De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 4 april 2014 als volgt geoordeeld, kort weergegeven.
Het hof heeft terecht geoordeeld:
Met hetgeen Reaal onder (i) t/m (iv), in r.o. 2.3.4 hierboven aangeduid, in de procedure heeft aangevoerd heeft zij nog niet voldaan aan de op haar ingevolge art. 6:174 BW rustende stelplicht; zij heeft daarmee slechts betoogd dat de weg door de richel niet in goede staat verkeerde en daardoor gevaar voor (race)fietsers opleverde. Maar met hetgeen Reaal sub (v) heeft aangevoerd heeft zij, in samenhang met de stellingen sub (i) t/m (iv), in beginsel voldoende gesteld om een eventuele aansprakelijkheid van de gemeente te kunnen dragen.
Stelplicht en bewijslast rusten bij een vordering op grond van art. 6:174 BW in beginsel op de eiser, maar als het overheidslichaam zich erop beroept dat de financiële middelen te beperkt waren om de vereiste maatregelen te treffen, moet het overheidslichaam die stelling voldoende onderbouwen. De stelling dat de financiële middelen ontoereikend waren volstaat in de regel niet. Als het overheidslichaam dit onvoldoende onderbouwt moet de rechter voorshands oordelen dat eiser aan zijn stelplicht heeft voldaan en dit voorshands als vaststaand aannemen, of zelfs de bewijslast omkeren.
In de onderhavige zaak is het oordeel van het hof dat de gemeente haar beroep op de beperktheid van haar financiële middelen voldoende heeft onderbouwd, onbegrijpelijk, nu de gemeente heeft volstaan met algemeenheden die aan Reaal geen enkel aanknopingspunt boden voor een meer specifieke onderbouwing van haar stelling. De klachten 1 sub (a) t/m (c) zijn dus gegrond.
Ook het oordeel van het hof dat de gemeente geen concrete norm heeft geschonden door de richel niet te voorkomen of op te heffen is onbegrijpelijk, gelet op het beroep van Reaal op het CROW-Handboek betreffende de veilige inrichting van bermen (pag. 35). Eveneens onbegrijpelijk is de mening van Royal HaskoningDHV, die het hof kennelijk heeft overgenomen, dat volgens CROW een richel van 3-5 cm niet gedicht hoeft te worden.
Ook klachtonderdeel 1 sub (d) is dus gegrond.
De overige onderdelen van het cassatiemiddel behoeven geen behandeling.
Het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 5 maart 2013 is vernietigd, met verwijzing naar dit hof ter verdere behandeling en beslissing, en met veroordeling van de gemeente in de kosten van de cassatie.