Uitspraken

Een deel van alle rechterlijke uitspraken wordt gepubliceerd op rechtspraak.nl. Dit gebeurt gepseudonimiseerd.

Deze uitspraak is gepseudonimiseerd volgens de pseudonimiseringsrichtlijn

ECLI:NL:GHSHE:2010:BX5210

Gerechtshof 's-Hertogenbosch
28-12-2010
22-08-2012
HD 200.025.097
Civiel recht
Hoger beroep

"Reiskosten en chauffeursvergoeding. Uitleg betreffende cao-bepaling."

Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2012-0779
VAAN-AR-Updates.nl 2012-0779

Uitspraak

GERECHTSHOF ‘s-HERTOGENBOSCH

Sector civiel recht

zaaknummer HD 200.025.097

arrest van de achtste kamer van 28 december 2010

in de zaak van

[X.],

wonende te [woonplaats],

appellant,

advocaat : mr. S.G.M. van Veldhuizen te Woerden,

tegen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid SCHILDERSBEDRIJF [schildersbedrijf] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats],

geintimeerde,

advocaat: mr. B.M. Lips te Sint-Oedenrode.

1. Het geding in hoger beroep

De partijen worden hierna [appellant] en [geintimeerde] genoemd.

Bij dagvaarding van 2 februari 2009 is [appellant] in hoger beroep gekomen van het vonnis van 13 november 2008 van de rechtbank ‘s-Hertogenbosch, sector kanton, locatie Eindhoven (hierna: de kantonrechter) in deze zaak onder zaaknummer 572034, rolnummer 08/6327 gewezen tussen hem als eiser en [geintimeerde] als gedaagde.

[appellant] heeft bij memorie drie grieven aangevoerd, zijn eis vermeerderd, bewijs aangeboden, producties overgelegd en geconcludeerd - zakelijk weergegeven - dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad, [geintimeerde] zal veroordelen tot inzage in en/of afgifte van door het hof te bepalen bescheiden, te verklaren voor recht dat [appellant] ten laste van [geintimeerde] recht heeft op vergoeding van reiskosten en/of reisuren alsmede tot betaling aan [X.] van de in het petitum van de memorie van grieven onder C tot en met J genoemde bedragen, met veroordeling van [geintimeerde] in de kosten van beide instanties.

Bij memorie van antwoord heeft [geintimeerde] de grieven bestreden, bewijs aangeboden en – zakelijk weergegeven - geconcludeerd tot bekrachtiging van het vonnis waarvan beroep, met veroordeling van [appellant] in (naar het hof begrijpt) de kosten van het hoger beroep.

Partijen hebben ten slotte het hof verzocht arrest te wijzen op de stukken van beide instanties.

2. Grieven

Voor de inhoud van de grieven wordt verwezen naar de memorie van [appellant].

3. Beoordeling

3.1. [appellant] is op 30 mei 2005 in dienst getreden bij [geintimeerde] in de functie van schilder tegen een salaris van – laatstelijk - € 14,85 bruto per uur exclusief vakantietoeslag. Op de arbeidsovereenkomst is de van kracht zijnde CAO voor het Schilders-, Afwerkings-, en Glaszetbedrijf (hierna: de cao) van toepassing verklaard. Tot 1 november 2005 is [appellant] op eigen gelegenheid vanaf zijn huisadres te [woonplaats appellant] naar het vestigingsadres van [geintimeerde] gereisd, waarna van daaruit door [geintimeerde] verzorgd vervoer plaats vond naar de diverse projecten. Vanaf 1 november 2005 reisde [appellant] met een door [geintimeerde] ter beschikking gestelde bedrijfsbus vanaf zijn huisadres naar de plaats waar hij zijn werkzaamheden verrichtte. Op 21 november 2006 kreeg [appellant] – buiten werktijd – met de bedrijfsbus een ongeval, waardoor hij arbeidsongeschikt raakte. Vanaf 9 januari 2007 was [appellant] op arbeidstherapeutische basis werkzaam. Op 3 februari 2007 is [appellant] arbeidsgeschikt verklaard en heeft hij zijn werkzaamheden hervat. Tot 1 december 2008 maakte [appellant] gebruik van eigen vervoer vanaf zijn huisadres naar de vestigingsplek van [geintimeerde], van waar dan weer door [geintimeerde] georganiseerd vervoer plaats vond naar de diverse projecten. Van december 2008 tot maart 2009 is [appellant] wederom arbeidsongeschikt geweest. Sinds 1 maart 2009 werkt hij drie halve dagen per week. Hij reist op eigen gelegenheid naar [geintimeerde] en vanaf daar met een bedrijfsbus naar de plek waar hij zijn werkzaamheden verricht.

