4.1.
Het gaat in deze zaak om het volgende.
4.1.1.
[appellanten] wonen op het woonwagenkamp “[woonwagenkamp]” aan de [straatnaam] in [woonplaats]. Zij zijn eigenaar van het perceel [straatnaam] [huisnummer 1.] (hierna: “het perceel [appellant 1.]”).
4.1.2.
De gemeente is eigenaar van de aan het perceel [appellant 1.] grenzende gronden. Deze gronden bestaan deels uit groenvoorziening en deels uit bestrate delen.
4.1.3.
Bij brief van 13 maart 2006 heeft de gemeente [appellanten] medegedeeld dat zij een deel van de gemeentegronden aan de oost- en westzijde van het perceel [appellant 1.] in gebruik hebben genomen en dat zij dat gebruik dienen te beëindigen en de desbetreffende gemeentegronden dienen te ontruimen. Bij deze brief heeft de gemeente een plattegrond gevoegd, waarop door middel van arcering is aangegeven op welke stukken gemeentegrond de gemeente doelt. Het stuk bestrate grond dat centraal staat in deze procedure maakt geen deel uit van de op genoemde kaart gearceerde delen gemeentegrond.
4.1.4.
Omdat [appellanten] niet bereid waren geheel aan deze sommatie te voldoen, heeft de gemeente [appellanten] gedagvaard en – kort gezegd – ontruiming van de (op de kaart gearceerde) stroken gemeentegrond aan de oost- en westzijde van het perceel [appellant 1.] gevorderd.
4.1.5.
Bij vonnis van 15 augustus 2007 heeft de rechtbank Breda [appellanten] veroordeeld om binnen twee weken na betekening van het vonnis de desbetreffende gemeentegronden aan de oost- en westzijde van het perceel [appellant 1.] te ontruimen en ontruimd te houden.
4.1.6.
Bij brief van 23 augustus 2007 heeft de (toenmalige) raadsman van [appellanten] aan de raadsman van de gemeente geschreven dat [appellanten] vrijwillig aan het vonnis zullen voldoen. [appellanten] zijn echter niet tot volledige ontruiming overgegaan. De gemeente heeft vervolgens niet op korte termijn actie ondernomen om het vonnis ten uitvoer te leggen.
4.1.7.
Bij besluit van 30 juni 2008 is aan [appellanten] een reguliere bouwvergunning verleend voor het legaliseren van de uitbreiding van een woonwagen en bijbehorende opstallen op het perceel [appellant 1.].
4.1.8.
Bij brief van 27 februari 2012 heeft de gemeente [appellanten] geschreven dat zij een aantal gemeentegronden van in totaal ongeveer 505 m2 in gebruik hebben genomen en dat zij die gronden dienen te ontruimen. De gemeente vermeldde daarbij dat deze gronden daarna door de gemeente “opnieuw worden ingericht als openbare ruimte”.
4.1.9.
Bij brief van 20 maart 2012 heeft de gemeente [appellanten] opnieuw gesommeerd de gemeentegronden te ontruimen. In deze brief heeft de gemeente verwezen naar het tegen [appellanten] op 15 augustus 2007 gewezen vonnis (r.o. 4.1.5). De gemeente schrijft te moeten constateren dat [appellanten] nog steeds niet aan dat vonnis hebben voldaan. Indien zij dit niet alsnog doen binnen een in de brief genoemde termijn, zal de gemeente tot ontruiming overgaan, zo schrijft de gemeente.
4.1.10.
Op 19 april 2012 heeft de gemeente een zogenaamde “handhavingsactie” gehouden, waarbij de aan het perceel [appellant 1.] grenzende gemeentegronden zijn ontruimd en de gemeente een hek heeft geplaatst. Het betrof een bijna manshoog hek van gaas, met daar bovenop drie rijen prikkeldraad. Het is geplaatst langs de hele zuid-, west- en noordgrens van het perceel [appellant 1.], met dien verstande dat ten zuiden van de garage op het achterterrein van het perceel [appellant 1.] en ten noorden van de op dat perceel gebouwde woning van [appellanten] een afstand van ongeveer een meter tot het desbetreffende gebouw in acht is genomen. Daardoor loopt het hekwerk aan de noordzijde van het perceel [appellant 1.] over de bestrating die is gelegen in het verlengde van de weg die het woonwagenkamp ontsluit. In de noordoostelijke hoek van het perceel [appellant 1.] buigt het hek af naar het noorden, in de richting van de uitrit naar de [straatnaam].
