Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2013:CA0328

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
16-05-2013
Datum publicatie
23-05-2013
Zaaknummer
HV 200.106.999 & HV 200.116.290
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Huwelijksvermogensrecht; huwelijkse voorwaarden; vergoedingsrechten; natuurlijke verbintenis.

Procesrechtelijk: intrekking hoger beroep tegen tussenbeschikking; vermeerdering van verzoek in hoger beroep na afwijzing van gelijkluidend verzoek in eerste aanleg; vermeerdering van verzoek in hoger beroep na intrekking van hetzelfde verzoek in eerste aanleg.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 3
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JPF 2013/109
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak: 16 mei 2013

Zaaknummer: HV 200.116.290/01 en HV 200.106.999/01

Zaaknummer eerste aanleg: 77803/FA RK 11-356

in de zaak in hoger beroep (zaaknummer HV 200.116.290/01) van:

[Appellante],

wonende te [woonplaats],

appellante in principaal appel,

geïntimeerde in incidenteel appel,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. C.J. de Wit,

tegen

[Geintimeerde],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde in principaal appel,

appellant in incidenteel appel,

hierna te noemen: de man,

advocaat: mr. W.E. de Wit-de Witte.

en in de zaak in hoger beroep (zaaknummer HV 200.106.999/01) van:

[Appellante],

wonende te [woonplaats],

appellante,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. C.J. de Wit,

tegen

[Geintimeerde],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

hierna te noemen: de man,

advocaat: mr. W.E. de Wit-de Witte.

1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikkingen van de rechtbank Middelburg van 10 augustus 2011, 2 mei 2012 en 8 augustus 2012.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 16 mei 2012, heeft de vrouw verzocht voormelde beschikking van 2 mei 2012 te vernietigen en de verzoeken van de man af te wijzen.

Dit beroepschrift heeft zaaknummer HV 200.106.999/01 gekregen.

2.2. Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 16 juli 2012, heeft de man verzocht het beroep van de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren dan wel af te wijzen en de vrouw te veroordelen in de kosten van de procedure.

2.3. Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 2 november 2012, heeft de vrouw haar verzoek vermeerderd, verzocht voormelde beschikking van 2 mei 2012 te vernietigen en (bij beschikking uitvoerbaar bij voorraad) de verzoeken van de man af te wijzen, althans een beslissing te nemen die het hof juist acht, en de man te veroordelen om binnen een door het hof te stellen termijn alle gegevens over door hem tijdens het huwelijk opgebouwde pensioenrechten aan de vrouw te doen toekomen en voorts zijn medewerking te geven aan het verevenen van deze pensioenrechten volgens de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding, alles op straffe van een dwangsom van € 250,- voor iedere dag dat de man niet aan deze veroordeling zal voldoen.

Dit beroepschrift heeft zaaknummer HV 200.116.290/01 gekregen.

2.4. Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 28 december 2012, heeft de man verzocht de vermeerdering van het verzoek buiten beschouwing te laten, de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren in het hoger beroep en het door haar verzochte af te wijzen.

Tevens heeft de man incidenteel appel ingesteld, daarbij zijn verzoek vermeerderd en verzocht de beschikkingen van 2 mei 2012 en 8 augustus 2012 te vernietigen en opnieuw rechtdoende te bepalen dat de vrouw een bedrag van € 56.329,92 aan hem dient te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 8 augustus 2012 dan wel een door het hof te bepalen datum.

2.5. De mondelinge behandeling van beide zaken heeft plaatsgehad op 15 maart 2013. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- de vrouw, bijgestaan door mr. De Wit;

- de man, bijgestaan door mr. De Wit-de Witte.

2.6. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg d.d. 3 mei 2011.

2.7. Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft de vrouw verklaard het appel met zaaknummer HV 200.106.999/01 in te trekken.

3. De beoordeling

Zaaknummer HV 200.106.999/01

3.1. Het hof maakt uit de hiervoor onder 2.7. weergegeven verklaring van de vrouw op dat de grieven in die zaak niet langer worden gehandhaafd. Dit brengt mee dat de vrouw in haar verzoek in hoger beroep in de zaak met zaaknummer HV 200.106.999/01 niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

3.2. Het hof ziet geen aanleiding de vrouw te veroordelen in de proceskosten van de man in deze zaak in hoger beroep en wijst het verzoek daartoe af.