[Appellant] vordert in dit geding (na vermeerdering van eis in hoger beroep) allereerst een verklaring voor recht dat hij recht heeft op reiskosten (waaronder een kilometer-vergoeding en een chauffeurstoeslag) op grond van de cao, waarvoor hij heeft verwezen naar artikel 39 van de cao 2006-2009, welk artikel bepaalt dat, indien een werknemer naar het oordeel van de werkgever bij het zich naar en van het werk begeven gebruik moet maken van een eigen vervoermiddel en/of daarvan tijdens en ten behoeve van de werkzaamheden gebruik maakt, hem een vervoermiddelenvergoeding zal worden betaald. [appellant] stelt in dit verband dat met de zinsnede “van en naar het werk” wordt gedoeld op de reisafstand tussen de woonplaats van de werknemer en de plaats waar het werk wordt verricht en maakt in dit verband aanspraak op een vergoeding van de door hem gemaakte kosten ter zake van het reizen met eigen auto vanaf zijn woonplaats naar de vestigingsplaats van [geintimeerde].

[Geintimeerde] betwist deze vordering, daartoe stellende dat artikel 39 van de cao uitsluitend betrekking heeft op de kosten die gemaakt worden om vanuit de vestigingsplaats van de werkgever te komen op de plek waar de werkzaamheden dienen te worden verricht en niet ziet op de kosten ter zake van woon-/werkverkeer.

Het gaat in deze zaak om de uitleg van bepalingen in een cao. Daarvoor zijn in beginsel de bewoordingen van de cao, gelezen in het licht van de gehele tekst en eventueel van de daarbij behorende schriftelijke toelichting van doorslaggevende betekenis. Daarbij komt het niet aan op de bedoelingen van partijen bij de cao voor zover deze niet uit de cao-bepalingen en de toelichting kenbaar zijn, maar op de betekenis die naar objectieve maatstaven volgt uit de bewoordingen waarin de cao en de toelichting zijn gesteld. Bij deze uitleg kan onder meer worden gelet op de elders in de cao gebruikte formuleringen en de aannemelijkheid van de rechtsgevolgen waartoe de onderscheiden op zichzelf mogelijke tekstinterpretaties zouden leiden.

Met inachtneming hiervan overweegt het hof als volgt. In dit geval is geen schriftelijke toelichting gegeven op de reiskostenvergoedingsbepaling in de cao. In de desbetreffende bepaling valt voorts niet te lezen wat dient te worden verstaan onder “van en naar het werk”. Ook (de redactie van) de bepaling in de cao die handelt over de vergoeding van reisuren (artikel 40 van de cao 2006-2009/artikel 42 van de cao 2005-2006), waarin met betrekking tot de ‘duur van een reis’ wordt gesproken over het tijdsverloop tussen het vertrek van het vervoermiddel naar het werk en de aankomst op het werk, alsmede het tijdsverloop terug van het werk naar de plaats van vertrek, brengt in dit verband geen uitkomst. [appellant] heeft ter onderbouwing van zijn standpunt gewezen op bijlage 3 van de cao 2006-2009. Volgens [appellant] maakt deze bijlage duidelijk kenbaar dat artikel 39 van die cao doelt op de reisafstand tussen de woonplaats van de werknemer en de plaats waar het werk wordt uitgevoerd, zijnde hetzij de vestiging van de werkgever, hetzij de vestiging van de opdrachtgever.