4.1.11.
Bij e-mailbericht van 3 mei 2012 en een brief van 4 mei 2012 heeft de raadsman van [appellanten] de gemeente bericht dat [appellant 1.] c.s door de handhavingsactie zeer zijn aangeslagen, dat het hek met prikkeldraad bij [appellanten] associaties oproept met de vervolging en internering van zigeuners (mevrouw [appellante 2.] komt uit een Sinti familie) in de Tweede Wereldoorlog, dat de ontruiming en de plaatsing van het hek deels ziet op gronden die geen onderwerp waren van de procedure in 2007 en dat de handhavingsactie deels onrechtmatig is.
4.1.12.
Partijen hebben vervolgens gecorrespondeerd en de wederzijdse raadslieden hebben overleg gevoerd. Dit heeft niet geresulteerd in de door [appellanten] geëiste verwijdering van het hek.
4.1.13.
In diezelfde periode, te weten op 10 mei 2012, heeft de gemeente (bij zichzelf) een omgevingsvergunning aangevraagd voor het legaliseren van het op 19 april 2012 geplaatste hekwerk. De gemeente heeft dit niet aan (de raadsman van) [appellanten] medegedeeld.
Bij besluit van 5 juli 2012 is deze vergunning (namens burgemeester en wethouders door de afdeling Vergunningen van de gemeente) door de gemeente verleend. Dit besluit is in een huis- aan huisblad gepubliceerd. De gemeente heeft niet daarnaast (de raadsman van) [appellanten] van dit besluit in kennis gesteld.
4.2.1.
[appellanten] hebben op 23 juli 2012 de gemeente in kort geding gedagvaard. Daarbij hebben zij, na wijziging van eis, gevorderd de gemeente te veroordelen tot het verwijderen en het verwijderd houden van het hekwerk gelegen aan de noordzijde van het perceel [appellant 1.]. Samengevat hebben zij daartoe aangevoerd, dat het hekwerk op onrechtmatige wijze inbreuk maakt op hun recht op lichtinval en uitzicht, hun eer en goede naam aantast en de bereikbaarheid van hun perceel op onrechtmatige wijze beperkt. Ook hebben zij aangevoerd dat het hekwerk zonder de vereiste bouwvergunning is geplaatst.
4.2.2.
De voorzieningenrechter heeft de situatie in aanwezigheid van partijen bekeken.
Bij het bestreden vonnis van 30 augustus 2012 heeft de voorzieningenrechter de gemeente veroordeeld om de drie rijen prikkeldraad en de voor dat prikkeldraad op het hekwerk aangebrachte opzetstukken te verwijderen en verwijderd te houden, voorzover het het hekwerk betreft dat ten noorden van het perceel [appellant 1.] is geplaatst, op een aan het vonnis aangehechte kaart aangeduid als de hekwerken met de nummers 5, 6 en 7. Deze kaart is hieronder opgenomen.
De overige vorderingen van [appellanten] werden afgewezen en de proceskosten werden gecompenseerd in die zin dat partijen ieder hun eigen kosten dragen.
4.2.3.
Meer in het bijzonder oordeelde de voorzieningenrechter, kort gezegd, dat bestuursrechtelijke vraagstukken in deze procedure geen beantwoording behoeven en dat de zaak naar het burenrecht kan worden beoordeeld. De voorzieningenrechter nam in aanmerking dat [appellanten] eerder gemeentegronden in gebruik hadden genomen en ondanks sommaties en het vonnis uit 2007 deze gronden niet ontruimden c.q. ontruimd hielden en dat de gemeente een rechtmatig belang heeft bij plaatsing van het hekwerk om ingebruikneming door [appellanten] te voorkomen. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is plaatsing van dat hekwerk jegens [appellanten] niet onredelijk en niet disproportioneel. De op het hekwerk geplaatste rijen prikkeldraad achtte de voorzieningenrechter echter niet noodzakelijk, terwijl dat prikkeldraad naar het oordeel van de voorzieningenrechter het hekwerk een grimmig karakter geeft en [appellanten] aan de noordzijde van hun perceel door de ramen van hun woning pal tegen dat prikkeldraad aankijken.
