zaaknr. HD 200.008.216
ARREST VAN HET GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH,
sector civiel recht,
tweede kamer, van 24 november 2009,
gewezen in de zaak van:
[X.],
wonende te [woonplaats],
appellant bij exploot van dagvaarding van 28 maart 2008,
advocaat: mr. Ph.C.M. van der Ven,
tegen:
de besloten vennootschap [Y.] Veilingen B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats],
geïntimeerde bij gemeld exploot,
advocaat: mr. M.J.W. van Ingen,
op het hoger beroep van het door de rechtbank Breda, sector kanton, locatie Breda, gewezen vonnis van 9 januari 2007 tussen appellant – [X.] - als eiser en geïntimeerde - [Y.] - als gedaagde.
1. Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 458482/CV 07-6266)
Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis, waarin de vorderingen van [X.] werden afgewezen.
2. Het geding in hoger beroep
2.1. Bij memorie van grieven heeft [X.] vijftien grieven aangevoerd, twee producties in het geding gebracht en geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en, kort gezegd, tot toewijzing van zijn vordering tot ontbinding van de koopovereenkomst en veroordeling van [Y.] tot terugbetaling van de koopsom, vermeerderd met € 275,=, zijnde de kosten van het door [X.] in dit hoger beroep in het geding gebrachte taxatierapport, alles zoals nader gespecificeerd in de conclusie bij die memorie.
2.2. Bij memorie van antwoord heeft [Y.] de grieven bestre¬den onder overlegging van een productie.
2.3. Daarna is door [X.] nog een akte uitlating producties en overlegging producties genomen. [X.] heeft daarbij zes producties (de producties 3 t/m 8) overgelegd. Op deze akte is door [Y.] bij antwoordakte gereageerd.
2.4. Partijen hebben daarna de gedingstukken overgelegd en uitspraak gevraagd. In het dossier van appellant ontbreken de aantekeningen van de in eerste aanleg gehouden comparitie en de antwoordakte d.d. 14 april 2009 in dit hoger beroep.
3. De gronden van het hoger beroep
De grieven kunnen worden herleid tot de klacht dat de rechtbank de vordering van [X.] ten onrechte heeft afgewezen. Voor de inhoud van de grieven wordt verwezen naar de memorie van grieven.
4. De beoordeling
4.1. In overweging 3.1. heeft de kantonrechter vastgesteld van welke feiten in dit geschil wordt uitgegaan. De door de kantonrechter vastgestelde feiten, welke niet zijn betwist, vormen ook in hoger beroep het uitgangspunt.
4.2. Het gaat in dit hoger beroep om het volgende.
[Y.] is een veilinghuis dat een grote diversiteit aan objecten veilt waaronder kunst en antiek. [X.] is verzamelaar van keramiek. [X.] heeft via de website van [Y.] de catalogus geraadpleegd van een veiling van kunst en antiek op 9 juni 2007 en interesse opgevat voor een aantal stukken keramiek, in het bijzonder een Rozenburg vaas. Op een kijkdag heeft [X.] de vaas bekeken en in handen gehad. Desgevraagd is op de kijkdag door een medewerkerster van [Y.] aan [X.] meegedeeld dat de vaas bij haar weten geen restauraties had. [X.] heeft op de veiling op 9 juni op de vaas geboden en die toegewezen gekregen voor een bedrag van € 1.600,= te vermeerderen met een opslag van 26% voor de veilinghouder. Bij faxbericht van 6 augustus 2007 heeft [X.] aan [Y.] meegedeeld dat de hals van de vaas op 4 augustus 2007 is gebroken op een oud breukvlak en dat hij niet deze prijs zou hebben betaald als hij zou hebben geweten van de bij voormelde breuk ontdekte oude restauratie. [X.] heeft daarbij gevraagd om overleg om tot een oplossing te komen. [Y.] heeft dit verzoek onder meer onder verwijzing naar art. 4a uit de door [Y.] gehanteerde veilingvoorwaarden afgewezen. Art. 4a van de veilingvoorwaarden van [Y.] luidt (voor zover relevant):
“Art. 4a
In afwijking van het bepaalde in art. 4 is de veilinghouder bereid het geveilde tegen gelijktijdige restitutie van verkoopprijs en opgeld terug te nemen, indien de koper binnen een periode van DRIE WEKEN na de verkoop ten genoegen van de veilinghouder bewijst dat de verstrekte omschrijving zodanig onjuist is, dat indien de juiste omschrijving aan de koper op het ogenblik van de koop bekend was geweest, hij van de koop zou hebben afgezien of slechts tegen aanmerkelijk lagere prijs gekocht zou hebben.”