In genoemde bijlage 3, die een specifieke regeling voor buitenlandse werknemers bevat, die – zonder vaste woon- of verblijfplaats - tijdelijk in Nederland werkzaam zijn, is vermeld welke artikelen van de cao op buitenlandse werknemers van toepassing zijn. Eén van die artikelen is artikel 39, ten aanzien waarvan in bijlage 3 nog wordt vermeld: “met dien verstande dat voor de afstandsbepaling gekeken wordt van de tijdelijke verblijfplaats in Nederland naar de plek waar het werk wordt uitgevoerd”. Indien de door [geintimeerde] voorgestane uitleg van artikel 39 juist zou zijn, zou voormelde toevoeging overbodig, althans zinloos zijn. Immers, indien artikel 39 aldus moet worden uitgelegd dat alleen de reiskosten vanaf de vestiging van de werkgever naar de locatie waar de werkzaamheden worden verricht (en terug) voor vergoeding in aanmerking kunnen komen, dan maakt het niet uit wat als tijdelijke verblijfplaats van een buitenlandse werknemer moet worden beschouwd. Deze werknemer krijgt immers in de visie van [geintimeerde], net zomin als de binnenlandse werknemer, een vergoeding voor woon-werkverkeer. In dit verband is van belang dat [geintimeerde] niet heeft gesteld noch anderszins is gebleken dat op dit punt tussen de “binnenlandse” en de “buitenlandse” werknemer een relevant verschil bestaat. Beiden zullen immers vanuit hun woonplaats, althans tijdelijke verblijfplaats, naar het verzamelpunt moeten reizen. Het hof is dan ook van oordeel dat met de zinsnede “van en naar het werk” in artikel 39 van de cao 2006-2009, gelet op bijlage 3 bij die cao, wordt bedoeld de afstand tussen de woonplaats (tijdelijke verblijfplaats in geval van een buitenlandse werknemer) van de werknemer en de plaats waar hij zijn werkzaamheden verricht (en terug). De cao 2005-2006 bevat in artikel 41 een aan artikel 39 van de cao 2006-2009 gelijke bepaling en kent eveneens als bijlage 3 een regeling voor buitenlandse werknemers die identiek is aan bijlage 3 van de cao 2006-2009. Dit geldt ook voor de inmiddels van kracht zijnde cao 2009-2011. De stelling van [geintimeerde] dat als het de bedoeling was geweest van de contractspartijen van de cao om de werkgever te laten betalen voor het woon-werkverkeer, men dan daaraan een artikel had moeten wijden, vindt – gelet op het vorengaande – geen steun in de cao. De kenbare bedoeling van de reiskostenvergoeding is zoals hiervoor is overwogen en daaraan doet niet af dat hieraan geen expliciete bepaling is gewijd. Dat geldt evenzeer voor de stelling dat, juist omdat het gaat om werknemers die zich in de regel verzamelen op een bepaald punt en van daaruit worden vervoerd of zich zelf vervoeren naar de plaats waar het werk moet worden uitgevoerd, het van belang is dat (slechts) met die kilometers rekening wordt gehouden en niet met de kilometers die moeten worden gemaakt om bij het verzamelpunt te komen, waarmee [geintimeerde] kennelijk wijst op de ratio van artikel 39.

De hiervoor gegeven uitleg van de reiskosten-vergoedingsbepaling in de cao leidt tot de slotsom dat [geintimeerde] met betrekking tot de reiskosten in strijd heeft gehandeld met de cao door daarvoor geen vergoeding aan [appellant] te voldoen. Wat betreft de omvang van deze vergoeding heeft [appellant] de door [geintimeerde] aan hem verschuldigde kilometervergoeding ex artikel 39, lid 2, tabel 1, van de cao berekend op een bedrag van € 8.612,38 netto. De wijze van berekening van dit bedrag, waarbij rekening is gehouden met de door [geintimeerde] verstrekte reiskostenvergoeding van € 1,- per dag, is te vinden in het als productie 4 bij memorie van grieven overgelegde overzicht (dat overigens uitkomt op een bedrag van € 8.613,38) en ziet op de volgende perioden en afstanden :

- van 30 mei 2005 tot 1 november 2005 vanaf zijn woonadres via [woonplaats collega appellant] (het woonadres van zijn collega dhr. [collega]) naar het vestigingsadres van [geintimeerde] (en terug);

- van 9 januari 2007 tot 1 december 2008 eveneens vanaf zijn woonadres via [woonplaats collega appellant] naar het vestigingsadres van [geintimeerde] (en terug);

- van 1 maart 2009 tot 1 juli 2009 rechtstreeks vanaf zijn woonadres naar het vestigingsadres van [geintimeerde] (en terug).