Zaaknummer HV 200.116.290/01

3.3. Het gaat in dit hoger beroep om het volgende.

i. Partijen zijn na het maken van huwelijkse voorwaarden op 18 september 1996 met elkaar getrouwd;

ii. Artikel 1 van de huwelijkse voorwaarden houdt in dat partijen buiten elke gemeenschap van goederen zijn getrouwd;

iii. Bij de beschikking van 10 augustus 2011 heeft de rechtbank tussen partijen de echtscheiding uitgesproken;

iv. De echtscheidingsbeschikking is op 6 september 2011 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

3.4. Bij de bestreden beschikking van 2 mei 2012 heeft de rechtbank inzake de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden een aantal eindbeslissingen genomen, de zaak verwezen naar de rol teneinde de man in de gelegenheid te stellen bewijs te leveren en iedere verdere beslissing aangehouden.

3.5. Bij de bestreden (deels uitvoerbaar bij voorraad verklaarde) beschikking van 8 augustus 2012 heeft de rechtbank (voor zover in hoger beroep van belang) de vermeerdering van het verzoek van de vrouw buiten beschouwing gelaten, de vrouw veroordeeld tot betaling aan de man van € 38.758,- uit hoofde van de afwikkeling van de huwelijksvoorwaarden en het meer of anders verzochte afgewezen.

3.6. De vrouw en de man kunnen zich beide met deze beslissingen niet verenigen en zij zijn hiervan in hoger beroep gekomen.

3.7. In principaal appel heeft de vrouw twee grieven aangevoerd tegen de bestreden beschikkingen en haar verzoek vermeerderd.

3.8. Met de twee grieven komt de vrouw op tegen het oordeel van de rechtbank dat de vrouw de investeringen van de man in de haar in eigendom toebehorende woningen (deels) dient te vergoeden en dat haar standpunt, dat zij aan de man geen vergoeding verschuldigd is omdat sprake was van een natuurlijke verbintenis, dient te worden verworpen. De grieven lenen zich voor gezamenlijke behandeling.

3.9. De vrouw voert – kort samengevat – aan dat de prestatie van de man bestond uit het verstrekken van gelden voor de aankoop van een op haar naam te plaatsen gemeenschappelijke woning, dat zulks volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad als een objectieve aanwijzing voor de aanwezigheid van een natuurlijke verbintenis mag worden beschouwd en dat ook de overige omstandigheden, te weten het feit dat zij ten opzichte van de man aangemerkt moet worden als minvermogend en het feit dat partijen geen afspraak over terugbetaling van de investering van de man hebben gemaakt, erop wijzen dat het de bedoeling van partijen was de vrouw in geval van echtscheiding of van overlijden van de man niet onverzorgd achter te laten. Met zijn investering heeft de man dan ook een prestatie verricht die haar op grond van een dringende morele verplichting toekwam en die zij niet aan de man hoeft te vergoeden, aldus de vrouw.

3.10. De man heeft de stelling van de vrouw gemotiveerd betwist.

3.11. Het hof overweegt dienaangaande het volgende. Juist is de stelling van de vrouw dat volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad het verstrekken door de man van gelden voor de aankoop van een op naam van de vrouw te plaatsen gemeenschappelijke woning in het algemeen als een objectieve aanwijzing voor de aanwezigheid van een natuurlijke verbintenis mag worden beschouwd. Het ligt voor de hand dat een zodanige prestatie ertoe strekt te waarborgen dat de vrouw ook na het einde van het huwelijk in die woning kan blijven wonen. Er dient echter ook acht geslagen te worden op de overige omstandigheden van het geval.

In dit geval is de vrouw in 2002 eigenares geworden van de woning aan de [adres] in [plaatsnaam], hebben partijen ter financiering van de woning samen een meerwaardehypotheek afgesloten, in verband waarmee partijen voor € 150.000,- aan beleggingen hebben gedaan, waarvoor de man € 60.000,- heeft ingelegd en de vrouw € 90.000,-, terwijl niet is gebleken dat zulks voor de aankoop van de woning noodzakelijk was. Gebleken is dat beide partijen lid waren van een beleggingsclub en samen hebben gekozen voor de meerwaardehypotheek, ervan uitgaande dat de beleggingen zouden renderen. Partijen hebben tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep verklaard dat zij hun oude woning voor deze woning hebben verruild, omdat deze groter en mooier was en de financiële constructie gunstig leek. Niet is komen vast te staan dat de financiële situatie van de vrouw ten tijde van de investering van de man zodanig was, dat reeds te voorzien was dat zij de investering van de man niet zou kunnen vergoeden. Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft de vrouw verklaard dat zij haar vaste aanstelling van 32 uur per week destijds heeft ingeruild voor een nulurencontract om meer vrije tijd te hebben. De vrouw heeft verder aangegeven dat de woning op haar naam is gezet ook om mogelijke toekomstige schuldeisers van de man te ontlopen.