Na enige faxwisseling heeft [X.] bij fax van 10 augustus 2007 de nietigheid, subsidiair ontbinding van de koopovereenkomst ingeroepen.
4.3. In de onderhavige procedure vordert [X.] dat de koopovereenkomst op grond van een tekortkoming van [Y.] wordt ontbonden, althans op grond van dwaling wordt vernietigd.
4.4. [X.] heeft aan zijn vorderingen –kort samengevat- het volgende ten grondslag gelegd. De zaak beantwoordt niet aan de overeenkomst omdat de vaas gerestaureerd blijkt te zijn. [X.] mocht verwachten dat de vaas in gave staat verkeerde als gevolg van de niet-vermelding van enige restauratie in de beschrijving van de vaas in de catalogus van [Y.], nu restauraties en gebreken doorgaans in de veilingcatalogus worden vermeld. Dat de vaas gerestaureerd was had [Y.] moeten weten, nu van haar als veilinghouder en keramiek deskundige verwacht mag worden dat zij daarnaar onderzoek gedaan zou hebben, alvorens de vaas ter veiling aan te bieden. Als [X.] geweten had dat de vaas niet gaaf was, had hij nooit de thans betaalde prijs geboden.
4.5. [Y.] heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Dat verweer houdt –kort gezegd- het volgende in. De vaas beantwoordt aan de overeenkomst omdat [X.] de species zaak die hij heeft gekocht geleverd heeft gekregen. [X.] mocht niet verwachten dat de vaas in gave staat verkeerde omdat in de catalogus niet is vermeld dat de vaas gaaf is. [X.] kocht op een kunst en antiek veiling. Op veilingen worden niet alle restauraties of gebreken in de catalogus vermeld. De kijkdagen zijn bedoeld om kopers in de gelegenheid te stellen eigen onderzoek naar de aangeboden objecten te verrichten. [X.] is collectioneur. [X.] heeft de kijkdag bezocht en de vaas bekeken. Hij had zelf een deskundige mee kunnen nemen om na te gaan of de vaas gaaf was, maar heeft dat nagelaten. [Y.] wist niet van de restauratie van de vaas en had daarvan ook niet op de hoogte hoeven zijn. De eigenaar die de zaak door [Y.] liet veilen wist er ook niet van. [Y.] is geen gespecialiseerd taxateur. Van [Y.] als veilinghouder kan niet worden verlangd dat alle aangeboden objecten zo grondig worden onderzocht dat zij voor afwezigheid van restauraties kan instaan als die niet in de catalogus vermeld zijn. Op basis van het geboden bedrag hoefde [Y.] niet te weten dat het [X.] uitsluitend om een gave vaas te doen was. Het betreft immers een veiling. De hoogste bieder ontvangt het object. Indien [X.] zou kunnen aantonen dat hij heeft gedwaald bij de koop, dan had hij conform het bepaalde in art. 4a van de veilingvoorwaarden binnen drie weken na de koop de vaas nog terug kunnen geven, mits die nog in dezelfde staat verkeerde. Dat artikel behelst geen garantie, maar is een service van [Y.].
4.6. De kantonrechter heeft zowel het beroep op dwaling als op ontbinding wegens een tekortkoming ex art. 6:265 jo art. 7:17 BW afgewezen. Tegen de vaststelling door de kantonrechter dat [Y.] in deze zaak als middellijk vertegenwoordiger voor de voormalige eigenaar/verkoper van de vaas is opgetreden is door geen van partijen een grief aangevoerd, zodat daarvan ook in hoger beroep wordt uitgegaan. In hoger beroep concentreert het debat tussen partijen zich op de vraag of de door [X.] gekochte vaas de eigenschappen bezat die hij op grond van de overeenkomst mocht verwachten. Het hof zal die vraag hierna eerst behandelen en daarbij waar nodig ingaan op afzonderlijke grieven.