[geintimeerde] heeft de gestelde perioden noch de gestelde afstanden betwist. Datzelfde geldt voor de stelling van [appellant] dat hij de door hem gestelde afstanden met zijn eigen auto heeft afgelegd en de hoogte en de wijze van de door [appellant] berekende kilometervergoedingen. Het hof ziet dan ook aanleiding het door [appellant] gevorderde bedrag ad € 8.612,38 netto toe te wijzen.

Daarnaast heeft [appellant] op grond van artikel 39, lid 2, tabel 2, van de cao, (na vermeerdering van eis) aanspraak gemaakt op een chauffeursvergoeding ad € 2.361,92 netto, zijnde een vergoeding voor elke dag dat een werknemer, die door de werkgever als zodanig is aangewezen, het vervoer van een of meer meerijder(s) verzorgt. In dit verband stelt [appellant] dat hij gedurende het gehele dienstverband als chauffeur heeft gefungeerd; hij heeft op alle werkdagen zijn collega [collega] thuis opgehaald en na het werk weer naar huis gebracht. [geintimeerde] heeft niet betwist dat [appellant] als chauffeur voor [collega] is opgetreden, doch heeft gesteld dat hij [appellant] nimmer als zodanig heeft aangewezen. Zij heeft – zo stelt [geintimeerde] - aan de betreffende werknemers overgelaten wie er zou chauffeuren. Het hof is van oordeel dat artikel 39 lid 2 tabel 2 van de cao aldus ook in het onderhavige geval toepassing vindt. Kennelijk is sprake van stilzwijgende instemming door [geintimeerde], hetgeen tot hetzelfde resultaat leidt als wanneer [geintimeerde] een expliciete aanwijzing had gegeven.

Wat betreft de gevorderde vergoeding verwijst [appellant] naar het als productie 5 bij memorie van grieven overgelegde overzicht, waarin de volgende perioden en afstanden zijn opgenomen:

- van 30 mei 2005 tot 1 november 2005 vanaf zijn woonadres via [woonplaats collega appellant] naar het vestigingsadres van [geintimeerde] (en terug);

- van 1 november 2005 tot 21 november 2006 (geen reiskosten i.v.m. bedrijfsbus) eveneens vanaf zijn woonadres via [woonplaats collega appellant] naar het vestigingsadres van [geintimeerde] (en terug);

- van 9 januari 2007 tot 1 december 2008 ook weer vanaf zijn woonadres via [woonplaats collega appellant] naar het vestigingsadres van [geintimeerde] (en terug);

- van 1 maart 2009 tot 1 juli 2009 vanaf zijn woonadres rechtstreeks naar het vestigingsadres van [geintimeerde] (en terug).

Ook op dit punt heeft [geintimeerde] de gestelde perioden, de gestelde afstanden noch de hoogte van de berekende chauffeursvergoeding betwist. Datzelfde geldt – zoals gezegd - voor de stelling van [appellant] dat hij in bedoelde perioden als chauffeur voor zijn collega(‘s) heeft gefungeerd. Het hof ziet dan ook geen ruimte om van de berekening van [appellant] af te wijken, met uitzondering van de periode van 9 januari 2007 tot 1 december 2008, nu [appellant] in de memorie van grieven heeft gesteld dat hij in deze periode zonder bijrijders heeft gereden, aangezien hij toen slechts halve dagen werkte. Een en ander betekent dat van het gevorderde bedrag ad € 2.201,42 (= € 2.316,92 - € 151,50) voor toewijzing in aanmerking komt.

