Procedure bij de rechtbank
2. [de CV] heeft in eerste aanleg in conventie gevorderd dat [de Holding] c.s. bij voor zover mogelijk uitvoerbaar voorraad te verklaren vonnis, hoofdelijk worden veroordeeld (1) aan haar een bedrag te betalen van € 58.500,-- te vermeerderen met wettelijke rente, (2) inzage te verlenen in de volledige administratie van [de Holding], op straffe van verbeurte van een dwangsom, (3) aan haar buitengerechtelijke incassokosten ten bedrag van € 1.360,-- te voldoen en (4) de proceskosten te betalen.
3. [de CV] heeft, kort gezegd, aan deze vorderingen ten grondslag gelegd dat [de Holding] op grond van de koopovereenkomst nog een bedrag van € 58.500,-- aan koopsom dient te betalen. [de Holding] heeft niet aan deze betalingsverplichting voldaan. Daarnaast heeft [de Holding] niet voldaan aan haar uit de koopovereenkomst voortvloeiende verplichting om [de CV] inzage te geven in de volledige administratie van haar onderneming. [de Holding] handelt onrechtmatig jegens [de CV] doordat [de Holding] welbewust haar contractuele verplichtingen niet nakomt. Dit is te wijten aan de opstelling van [Beheer] en [appellant 3]. Hiervan valt [Beheer] en [appellant 3] een persoonlijk ernstig verwijt te maken. Op deze grond zijn ook zij aansprakelijk voor de schade die [de CV] lijdt doordat [de Holding] haar contractuele verplichtingen niet nakomt. [de Holding] c.s. hebben hiertegen verweer gevoerd.
4. [de Holding] heeft in eerste aanleg in reconventie gevorderd dat [de CV] bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis wordt veroordeeld (1) aan haar een bedrag te betalen van € 200.000,-- en (2) een bedrag van € 166.591,59, althans in goede justitie te bepalen bedragen, beide bedragen te vermeerderen met wettelijke rente en (3) de proceskosten te betalen.
5. [de Holding] heeft aan deze vorderingen, kort gezegd, ten grondslag gelegd dat [de CV] (i) in strijd met artikel 10.1 geen werkzaamheden voor [de Holding] heeft verricht. Daarnaast heeft [de CV] het in artikel 10.2 overeengekomen non-concurrentiebeding geschonden door:
(ii) de samenwerking met [X] aan te gaan, waarbij klanten van [de Holding] zijn overgenomen die op grond van de koopovereenkomst aan [de Holding] toebehoorden;
(iii) vanaf 2016 concurrerende werkzaamheden te verrichten vanuit [vestigingsplaats], dat gelegen is binnen een straal van 75 km van Gorinchem en
(iv) de met [X] opgebouwde assurantieportefeuille aan [X] over te dragen.
Op grond van de onder (iii) en (iv) genoemde schendingen van de contractuele verplichtingen vordert [de Holding] de in artikel 12 overeengekomen contractuele boetes. Met de onder (i) en (ii) genoemde schendingen heeft [de CV] volgens [de Holding] onrechtmatig jegens haar gehandeld, waardoor [de Holding] schade heeft geleden. [de CV] heeft deze vorderingen betwist.
6. De rechtbank heeft in conventie [de Holding] veroordeeld om aan [de CV] te betalen een bedrag van € 58.500,-- (restant koopsom per 1 februari 2015 op grond van artikel 5.2 van de koopovereenkomst) en € 1.360,-- (buitengerechtelijke kosten). Verder is [de Holding] veroordeeld om binnen 30 dagen na betekening van het vonnis inzage te geven in de in het dictum genoemde financiële en administratieve gegevens, haar volledige medewerking te verlenen aan een door [de CV] in te schakelen accountant bij de inzage en hem te voorzien van kopieën van de benodigde stukken, zulks op straffe van verbeurte van een direct opeisbare dwangsom van € 500,-- per dag dat [de Holding] nalaat aan deze veroordeling te voldoen, met een maximum van € 10.000,--. [de Holding] is tot slot in conventie veroordeeld in de proceskosten. De vorderingen tegen [Beheer] en [appellant 3] zijn afgewezen.
7. In reconventie heeft de rechtbank [de CV] veroordeeld tot het betalen van een schadevergoeding aan [de Holding], op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, en [de CV] veroordeeld in de proceskosten. Het meer of anders gevorderde is afgewezen.