4.7. Bij de vraag of sprake is van non-conformiteit en daarmee van een tekortkoming, is het in art. 7:17 lid 2 BW neergelegde criterium het uitgangspunt. De koper mag verwachten dat de zaak de eigenschappen bezit die voor een normaal gebruik van de zaak nodig zijn en waaraan de koper niet hoefde te twijfelen, mede gelet op de aard van de zaak en de mededelingen die de verkoper over de zaak heeft gedaan.
4.8. In deze zaak kocht [X.] op een veiling een meer dan honderd jaar oude vaas ter uitbreiding van zijn collectie. Het is een feit van algemene bekendheid dat op veilingen door de veilinghouder voor derden zaken worden geveild die van een zodanige leeftijd en type zijn dat niet zondermeer verwacht kan worden dat zij in perfecte staat zijn. Kijkdagen dienen onder andere om geïnteresseerde kopers in de gelegenheid te stellen de aangeboden zaken te inspecteren. In de catalogus stond niet vermeld dat de vaas gaaf, ongeschonden of niet gerestaureerd was. Als niet of onvoldoende weersproken stelt het hof vast dat op de betreffende veiling en bovenaan de kavellijst in de papieren versie van de veilingcatalogus vermeld stond dat eventuele restauratie en/of gebreken niet altijd zijn vermeld. Op schades of restauraties diende [X.] dan ook bedacht te zijn. Daaraan doet niet af dat in de catalogus hier en daar bij een kavel wel iets vermeld stond over een restauratie of beschadiging. De stelling dat restauraties doorgaans in catalogi worden vermeld is door [X.] niet nader onderbouwd. [X.] heeft een kijkdag bezocht en de vaas naar eigen zeggen daar ook ter inspectie in handen gehad. Met [Y.] is het hof van oordeel dat het op de weg van [X.] lag om, zo hij het van belang achtte dat de vaas geen restauraties had ondergaan en zichzelf als collectioneur niet deskundig genoeg achtte, een expert of taxateur mee te nemen om de vaas te onderzoeken.
4.9. Op de verkoper van een zaak rust op grond van art. 7:17 BW een mededelingsplicht indien hij weet of moet weten dat de zaak ongeschikt is voor het gebruik dat een koper voor ogen staat of indien hij kennis draagt van feiten waarvan hij weet of moet begrijpen dat kennisneming daarvan voor de koper van belang is voor zijn beslissing tot aankoop. Dat bij [Y.] een wetenschap heeft bestaan als hiervoor omschreven is niet gebleken. [Y.] heeft onweersproken gesteld dat de vaas met restauratie voor het gebruik als kunstobject geschikt was. [Y.] heeft voorts onweersproken gesteld dat de restauratie noch bij haar, noch bij de voormalig eigenaar van de vaas bekend was.
Door [X.] wordt niet betwist dat [Y.] het bij haar gebruikelijke onderzoek heeft verricht en de restauratie niet heeft opgemerkt. [X.] stelt echter dat [Y.] bij een mate van onderzoek die van haar als veilingmeester mocht worden verwacht de halsbreuk had moeten opmerken. Met het door [X.] als productie 2 bij memorie van grieven in het geding gebrachte rapport van register taxateur [Z.], wordt de juistheid van die stelling niet aangetoond. [Z.] merkt slechts in het algemeen op: “Zoals mijn korte inspectie van uw vaas aantoonde kan een specialist de restauratie opmerken. Experts op het gebied van keramiek zijn vertrouwd met de gebruikelijke manieren van restaureren en onderzoeken objecten op de kenmerken hiervan. Van andere professionals in de kunstmarkt, waaronder handelaren en veilinghouders, kan men redelijkerwijs aannemen dat ze objecten grondig onderzoeken aangezien ze hier een commercieel belang bij hebben.”