Naar het oordeel van het hof kan onder deze omstandigheden niet worden gezegd dat de man € 60.000,- voor de aanschaf van de woning van de vrouw aan de [adres] in [plaatsnaam] heeft verstrekt om te waarborgen dat de vrouw ook na het einde van het huwelijk in de woning zou kunnen blijven wonen. Dat niet is komen vast te staan dat partijen een afspraak hebben gemaakt over de vergoeding door de vrouw aan de man van zijn investering maakt dat niet anders. De aanwezigheid van een natuurlijke verbintenis is niet komen vast te staan.

3.12. De grieven van de vrouw falen.

3.13. De vrouw heeft in hoger beroep haar verzoek vermeerderd en verzocht te bepalen dat de man binnen een door het hof te stellen termijn alle gegevens over de door hem tijdens het huwelijk opgebouwde pensioenrechten aan de vrouw dient te verstrekken en voorts al zijn medewerking dient te verlenen aan het verevenen van de pensioenrechten volgens de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding (Wvps), alles op straffe van een dwangsom van € 250,- voor iedere dag dat de man niet aan deze verplichting zal voldoen.

3.14. De man bestrijdt het verzoek van de vrouw. Hij stelt daartoe dat de vrouw ook al bij de rechtbank haar verzoek met hetzelfde verzoek heeft vermeerderd, dat de rechtbank dat verzoek wegens strijd met de goede procesorde buiten beschouwing heeft gelaten en dat het verzoek niets van doen heeft met de overige geschilpunten ter zake de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden. Verder stelt de man dat de vrouw al de beschikking heeft over alle gegevens. Ten slotte voert hij aan dat afstorten van de pensioenreservering bij een verzekeraar onmogelijk is, omdat de BV van de man de liquide middelen niet heeft.

3.15. Het feit dat de vrouw ook al in eerste aanleg dezelfde vermeerdering van haar verzoek heeft gedaan en dat de rechtbank die vermeerdering buiten beschouwing heeft gelaten, staat er naar het oordeel van het hof niet aan in de weg dat de vrouw nu in hoger beroep dezelfde vermeerdering van haar verzoek doet. Het gaat hierbij niet om een herhaalde beoordeling van de vermeerdering van het verzoek in eerste aanleg of om een klacht tegen de weigering van de vermeerdering van het verzoek in eerste aanleg. Het betreft uitsluitend een vermeerdering van het verzoek in appel. Niet valt in te zien waarom een appellant die al eerder een wijziging van zijn verzoek in eerste aanleg heeft beproefd slechter af zou moeten zijn dan een appellant die eerst in appel die wijziging verzoekt.

Het staat de vrouw gelet op artikel 827 Rv voorts vrij pas in hoger beroep een verzoek tot het treffen van een nevenvoorziening in te dienen. Naar het oordeel van het hof kan het verzoek van de vrouw als zodanig worden aangemerkt: er bestaat voldoende samenhang met het scheidingsverzoek en de behandeling van het verzoek leidt niet tot onnodige vertraging van het geding. De stelling van de man dat afstorten van de pensioenreservering bij een verzekeraar onmogelijk is, behoeft niet onderzocht te worden, aangezien de vrouw geen afstorting heeft verzocht.

3.16. Het hof acht het verzoek van de vrouw toewijsbaar.

3.17. In incidenteel appel heeft de man drie grieven aangevoerd tegen de bestreden beschikkingen. Volgens de man dient bij het bepalen van het bedrag dat de vrouw aan hem dient te betalen rekening gehouden te worden met het feit dat hij de kosten voor het vernieuwen van de vloer voor zijn rekening heeft genomen, dat hij heeft afbetaald op de schuld van de vrouw aan haar moeder en dat hij geen gebruik heeft kunnen maken van zijn auto, terwijl hij wel de boetes van de door de vrouw met die auto begane verkeersovertredingen heeft betaald.

3.18. Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft de man zijn stelling dat hij de kosten voor het vernieuwen van de vloer in de woning aan de [adres] te [plaatsnaam] voor zijn rekening heeft genomen uitdrukkelijk niet langer gehandhaafd. Hierop hoeft dan ook niet meer te worden beslist.

