Tegenover deze duidelijke en heldere verklaringen staat de verklaring van [chauffeur van het taxibusje]. Hij verklaart in hoger beroep: “Ik moest remmen voor het verkeer voor mij.”
[chauffeur van het taxibusje] heeft ook in hoger beroep nagelaten zijn verklaring op dit punt nader toe te lichten. [chauffeur van het taxibusje] staat derhalve geheel alleen in zijn verklaring. Het hof twijfelt daarom aan de geloofwaardigheid van zijn verklaring. Zo ook politieambtenaar [politieambtenaar]. Hij verklaart namelijk:
“We hadden sterk de indruk dat de verklaring van de bestuurder met betrekking tot verkeer voor hem niet klopte, ook omdat er nog een getuigenverklaring was van iemand in een auto die tegemoet kwam, die ook geen verkeer voor de bus had gezien.
Ik herinner mij dat wij de bestuurder van de bus vervolgens nog eens hebben gehoord. Hij kreeg toen een kans om toe te geven dat er geen verkeer was voor zijn bus, maar hij hield het vol. Ik heb stellig de overtuiging dat dit verkeer voor de bus er niet is geweest. Mijn indruk is dat de bestuurder van de bus bij de kruising waar het ongeval plaatsvond, heeft geremd met de bedoeling om rechtsaf te slaan. Het is een behoorlijk haakse bocht. Daarom moet je bijna stilstaan om die bocht te nemen. Dat is nu juist de reden dat het niet is toegestaan om rechtsaf te slaan. Die indruk wordt versterkt door het feit dat hij heeft verklaard op weg te zijn naar de [B-straat] en als je op dit punt rechtsaf slaat, is dat een kortere route.”
Daar komt bij dat ook [getuige 2.] en [getuige 3.] in hoger beroep hebben verklaard dat zij niet hebben gezien dat er verkeer voor de taxibus reed. [getuige 2.] verklaart:
“Ik heb er niet op gelet of er andere verkeer voor het busje aan kwam rijden voordat het ongeval had plaatsgehad. Ik weet dat toen ik naar het ongeval toerende, ik geen andere auto’s heb gezien. Als ik die gezien zou hebben, zou ik dat weten, denk ik. Het is mij op dat moment niet opgevallen. Ik lette meer op wat er was gebeurd, op de scooter. U houdt mij voor dat de bestuurder van het busje heeft verklaard dat er twee tot drie auto’s voor hem reden. Dat heb ik niet gezien.”
En [getuige 3.]:
“Ik blijf bij mijn verklaring dat ik geen ander verkeer gezien heb, maar ik lette op het ongeval, of het er niet is geweest kan ik niet zeggen.”
Dat [getuige 2.] en [getuige 3.] op dit punt niet zo stellig verklaren, doet er niet aan af dat op grond van de duidelijke en zeer overtuigende verklaring van [getuige 4.] tezamen met de verklaring van [getuige 1.] is bewezen dat er kort voorafgaand aan het remmen door [chauffeur van het taxibusje] voor zijn taxibus geen auto’s reden. Daarmee staat vast dat [chauffeur van het taxibusje] zonder verkeersnoodzaak heeft geremd. Derhalve falen de incidentele grieven 1 t/m 3.