Hieruit blijkt niet dat [Y.] als veilingmeester de restauratie had moeten ontdekken, noch dat [Y.] te beschouwen is als expert op het gebied van keramiek. Aan de mededeling van een medewerkster van [Y.] op de kijkdag dat bij haar geen restauraties aan de vaas bekend waren, kan naar het oordeel van het hof mede in dat licht niet de betekenis worden gehecht, die [X.] daaraan hecht, te weten een mededeling waaruit hij mocht concluderen dat de vaas gaaf was en niet was gerestaureerd.
De stelling dat [Y.] uit de hoogte van het door [X.] geboden bedrag had moeten begrijpen dat hij een gave vaas verwachtte, kan het hof niet volgen. De prijs voor een object wordt op de veiling bepaald door de hoogste bieder. Voor de hoogte van dat bod kan de bieder tal van redenen hebben, zodat de veilinghouder uit de hoogte van dat bod nog niet zondermeer hoeft te begrijpen dat de bieder van een onjuiste voorstelling van zaken uitgaat. Dat geldt in dit geval temeer nu [X.] een prijs bood die ruim boven de in de catalogus opgenomen richtprijs lag.
4.10. Op grond van het voorgaande is het hof met de kantonrechter van oordeel dat er geen sprake is van een tekortkoming ex art. 6:265 jo 7:17 BW omdat [X.] als koper op een veiling van een vaas van keramiek, die is bestemd voor gebruik als kunstobject, niet zondermeer de eigenschap mocht verwachten dat de vaas ongeschonden, althans niet gerestaureerd zou zijn. De grieven 2, 3, 4, 5, 7, 8 9, 14 en 15 falen.
4.11. Gezien het voorgaande kan het onder grief 11 terzijde gedane beroep op de nietigheid van de in art. 4a van de door [Y.] gehanteerde veilingvoorwaarden onbesproken blijven.
4.12. Onder verwijzing naar wat het hof hiervoor onder 4.9. en 4.10. heeft overwogen oordeelt het hof ten aanzien van het beroep op dwaling als volgt. Voor dwaling geldt dat deze als regel voor rekening van de dwalende blijft. Een uitzondering wordt gemaakt voor (kort gezegd)de gevallen waarin de dwaling te wijten is aan a) een inlichting van de wederpartij, b) het schenden van een spreekplicht door de wederpartij, of c) het feit dat ook de wederpartij bij het sluiten van de overeenkomst van dezelfde onjuiste veronderstelling is uitgegaan.
4.13. De beschrijving van de vaas in de catalogus zonder vermelding van de breuk kan naar het oordeel van het hof niet beschouwd worden als een inlichting van [Y.], die bij [X.] een onjuiste voorstelling van zaken heeft veroorzaakt als bedoeld in art. 6:288 lid 1 onder a). Voorts heeft [Y.] geen mededelingsplicht geschonden als bedoeld in art. 6:228 lid 1 onder b) BW nu [Y.] de restauratie niet kende of behoorde te kennen.
Van wederzijdse dwaling als bedoeld in art. 6:228 lid 1 sub c) is evenmin sprake. Weliswaar kan gesteld worden dat ook [Y.] niet wist van de restauratie, maar dat betekent nog niet dat [Y.] er vanuit ging dat er van restauratie gegarandeerd geen sprake was.
De grieven 1, 6, 10, 11, 12 en 13 falen.
4.14. Nu alle grieven falen, zal het hof het vonnis waarvan beroep bekrachtigen en [X.] in de kosten van het hoger beroep veroordelen.
5. De uitspraak
Het hof:
bekrachtigt het vonnis waarvan beroep onder aanvulling en verbetering van de gronden zoals hiervoor is overwogen;
veroordeelt [X.] in de proceskosten van het hoger beroep, welke kosten aan de zijde van [Y.] tot de dag van deze uitspraak worden begroot op € 254,= aan verschotten en € 948,= (1,5 punt à € 632,=) aan salaris advocaat;
verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.
Dit arrest is gewezen door mrs. Van Schaik, Fikkers en Van Craaikamp en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 24 november 2009.