4.2.4.
De gemeente heeft ter uitvoering van dit vonnis het prikkeldraad op de in het vonnis genoemde delen van het hekwerk verwijderd.
4.3.1.
[appellanten] zijn tijdig van dit vonnis in hoger beroep gekomen. Zij hebben vernietiging van het bestreden vonnis gevorderd en alsnog (uitvoerbaar bij voorraad) toewijzing van hun vorderingen, met veroordeling van de gemeente in de kosten van beide instanties. Bij gelegenheid van het pleidooi hebben [appellanten] bevestigd dat hun vorderingen zijn gericht op (verwijdering van) de hekwerken met de nummers 1 tot en met 7 (vgl. r.o. 4.2.2).
4.3.2.
Met de acht door hen aangevoerde grieven beogen [appellanten] het geschil in volle omvang aan het hof voor te leggen.
De grieven komen in de kern genomen op tegen het oordeel van de voorzieningenrechter dat de gemeente een rechtmatig belang heeft bij plaatsing van het hekwerk en niet onredelijk jegens [appellanten] en niet disproportioneel heeft gehandeld. Samengevat voeren [appellanten] aan:
i. i) door de schuine plaatsing van het hekwerk zien [appellanten] een groene, ondoorzichtige waas als zij naar buiten kijken. Er is sprake van een ernstige belemmering in de lichtinval; ii) [appellanten] worden op ernstige en onrechtmatige wijze gestoord in hun woongenot. Door de plaatsing van het hekwerk is de achterzijde (zuidzijde) van het perceel [appellant 1.] niet meer bereikbaar met een auto c.q. de camper en de kleine vrachtwagen van [appellanten] De aan die achterkant ten tijde van de handhavingsactie geparkeerde voertuigen (waaronder een aanhanger met boot en een oldtimer) kunnen nu niet van het perceel [appellant 1.] worden weggevoerd. Nu het hek er staat kunnen [appellanten] hun auto’s niet meer aan de achterzijde van hun woning parkeren waardoor de parkeerdruk rondom het perceel [appellant 1.] enorm is toegenomen;
iii) het hekwerk (nrs 1 t/m 7; r.o. 4.2.2) is op de openbare weg geplaatst. Het door dit hekwerk afgesloten stuk bestrate grond werd jarenlang door [appellanten] maar ook door anderen gebruikt om aan de achterzijde van de woning van [appellant 1.] c.s te komen. Dat blijkt ook uit de kaart die bij het besluit van 30 juni 2008 (r.o. 4.1.7) is gevoegd. Op die kaart zijn twee entrees getekend. Dat het door het hekwerk afgesloten stuk (bestrate) grond een openbare weg is, althans als openbare ruimte heeft te gelden, blijkt ook uit een op 12 december 2012 aan [appellanten] ter ondertekening aangeboden bruikleenovereenkomst, waarop het thans door het hekwerk afgesloten stuk (bestrate) grond als openbare ruimte is aangeduid. Ook blijkens een kaart behorende bij het bestemmingsplan valt op te maken dat het desbetreffende stuk grond openbaar is, omdat dat stuk grond op die kaart als bestemming “verkeersdoeleinden” heeft;
iv) de gemeente heeft gehandeld in strijd met het zorgvuldigheids- en evenredigheidsbeginsel. Zij heeft bovendien misbruik van recht gemaakt, want het hekwerk dient geen enkel redelijk belang. De gemeente had voor een minder verstrekkende maatregel – zoals bijvoorbeeld het plaatsen van een bord met een parkeerverbod – kunnen en moeten kiezen;
v) het vonnis uit 2007 had geen betrekking op het stuk bestrate grond dat nu door het hekwerk aan de noordzijde (nrs 1 t/m7; r.o. 4.2.2) is afgesloten;
vi) de omgevingsvergunning die de gemeente pas na de plaatsing van het hekwerk heeft aangevraagd, is heimelijk aangevraagd en toegekend. Pas op 22 augustus 2012, daags voor de behandeling van het kort geding (leidend tot het bestreden vonnis) zijn [appellanten] van de verlening van deze vergunning op de hoogte geraakt. [appellanten] hebben hiertegen bezwaar en beroep aangetekend en de uitspraak van de bestuursrechter zal binnen afzienbare termijn worden gegeven. Het is daarom de vraag of het besluit waarbij de omgevingsvergunning is verleend wel formele rechtskracht heeft, maar ook als dat zo is geeft dat de gemeente nog geen vrijbrief tot handelen. In dit geval moet het handelen van de gemeente, ook als dat overeenkomstig de omgevingsvergunning is, als onrechtmatig want in strijd met het evenredigheids- en zorgvuldigheidsbeginsel en als misbruik van recht worden aangemerkt;
vii) door het hekwerk is ook een gevaarlijke situatie ontstaan, want bij calamiteiten is de achterzijde van het perceel [appellant 1.] niet meer te bereiken.