Naast toewijzing van het op het onderhavige punt gevorderde heeft [appellant] onvoldoende belang bij de gevorderde verklaring voor recht voor zover betrekking hebbende op artikel 39 cao met betrekking tot de periode tot 1 juli 2009. De vordering tot vergoeding van de reiskosten en chauffeurstoeslag vanaf 1 juli 2009 tot de dag der rechtsgeldige beëindiging van de dienstbetrekking van [appellant] is evenmin toewijsbaar, nu op grond van de door partijen verstrekte informatie niet kan worden vastgesteld of er al dan niet en, zo ja, tot welke omvang, een betalingsverplichting voor [geintimeerde] bestaat over deze periode. Wel kan worden toegewezen de gevorderde verklaring voor recht dat [appellant] recht heeft op de reiskostenvergoeding en chauffeurstoeslag voor zover betrekking hebbende op de periode vanaf 1 juli 2009 tot de dag der rechtsgeldige beëindiging van de dienstbetrekking, en wel op grond van de in die periode van kracht zijnde cao, een en ander behoudens relevante wijzigingen in die cao.

In hoger beroep heeft [appellant] zijn eis vermeerderd en een verklaring voor recht gevorderd dat hij recht heeft op reisuren op grond van artikel 40 van de cao. Daarnaast heeft hij aanspraak gemaakt op een reisurenvergoeding op grond van artikel 40, lid 1, van de cao. Dit artikellid (volgens de cao 2006-2009) luidt:

“a. De duur van de reis bij het zich naar en van het werk begeven, welke wordt gemaakt met een openbaar vervoermiddel, een door de werkgever ter beschikking gesteld vervoermiddel, of een eigen vervoermiddel zal door de werkgever aan de werknemer worden vergoed tegen het voor die werknemer geldende grondslaguurloon, behoudens de eerste 60 minuten per dag, welke niet door de werkgever worden vergoed.

b. Indien een werknemer als bestuurder van een auto met inzittenden optreedt zal hem evenwel ook de eerste 60 minuten reistijd worden vergoed.”

Het door [appellant] als productie 6 bij memorie van grieven overgelegde overzicht bevat een berekening van de reisuren vanaf 30 mei 2005 tot 1 juli 2009, welke neerkomt op een bedrag van € 15.977,64 bruto. Het aantal reisuren is berekend met behulp van artikel 40 lid 3 cao aan de hand van het aantal gereisde kilometers (volgens de ANWB-routeplanner), waarbij een onderscheid is gemaakt tussen reisuren op grond van artikel 40 lid 1 sub a van de cao (zonder bijrijder) en artikel 40 lid 1 sub b van de cao (met bijrijder).

[geintimeerde] heeft de door [appellant] overgelegde berekening van de reisurenvergoeding inhoudelijk niet bestreden. Volgens [geintimeerde] ontvangt echter niemand een reisurenvergoeding, aangezien de reisuren normaal gesproken tijdens de werktijd vallen. Naar het oordeel van het hof heeft [geintimeerde] hiermee de vorderingen van [appellant] onvoldoende gemotiveerd weersproken. De enkele stelling dat reisuren normaal gesproken tijdens de werktijd vallen, betekent immers nog niet (zonder meer) dat – en wanneer - dit met betrekking tot [appellant] ook het geval is geweest. Van [geintimeerde], die als werkgever geacht mag worden over de desbetreffende informatie te beschikken, had mogen worden verwacht dat zij haar verweer omtrent het reizen binnen werktijd met concrete gegevens zou hebben onderbouwd.

Bij de door [appellant] gevorderde verklaring voor recht heeft hij - naast toewijzing van voormelde vordering - onvoldoende belang voor zover deze betrekking heeft op de toepasselijkheid van artikel 40 cao met betrekking tot de periode tot 1 juli 2009. Ook de vordering tot betaling door [geintimeerde] van de reisurenvergoeding over de periode vanaf 1 juli 2009 tot de dag der rechtsgeldige beëindiging van zijn dienstbetrekking, komt niet voor toewijzing in aanmerking. Wel toewijsbaar is de gevorderde verklaring voor recht dat [appellant] recht heeft op een reisurenvergoeding voor zover betrekking hebbende op de periode vanaf 1 juli 2009 tot de dag der rechtsgeldige beëindiging van de dienstbetrekking, en wel op grond van de in die periode van kracht zijnde cao, een en ander behoudens relevante wijzigingen in die cao.

