WAHV 01/00153
3 april 2002
CJIB 34000116
Gerechtshof te Leeuwarden
Arrest
op het hoger beroep tegen de beslissing
van de kantonrechter te Rotterdam
van 16 februari 2001
betreffende
[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),
wonende te [woonplaats]
1. De beslissing van de kantonrechter
De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie in het arrondissement Rotterdam ongegrond verklaard. De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
2. Het procesverloop
De betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.
De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld een verweerschrift in te dienen, maar heeft van deze mogelijkheid geen gebruik gemaakt.
Bij brief van 17 januari 2002 heeft het hof aan de advocaat-generaal een vraag gesteld.
Bij brief van 15 februari 2002 heeft de advocaat-generaal deze vraag beantwoord.
Bij brief van 28 februari 2002 heeft de betrokkene van de gelegenheid gebruik gemaakt om op voormeld schrijven van de advocaat-generaal te reageren.
3. Beoordeling
3.1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van fl 240,-- opgelegd ter zake van "voetganger (voornemens) op voetgangersoversteekplaats (over te steken) niet voor laten gaan", welke gedraging zou zijn verricht op 20 mei 2000 op de Nieuwe Binnenweg in de gemeente Rotterdam.
3.2. De betrokkene voert in de eerste plaats aan, zakelijk weergegeven, dat voor de verbalisante de mogelijkheid bestond om hem staande te houden en dat zulks ten onrechte niet is geschied.
3.3. Art. 5 WAHV bepaalt - voor zover hier van belang - dat indien is vastgesteld dat de gedraging heeft plaatsgevonden met of door middel van een motorrijtuig waarvoor een kenteken is opgegeven, en niet aanstonds is vastgesteld wie daarvan de bestuurder is, de administratieve sanctie wordt opgelegd aan degene op wiens naam het kenteken ten tijde van de gedraging in het kentekenregister was ingeschreven. Deze bepaling moet aldus worden verstaan dat ingeval zich een reële mogelijkheid tot staandehouding van de bestuurder van het motorrijtuig, waarmee de geconstateerde gedraging is verricht, voordoet, die bepaling buiten toepassing dient te blijven en de sanctie aan die bestuurder dient te worden opgelegd (HR 1 februari 2000, VR 2000/104).
3.4. Bij de stukken van het geding bevindt zich een deels ingevulde en kennelijk niet aan de betrokkene uitgereikte Aankondiging van Beschikking d.d. 20 mei 2000 op ambtsbelofte opgemaakt door de verbalisante, die betrekking heeft op de onderhavige gedraging en die inhoudt, voor zover hier van belang, als vermelding van de verbalisante dat in verband met een melding de bestuurder niet kon worden staande gehouden. De verbalisante heeft desgevraagd medegedeeld, dat zij zich de melding niet meer kan herinneren en dat in de computersystemen niet meer te achterhalen valt welke melding het hier betrof. Voorts heeft zij verklaard dat de melding van groot belang moet zijn geweest, bijv. een "overval(alarm)" of een "inbraak heterdaad", omdat zij in elk ander geval de bestuurder zou hebben staande gehouden. Het hof acht aannemelijk dat de melding een hogere prioriteit had dan het staande houden van de betrokkene. Nu de verbalisante gevolg diende te geven aan de melding, staat naar het oordeel van het hof vast dat ten tijde van de constatering van de gedraging geen reële mogelijkheid bestond om de betrokkene staande te houden. Van handelen in strijd met art. 5 WAHV is derhalve geen sprake.
3.5. De betrokkene voert voorts aan dat de gedraging niet is verricht.
3.6. Het door de verbalisante op ambtsbelofte opgemaakte proces-verbaal, gedateerd 3 november 1900 -het hof begrijpt: 3 november 2000- houdt in als relaas van de verbalisante, zakelijk weergegeven: Op 20 mei 2000 omstreeks 16.07 uur reed ik in een herkenbaar dienstmotorvoertuig op de Heemraadssingel in de richting van de Mathenesserlaan te Rotterdam. Gekomen op de kruising Heemraadssingel/Nieuwe Binnenweg, zag ik dat op de Nieuwe Binnenweg in de richting van de 's-Gravendijkwal een personenauto reed voorzien van het kenteken [kenteken]. Deze personenauto naderde mij van links. Op de Heemraadssingel, nabij de kruising van de Nieuwe Binnenweg is een voetgangersoversteekplaats gesitueerd. Ik zag dat via deze voetgangersoversteekplaats twee mensen overstaken. Terwijl de voetgangers de voetgangersoversteekplaats op de Heemraadssingel overstaken, zag ik dat de genoemde personenauto linksaf sloeg, de Heemraadssingel op en in de richting van de Mathenesserlaan. Ik zag dat de genoemde voetgangers hierdoor moesten stilhouden om een aanrijding met de personenauto te voorkomen.
3.7. Mede inachtgenomen de omstandigheid dat de betrokkene niet ontkent ten tijde en ter plaatse van de geconstateerde gedraging het vorenbedoelde motorvoertuig te hebben bestuurd - blijkens het proces-verbaal van de behandeling ter terechtzitting van de kantonrechter heeft de betrokkene verklaard aldaar te hebben gereden- is naar de overtuiging van het hof op grond van het hiervoor onder 3.6. overwogene komen vast te staan, dat de betrokkene de gedraging heeft verricht, met dien verstande dat de gedraging is verricht op de Heemraadssingel te Rotterdam en niet, zoals in de initiële beschikking is vermeld, op de Nieuwe Binnenweg te Rotterdam. Dit behoeft niet tot vernietiging van de initiële beschikking te leiden, aangezien is gebleken dat bij de betrokkene geen misverstand is ontstaan omtrent de vraag op welke gedraging de administratieve sanctie betrekking heeft en waartegen hij zich heeft te verdedigen.
3.8. Gelet op het vorenoverwogene zal de beslissing waarvan beroep worden bevestigd.
4. De beslissing
Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter.
Dit arrest is gewezen door mrs Vellinga, Huisman en Van Dijk, in tegenwoordigheid van mr Wijma als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.