4.3.3.
De gemeente heeft – samengevat – aangevoerd dat [appellanten] al jarenlang gemeentegronden gebruiken zonder toestemming en dat zij ondanks sommaties en een vonnis uit 2007 deze gronden niet ontruimen en juist blijven gebruiken. Het hekwerk is met vergunning geplaatst en deze vergunning heeft formele rechtskracht. In het kader van de verlening van deze vergunning heeft een belangenafweging plaatsgevonden en de civiele rechter kan die belangenafweging niet meer (volledig) toetsen. Het hekwerk belemmert geen uitzicht en bovendien bestaat geen recht op uitzicht. Het vonnis uit 2007 heeft ook betrekking op het thans door het hekwerk aan de noordzijde afgesloten stuk grond. Dat stuk grond is geen openbare weg en [appellanten] hebben geen recht op een parkeermogelijkheid achter hun woning. De vergunning van 30 juni 2008 heeft enkel betrekking op het legaliseren van de uitbreiding van de woonwagen en andere opstallen en niet op parkeerterreinen/-mogelijkheden. Verder heeft de gemeente betoogd dat zij op de voet van art. 5:48 BW als eigenaar bevoegd is om haar erf af te sluiten en dat zij er belang bij heeft om de toegang tot de achter dit stuk grond gelegen groenstroken veilig te stellen voor het plegen van onderhoud; zonder hek wordt die toegang gefrustreerd doordat [appellanten] dan weer hun voertuigen op dit stuk grond zullen stallen, aldus de gemeente.
4.4.1.
Het hof oordeelt als volgt.
De vraag of het besluit waarbij de omgevingsvergunning met betrekking tot het hekwerk werd verleend formele rechtskracht heeft, behoeft in het kader van dit hoger beroep niet te worden beantwoord. Ook indien die vraag bevestigend zou worden beantwoord, staat dat immers niet in de weg aan de belangenafweging die de civiele rechter heeft te maken in het kader van de beoordeling van de gestelde onrechtmatige hinder. Het is immers vaste rechtspraak dat de verleende vergunning de vergunninghouder niet zonder meer vrijwaart tegen het verwijt van onrechtmatige hinder die hij door de uitvoering van de vergunning (i.c. de oprichting van het hekwerk) mogelijk aan derden (i.c. de buren, [appellanten]) toebrengt.
4.4.2.
Of hinder jegens derden onrechtmatig is, hangt af van de aard, de ernst en de duur van de hinder en de daardoor toegebrachte schade in verband met de verdere omstandigheden van het geval, waarbij onder meer rekening moet worden gehouden met het gewicht van de belangen die door de hinder toebrengende activiteit worden gediend en de mogelijkheid en de bereidheid om maatregelen ter voorkoming van schade te treffen (vgl. o.m. HR 15 februari 1991, NJ 1992, 639, HR 3 mei 1991, NJ 1991, 476 en HR 21 oktober 2005, NJ 2006, 418).