3.19. De man heeft in hoger beroep zijn verzoek vermeerderd met een bedrag van € 6.818,18 wegens door hem betaalde aflossingen op een leenschuld van de vrouw bij haar moeder. Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft de vrouw de stelling van de man dat hij heeft afbetaald op haar schuld aan haar moeder uitdrukkelijk niet langer betwist. Daarmee is komen vast te staan dat de man een bedrag van € 6.818,18 heeft afgelost op de schuld van de vrouw aan haar moeder. Bij het bepalen van het bedrag dat de vrouw aan de man dient te betalen, dient rekening gehouden te worden met dit bedrag. Hieraan staat niet in de weg dat de man ook al in eerste aanleg had verzocht rekening te houden met zijn afbetalingen op de schuld van de vrouw aan haar moeder en dat hij dat verzoek aldaar heeft ingetrokken. De vrouw heeft geen beroep gedaan op afstand van recht of rechtsverwerking. Naar het oordeel van het hof is zij door de vermeerdering van het verzoek in hoger beroep niet in haar verdediging onredelijk bemoeilijkt en is het geding erdoor niet onredelijk vertraagd.

3.20. De vrouw heeft de stellingen van de man ten aanzien van de auto gemotiveerd betwist.

3.21. Het hof overweegt dienaangaande het volgende. De man heeft ter onderbouwing van zijn stellingen met betrekking tot de auto als productie 9 bij het verweerschrift in hoger beroep een aantal beschikkingen en aanmaningen van het Centraal Justitieel Incassobureau overgelegd, alsmede een naheffingsaanslag van de gemeente Goes. Van betalingen is evenwel niet gebleken, zodat het verzoek op dit punt alleen al om die reden niet toewijsbaar is. Voor zover het verzoek betrekking heeft op betaalde verzekeringspremies, wegenbelasting en een gebruiksvergoeding is door de man geen grondslag aangevoerd. Het verzoek van de man ter zake van autokosten is daarom niet toewijsbaar.

3.22. Eén grief van de man slaagt, op één grief hoeft niet meer te worden beslist en één grief faalt.

3.23. Op grond van het vorenstaande zal het hof de beschikking van 8 augustus 2012 vernietigen wat betreft het uit hoofde van de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden door de vrouw aan de man te betalen bedrag en zal het hof het verzoek van de vrouw betreffende het pensioen van de man en het verzoek van de man betreffende zijn afbetalingen op de schuld van de vrouw aan haar moeder toewijzen.

De vrouw dient dan uit hoofde van de huwelijkse voorwaarden aan de man te betalen een bedrag van € 45.576,18 (€ 41.163,- aandeel man in overwaarde woning [adres] te [plaatsnaam] plus € 6.818,18 afbetaling man op schuld van vrouw aan moeder minus € 2.405,- investering vrouw in auto).

3.24. Het hof zal de proceskosten in hoger beroep compenseren, nu partijen gewezen echtgenoten zijn.

4. De beslissing

Het hof:

in de zaak met zaaknummer HV 200.106.999/01:

verklaart de vrouw niet-ontvankelijk in haar verzoek in hoger beroep;

wijst het verzoek van de man de vrouw te veroordelen in de kosten van de procedure af;

in de zaak met zaaknummer HV 200.116.290/01:

op het principaal en incidenteel appel:

vernietigt de tussen partijen gegeven beschikking van de rechtbank Middelburg van 8 augustus 2012 wat betreft het bedrag dat de vrouw uit hoofde van de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden aan de man dient te betalen en in zoverre opnieuw rechtdoende:

bepaalt dat de vrouw uit hoofde van de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden aan de man dient te betalen een bedrag van € 45.576,18 (zegge vijfenveertigduizend vijfhonderdzesenzeventig euro en achttien eurocent);

bepaalt in aanvulling op de beschikking van de rechtbank Middelburg van 8 augustus 2012 dat de man binnen zes weken na deze beschikking alle gegevens over de door hem tijdens het huwelijk opgebouwde pensioenrechten aan de vrouw dient te verstrekken en al zijn medewerking dient te verlenen aan het verevenen van de pensioenrechten volgens de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding (Wvps), alles op straffe van een dwangsom van € 250,- voor iedere dag dat de man niet aan deze verplichting zal voldoen;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

bekrachtigt de beschikkingen waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen voor het overige;

compenseert de proceskosten in hoger beroep, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. N.J.M. van Etten, G.J. Vossestein en J.H.Th. Veldman en in het openbaar uitgesproken op 16 mei 2013.