde de terminologie in deze tenlastelegging, voor zover daaraan betekenis is gegeven, gebezigd in de zin van de Wegenverkeerswet 1994;
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten of omissies voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op 16 februari 2013, omstreeks 21.45 uur, bij duisternis en mist, in de gemeente Middelburg, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto, Opel), daarmede rijdende over de weg, de Rijksweg A-58,
na het gebruik van alcoholhoudende drank,
zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door in hoge mate onvoorzichtig en onachtzaam en onnadenkend en ondeskundig,
met dat motorrijtuig rijdende, op enig moment, over enige afstand tegen het verkeer in, over de rijbaan van de Afrit 38 (gelegen aan en behorende tot de weg, de Rijksweg A-58), (gezien in de richting Vlissingen) is gaan en/of is blijven rijden,
ten gevolge waarvan hij, verdachte, met dat door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig (personenauto, Opel) nagenoeg frontaal, aanrijding is gekomen met een hem, verdachte, over de rijbaan van voormelde Afrit 38, tegemoet rijdend motorrijtuig (personenauto, Citroen, bestuurd door: [slachtoffer 1]),
waardoor anderen, genaamd [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] zwaar lichamelijk letsel werd toegebracht, te weten: ten aanzien van[slachtoffer 1] (bestuurster van het motorrijtuig (personenauto, Citroen): een breuk van de vierde lendewervel en ten aanzien van [slachtoffer 2] (inzittende van het motorrijtuig (personenauto, Citroen): een breuk van het linker bovenbeen,
zulks terwijl hij, verdachte, dat motorrijtuig (personenauto, Opel), heeft bestuurd na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van zijn, verdachtes, bloed, bij een onderzoek als bedoeld in artikel 8, derde lid, aanhef en onder b van de Wegenverkeerswet, 0.84 milligram alcohol per milliliter bloed bleek te zijn, terwijl voor het besturen van dat motorrijtuig een rijbewijs was vereist en sedert de datum waarop aan hem, verdachte, voor de eerste maal een rijbewijs was afgegeven, nog geen vijf jaren waren verstreken en de eerste afgifte van het rijbewijs op of na 30 maart 2002 heeft plaatsgevonden.
Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.
Door het hof gebruikte bewijsmiddelen
Indien tegen dit verkort arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort arrest. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort arrest gehecht.
Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs
De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de
feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.
De raadsman heeft ter terechtzitting een lagere gradatie van schuld bepleit dan door de rechtbank bewezen verklaard. Volgens de raadsman is – kort gezegd – sprake van een samenloop van omstandigheden, waarbij verdachte zich had moeten beseffen dat hij zich in een gevaarlijke verkeerssituatie had begeven. Onder die omstandigheden is er sprake van een aanzienlijke mate van onvoorzichtigheid, aldus de raadsman.
Het hof overweegt hieromtrent als volgt.
Bij de beoordeling van schuld in de zin van artikel 6 WVW komt het aan op het geheel van gedragingen van de verdachte, de aard en ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Voor schuld in voornoemde zin is derhalve meer nodig dan het veronachtzamen van de voorzichtigheid en oplettendheid die van een normaal oplettende bestuurder mag worden verwacht. Verdachte is, onder invloed van alcohol (vier maal zoveel als voor hem als beginnend bestuurder toegestaan) en terwijl het donker en mistig was, over de A58 gaan rijden en vervolgens, na het nemen van een afslag en na het maken van een haakse bocht, tegen de rijrichting in over de rijbaan van de afrit 38 gaan en blijven rijden en aldaar in aanrijding gekomen met de personenauto van de [slachtoffers]. Blijkens de verklaring van verdachte ter terechtzitting in hoger beroep heeft hij niet gezien dat de afrit slechts bestond uit een rijbaan met één rijstrook en een rechts daarnaast gelegen vluchtstrook welke zijdelings werd gemarkeerd door niet onderbroken kantstrepen. Evenmin heeft hij gezien dat voormelde rijbaan van de rijbaan van het tegemoetkomend verkeer komende uit de richting van Middelburg/Veere gescheiden werd door een vangrail. Met de rechtbank en anders dan de raadsman is het hof van oordeel gezien de aard en ernst van de verkeersovertreding begaan door verdachte en de omstandigheden waaronder deze heeft plaatsgevonden, dat verdachte, door zich als bestuurder van een auto op voornoemde wijze te gedragen in hoge mate onvoorzichtig, onachtzaam, onnadenkend en ondeskundig heeft gereden. Het hof verwerpt het verweer van de raadsman.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het primair bewezen verklaarde levert op:
Overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander zwaar lichamelijk letsel wordt toegebracht en terwijl de schuldige verkeerde in de toestand, bedoeld in artikel 8, derde lid, onderdeel b, van deze wet.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.
Strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.
De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.
Op te leggen straf of maatregel
Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een ernstig feit waarvoor hij straf verdient.
Immers, door de schuld van verdachte heeft een verkeersongeval plaatsgevonden waarbij [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] zwaar lichamelijk letsel hebben opgelopen. [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2]ondervinden, blijkens de door [slachtoffer 1] mede namens [slachtoffer 2] ter terechtzitting in hoger beroep voorgelezen schriftelijke slachtofferverklaring, nog altijd dagelijks last van dit letsel en met name [slachtoffer 1] zal hier ook blijvend last van houden.
Overeenkomstig de vordering van de advocaat-generaal zal het hof aan de verdachte het maximaal aantal op te leggen uren taakstraf opleggen.
Voorts zal het hof, mede ter bescherming van de verkeersveiligheid, voor een duur als hieronder vermeld aan de verdachte de bevoegdheid ontzeggen om motorrijtuigen te besturen. De tijd, gedurende welke het rijbewijs van de verdachte ingevolge artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994 ingevorderd of ingehouden is geweest, zal op de duur van deze bijkomende straf in mindering worden gebracht.
Anders dan de advocaat-generaal en overeenkomstig hetgeen door de raadsman is bepleit, ziet het hof in hetgeen in hoger beroep omtrent de persoonlijke omstandigheden van verdachte aan de orde is gekomen – te weten de omstandigheid dat verdachte voor zijn baan in hoge mate afhankelijk is van zijn rijbewijs – evenwel aanleiding te bepalen dat deze bijkomende straf deels niet ten uitvoer zal worden gelegd.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b en 14c van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 175 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994, zoals deze luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.