De door [appellant] gevorderde wettelijke rente zal over de reiskosten/kilometervergoeding worden toegewezen vanaf 12 april 2007 (14 dagen na de datum van de eerste sommatiebrief) en vervolgens telkens vanaf de vervaldata van de verschuldigde bedragen, nu niet gebleken is dat [geintimeerde] eerder in verzuim is gekomen. Over de door [appellant] eerst in hoger beroep gevorderde chauffeursvergoeding en vergoeding voor reisuren wordt de wettelijke rente toegewezen vanaf 4 augustus (de datum van de memorie van grieven). Met betrekking tot de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten ad € 952,- heeft [appellant] in zijn memorie van grieven gemotiveerd uiteen gezet welke werkzaamheden door zijn gemachtigde zijn verricht om de onderhavige kwestie in der minne te regelen en heeft hij onderbouwd dat [appellant] op grond van de Algemene Voorwaarden van FNV Bouw gehouden is de buitengerechtelijke kosten aan FNV Bouw te vergoeden indien deze verhaalbaar zijn op een derde. [geintimeerde] heeft in hierop in zijn memorie van antwoord niet meer gereageerd, zodat ook deze vordering voor toewijzing in aanmerking komt.

4. Slotsom

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen en ter zake opnieuw recht doen. Een en ander leidt ertoe dat beslist zal worden zoals hierna in het dictum weer te geven. Bij deze stand van zaken zal [geintimeerde] als de overwegend in het ongelijk gestelde partij worden verwezen in de kosten van het hoger beroep als ook in de kosten van de eerste aanleg.

5. Beslissing

Het hof:

vernietigt het vonnis van 13 november 2008;

en opnieuw rechtdoende:

veroordeelt [geintimeerde] om aan [appellant] te voldoen het bedrag van € 8.612,38 netto aan kilometervergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente over het op 12 april 2007 verschuldigde vanaf die datum en voorts telkens vanaf de vervaldata tot de dag der voldoening, alsmede tot betaling aan [appellant] van het bedrag van € 2.201,42 netto aan chauffeursvergoeding en het bedrag van € 15.977,64 bruto wegens reisuren, beide bedragen te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 21 juli 2009 tot de dag der voldoening;

verklaart voor recht dat [appellant] recht heeft op de kilometervergoeding en chauffeurstoeslag alsmede de reisuren-vergoeding over de periode vanaf 1 juli 2009 tot de dag der rechtsgeldige beëindiging van zijn dienstverband, en wel op grond van de in die periode van kracht zijnde cao, een en ander behoudens relevante wijzigingen in die cao, te vermeerderen met de wettelijke rente over deze bedragen telkens vanaf de vervaldata;

veroordeelt [geintimeerde] om aan [appellant] te betalen een bedrag van € 952,- aan buitengerechtelijke kosten;

verwijst [geintimeerde] in de proceskosten in eerste aanleg en begroot deze kosten aan de zijde van [appellant] tot op 13 november 2008 op € 286,44 wegens verschotten en € 300,- wegens salaris;

verwijst [geintimeerde] in de proceskosten in hoger beroep en begroot deze kosten aan de zijde van [appellant] tot aan deze uitspraak op € 347,98 wegens verschotten en € 1.158,- wegens salaris;

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het door [appellant] meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. A.M.A. Verscheure, J.E. Molenaar en A.R. Sturhoofd en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 28 december 2010.

De gegevens worden opgehaald

Hulp bij zoeken

Er is een uitgebreide handleiding beschikbaar voor het zoeken naar uitspraken, met onder andere uitleg over:

Selectiecriteria

De Rechtspraak, Hoge Raad der Nederlanden en Raad van State publiceren uitspraken op basis van selectiecriteria:

  • Uitspraken zaken meervoudige kamers
  • Uitspraken Hoge Raad en appelcolleges
  • Uitspraken met media-aandacht
  • Uitspraken in strafzaken
  • Europees recht
  • Richtinggevende uitspraken
  • Wraking

Weekoverzicht

Selecteer een week en bekijk welke uitspraken er in die week aan het uitsprakenregister zijn toegevoegd.