WAHV 05/00609
7 juli 2005
CJIB 39074648154
Gerechtshof te Leeuwarden
Arrest
op het hoger beroep tegen de beslissing
van de kantonrechter van de rechtbank te Arnhem
van 12 januari 2005
betreffende
[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),
wonende te [woonplaats]
1. De beslissing van de kantonrechter
De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie in het arrondissement Arnhem ongegrond verklaard. De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
2. Het procesverloop
De betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.
De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld een verweerschrift in te dienen, maar heeft van deze mogelijkheid geen gebruik gemaakt.
3. Beoordeling
3.1. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van Euro 140,- opgelegd ter zake van "als bestuurder tijdens het rijden een mobiele telefoon vasthouden (feitcode R545)", welke gedraging zou zijn verricht op
12 mei 2004 om 15.00 uur op de Groenestraat in Nijmegen.
3.2. De bij feitcode R545 behorende gedraging is een overtreding van art. 61a van het Reglement verkeersregels en verkeersteken 1990 (RVV 1990). Deze bepaling houdt het volgende in: "Het is degene die een motorvoertuig, bromfiets of invalidenvoertuig bestuurt verboden tijdens het rijden een mobiele telefoon vast te houden.".
3.3. De betrokkene ontkent niet de gedraging te hebben verricht. Zijn betoog strekt ertoe dat hij de telefoon niet heeft gebruikt en dat bovenstaande wettelijke bepaling een willekeurige handeling verbiedt, in tegenstelling tot het vasthouden van eten, drinken of andere voorwerpen dan mobiele telefoons. De betrokkene is kennelijk van mening dat bovenstaande wettelijke bepaling buiten toepassing moet blijven.
3.4. De Nota van toelichting bij het Besluit van 4 februari 2002 tot wijziging van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (verbod handmatig telefoneren), Stb. 2002, 67, houdt onder meer in:
"Het handmatige telefoneren en het gelijktijdig besturen van een
motorvoertuig, invalidenvoertuig of bromfiets vormt een gevaar voor de
verkeersveiligheid. De Stichting Wetenschappelijk Onderzoek Verkeersveiligheid
schat dat per jaar in het verkeer enkele tientallen doden en bijna
driehonderd gewonden vallen door het gebruik van de mobiele telefoon.
De oorzaak hiervan is gelegen in een tweetal factoren. Ten eerste is bij het
handmatig telefoneren - vaak gedurende enige tijd - slechts één hand
beschikbaar voor het verrichten van de noodzakelijke verkeershandelingen.
Ten tweede wordt de aandacht van de bestuurder door het voeren
van een telefoongesprek afgeleid van de verkeerssituatie. Door de combinatie
van deze twee factoren ontstaat een niet te veronachtzamen risico
voor de verkeersveiligheid.",
alsook:
"In artikel 61a RVV 1990 wordt gesproken van het vasthouden van een
mobiele telefoon en niet van telefoneren. Hiervoor zijn verschillende
redenen te geven. Ten eerste wordt hiermee de afwijzing van het fysieke
aspect van het handmatig telefoneren beter tot uitdrukking gebracht.
Onder vasthouden wordt verstaan het in de hand houden, het tussen oor
en schouder geklemd houden etc. Ten tweede kan bij de term telefoneren
onduidelijkheid bestaan wanneer daarvan sprake is. Is dat op het moment
dat de telefoon ter hand wordt genomen, een nummer wordt ingetoetst of
bijvoorbeeld op het moment dat de verbinding tot stand komt. Ten derde
wordt met de term telefoneren de reikwijdte beperkt tot de overdracht van
spraak. Door de gekozen formulering van artikel 61a RVV 1990 wordt
tevens het verzenden of ontvangen en lezen van SMS-berichten of
e-mailberichten of het internetten met een mobiele telefoon tijdens het
rijden onder de verbodsbepaling gebracht. Ten vierde heeft het openbaar
ministerie aangegeven dat een verbod op het telefoneren aanzienlijk
moeilijker te handhaven is dan een verbod op het vasthouden van een
mobiele telefoon. Immers steeds zal moeten worden vastgesteld dat ook
daadwerkelijk werd getelefoneerd met het apparaat. Het is niet onaannemelijk
dat de verdachte zich zal verweren met de mededeling dat hij
weliswaar met een telefoon aan het oor zat, maar dat er geen verbinding
was en dat hij dus niet daadwerkelijk aan het telefoneren was. Hoewel,
zoals in paragraaf 3 wordt omschreven, in dergelijke gevallen de officier
van justitie wel inlichtingen betreffende de telecommunicatie kan
vorderen teneinde vast te stellen of ook daadwerkelijk gebruik is gemaakt
van de mobiele telefoon, is een verbod op het vasthouden van dergelijke
apparatuur aanzienlijk eenvoudiger te handhaven.".
3.5. Het staat de rechter niet vrij art. 61a RVV 1990 buiten toepassing te laten. In acht genomen de inhoud van de Nota van Toelichting, zoals hiervoor vermeld, is het door de betrokkene gestelde - nog daargelaten de juistheid van betrokkenes stelling dat hij de telefoon niet heeft gebruikt, gelet op zijn verklaring bij staandehouding - niet van dien aard dat dit het opleggen van de onderhavige administratieve sanctie niet billijkt of tot matiging van de opgelegde sanctie dient te leiden.
3.6. De betrokkene voert nog terecht aan dat de kantonrechter ten onrechte heeft overwogen dat aan de betrokkene als kentekenhouder een sanctie is opgelegd. Gelet op de inhoud van het dossier is hier sprake van een kennelijke vergissing. Naar het oordeel van het hof wordt de betrokkene door deze vergissing niet in zijn belangen geschaad. Daarom zal het hof de beslissing van de kantonrechter verbeterd lezen in die zin dat voornoemde passage als niet geschreven wordt beschouwd.
3.7. De bestreden beslissing zal worden bevestigd.
4. De beslissing
Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter.
Dit arrest is gewezen door mr. Van Wagtendonk, in tegenwoordigheid van mr. Hiemstra als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.