4.4.3.
[appellanten] beleven het hekwerk aan de noordzijde (nrs 1 t/m7; r.o. 4.2.2) als dat zij achter tralies zijn gezet en als stigmatiserend. Gelet op de zich bij de stukken bevindende foto’s en diverse situatietekeningen/plattegronden, acht het hof deze beleving voorstelbaar. Dat geldt ook voor wat betreft de door [appellanten] gestelde belemmering van licht, ook al bevat het hekwerk open gaas. Open gaas zal immers als (veel) minder open worden ervaren, indien, zoals ook in dit geval, onder een schuine hoek door het gaas heen moet worden gekeken.
4.4.4.
Het is voorts voldoende aannemelijk geworden dat [appellanten] vóór plaatsing van het hekwerk het bestrate deel achter het hekwerk (nrs 1 t/m 7) gebruikten om hun voertuigen over te vervoeren en achter hun woning te brengen en daar te parkeren. Ook is voldoende aannemelijk geworden, mede gelet op het overgelegde proces-verbaal van deurwaarder [deurwaarder], dat dit tengevolge van het geplaatste hekwerk niet meer mogelijk is. De gemeente heeft aangevoerd dat vervoer naar de achterzijde van de woning van [appellanten] vóór plaatsing van het hekwerk ook niet mogelijk was, maar die betwisting is onvoldoende onderbouwd in het licht van de door de gemeente zelf overgelegde luchtfoto, waarop te zien is dat een boot achter de woning van [appellanten] is gestald, de bevindingen van deurwaarder [deurwaarder] dat achter de woning van [appellanten] diverse auto’s staan geparkeerd die nu niet van het perceel [appellant 1.] kunnen worden verwijderd en de mededeling van de raadsman van [appellanten] ter gelegenheid van het pleidooi, dat hij zelf heeft geconstateerd dat het vóór plaatsing van het hekwerk wel mogelijk was om via het thans afgesloten bestrate deel met voertuigen de achterzijde van de woning van [appellanten] te bereiken. Het hof acht het een gerechtvaardigd belang van [appellant 1.] om net als voorheen met zijn auto’s de achterzijde van zijn woning te kunnen bereiken om deze aldaar te parkeren.
4.4.5.
Wel acht het hof de stelling van de gemeente dat [appellanten] het achter het hekwerk bestrate deel niet alleen als doorgang naar de achterzijde van hun woning gebruikten maar juist als parkeerplaats, voldoende aannemelijk. Weliswaar hebben [appellanten] dat gebruik als parkeerplaats betwist en gesteld dat zij hun voertuigen daar hoogstens enkele malen tijdelijk stalden, bijvoorbeeld om te laden en te lossen of om de camper schoon te maken, maar het is onwaarschijnlijk dat de verschillende foto’s waarop voertuigen op het desbetreffende bestrate deel zijn te zien, steeds toevallig zijn gemaakt op momenten waarop die voertuigen daar slechts voor korte tijd waren geparkeerd. [appellanten] hebben niet betwist dat de op die foto’s zichtbare voertuigen hun toebehoren.
4.4.6.
Het hof gaat ervan uit dat in dit laatste aspect een belang van de gemeente gelegen is om door middel van het hekwerk te voorkomen dat [appellanten] op het desbetreffende bestrate deel hun voertuigen stallen, omdat de gemeente in dat geval geen goede toegang tot de haar toebehorende groenstrook heeft. De gemeente mag bovendien in beginsel haar eigendom beschermen, zeker nu [appellanten] er steeds blijk van hebben gegeven de grenzen van de gemeentegronden niet te respecteren en ook na een kort geding niet tot ontruiming van onrechtmatig in gebruik genomen grond zijn overgegaan.
4.4.7.
Alle belangen afwegend is het voorlopig oordeel van het hof dat de gemeente in redelijkheid niet tot plaatsing van het hekwerk kon overgaan. Bij dit oordeel heeft het hof de volgende feiten en omstandigheden in aanmerking genomen:
a. het hekwerk belemmert in aanzienlijke mate de toegang tot het perceel [appellant 1.];
b. het is voorstelbaar dat [appellanten] het hekwerk als stigmatiserend ervaren, het gevoel hebben achter tralies te zijn gezet en verminderde lichtinval ervaren. De stelling van [appellanten] dat het plaatsen van een hek op een afstand van één meter van een woning, op grond van de gemeente die is bedoeld als openbare ruimte, niet vaker voorkomt, is door de gemeente niet weersproken.
c. naar het voorlopig oordeel van het hof heeft het vonnis uit 2007 geen betrekking op het thans door het hekwerk afgesloten stuk bestrate grond. Dat valt reeds af te leiden uit het dictum van dit vonnis als ook uit de in r.o. 4.1.3 genoemde sommatiebrief van de gemeente met bijgevoegde kaart, welke brief de aanzet vormde tot de procedure die tot het vonnis uit 2007 leidde;
d. het thans door het hekwerk afgesloten, bestrate deel, wordt blijkens i) de in r.o. 4.1.8 genoemde brief van de gemeente,ii) de voor het hekwerk verleende omgevingsvergunning (p. 2 onder kopje “Bereikbaarheid woonwagengebied”) en iii) de kaart bij de in december 2012 door de gemeente aan [appellanten] toegezonden bruikleenovereenkomst kennelijk (ook) door de gemeente als “openbare ruimte” respectievelijk als “openbaar bedoelde weg” beschouwd. Voorts kan uit een bij het vigerende bestemmingsplan gevoegde kaart worden afgeleid dat dit stuk bestrate grond als bestemming “verkeersdoeleinden” heeft;
e. de gemeente heeft het hekwerk geplaatst zonder op dat moment te beschikken over de daartoe benodigde vergunning;
f. de gemeente heeft niet aan (de raadsman van) [appellanten] medegedeeld, dat zij, nadat zij door de raadsman van [appellanten] was aangesproken, alsnog een omgevingsvergunning heeft aangevraagd. Evenmin heeft de gemeente (de raadsman van) [appellanten] van de verlening van die vergunning in kennis gesteld. Gezien het feit dat [appellanten] en de gemeente op dat moment in een geschil over het hekwerk waren verwikkeld zou rechtstreekse kennisgeving van het een en ander op zijn plaats zijn geweest;
g. de gemeente maakt geen ander gebruik van het thans door het hekwerk afgesloten, bestrate deel dan als toegang tot de daarachter gelegen groenstroken. Die toegang is ook mogelijk zonder hekwerk;
h. de gemeente kan minder verstrekkende maatregelen nemen om haar hiervoor in 4.4.6 omschreven belang te beschermen, zoals bijvoorbeeld het plaatsen van een parkeerverbod, al dan niet met wegsleepregeling, op/aan het thans door het hekwerk afgesloten, bestrate deel.
4.4.8.
Bij het voorgaande komt dat het niet gaat om twee particuliere buren, maar om een geschil tussen een burger en een gemeente als buren. Van een gemeente mag worden verwacht dat zij zich kenbaar de belangen van een burger aantrekt. Dit wordt niet anders door de omstandigheid dat [appellanten] bij herhaling gemeentegronden in gebruik hebben genomen en ondanks sommaties en een vonnis uit 2007 die gemeentegronden niet volledig en blijvend ontruimden. Zoals hiervoor overwogen, is onvoldoende aannemelijk geworden dat die sommaties en het vonnis uit 2007 betrekking hadden op het thans door het hekwerk afgesloten, bestrate deel en bovendien had de gemeente eerst met minder verstrekkende maatregelen kunnen trachten te bewerkstelligen dat [appellanten] het bedoelde stuk bestrate grond niet meer gebruiken om hun voertuigen te stallen.
4.4.9.
In het voorgaande ligt tevens besloten dat, indien [appellanten] (al dan niet in weerwil van minder verstrekkende maatregelen zoals bijvoorbeeld een parkeerverbod met wegsleepregeling en de handhaving daarvan), in de toekomst het desbetreffende stuk bestrate grond toch als parkeerplek voor hun voertuigen blijven gebruiken, de hiervoor vermelde belangenafweging tot een andere uitkomst zou kunnen leiden.