8. De rechtbank heeft daartoe geoordeeld dat de gevorderde contractuele boetes van
€ 100.000,-- elk, op grond van de overdracht van de portefeuille aan [X] en de gestelde concurrerende activiteiten vanuit de vestiging van [de CV] in [vestigingsplaats] niet toewijsbaar zijn. Dit zelfde geldt voor de gevorderde schade ad € 127.198,-- in verband met, kort gezegd, de gestelde schending door [de CV] van de verplichting uit artikel 10.1 van de koopovereenkomst om tot 1 februari 2015 werkzaamheden te verrichten voor [de Holding]. [de CV] heeft naar het oordeel van de rechtbank niet in strijd gehandeld met het non-concurrentiegeding door tijdens haar samenwerking met [X] (als assurantietussenpersoon) klanten en verzekeringen over te nemen die behoorden tot de in de koopovereenkomst verkochte portefeuille. De rechtbank heeft tot slot geoordeeld dat [de CV] hiermee wel onrechtmatig heeft gehandeld jegens [de Holding], hetgeen zelfs het geval is indien- zoals [de CV] stelt – de betreffende klanten [de CV] zelf hebben benaderd. Naar het oordeel van de rechtbank is de door [de Holding] gevorderde schade ad € 39.395,59 in verband met daardoor gemiste provisieopbrengsten (nog) niet komen vast te staan en moet mogelijk – zoals [de CV] stelt – rekening worden gehouden met kosten voor behandeling. Om die reden heeft de rechtbank de zaak ter bepaling van de omvang van de schade verwezen naar de schadestaatprocedure.
Beoordeling van het hoger beroep
Het principaal appel
12. De principale grief I is gericht tegen r.o. 4.8 van het vonnis. In de toelichting op deze grief heeft [de CV] aangevoerd dat de vordering om naast [de Holding] ook [Beheer] en [appellant 3] in persoon veroordeeld te krijgen niet alleen betrekking heeft op de betaling van het bedrag € 58.500,-- maar ook op de vorderingen van [de CV] tot (i) het verlenen van inzage in de administratie van [de Holding] op straffe van verbeurte van een direct opeisbare dwangsom en (ii) het behoeden (van [de CV]) voor buitengerechtelijke kosten en proceskosten. Door bewust alle medewerking aan het verlenen van inzage in de administratie van [de Holding] te weigeren, waardoor [de CV] schade ondervindt, handelt niet alleen [de Holding] onrechtmatig maar handelen (juist) ook haar bestuurder [Beheer] en [appellant 3] in persoon onrechtmatig, aldus [de CV]
13. Deze grief faalt. Het hof overweegt dat [de CV] in de toelichting op deze grief heeft aangegeven dat [de Holding] het bedrag van € 58.500,-- heeft betaald. Reeds om deze reden is er in dit hoger beroep geen grond voor (en belang bij) een hoofdelijke veroordeling van [Beheer] en [appellant 3] tot betaling van dit bedrag. Dit nog daargelaten verenigt het hof zich met het in r.o. 4.8 gegeven oordeel van de rechtbank en de motivering daarvan. Het hof maakt dit oordeel tot het zijne. De rechtbank heeft terecht tot uitgangspunt genomen dat volgens vaste rechtspraak er alleen onder bijzondere omstandigheden naast aansprakelijkheid van de vennootschap ook ruimte is voor aansprakelijkheid van een (indirect) bestuurder van die vennootschap. Ook in dit hoger beroep zijn geen deugdelijke met feiten onderbouwde gronden aangevoerd die tot de slotsom moeten leiden dat hier van dergelijke bijzondere omstandigheden sprake is. Dit geldt meer in het bijzonder ook voor de stelling dat [Beheer] en [appellant 3] in het kader van de inzageverplichting van [de Holding] een persoonlijk ernstig verwijt treft. Dat dit het geval zou zijn is niet (deugdelijk) geconcretiseerd en met feiten onderbouwd (en is door [de Holding] c.s. in de memorie van antwoord gemotiveerd betwist).
14. Met de principale grieven II en III betoogt [de CV] dat de inzage in de administratie de jaren 2012, 2013, 2014 en een deel van 2015 dient te betreffen. De door de rechtbank aangebrachte beperking in de inzage is niet terecht. Verder keert [de CV] zich tegen de matiging van de gevorderde dwangsom.
15. In de toelichting op deze grieven heeft [de CV] aangevoerd dat om te kunnen verifiëren of de financiële grenzen die in artikel 5.2 van de koopovereenkomst zijn omschreven zijn gehaald nodig is dat zij inzage krijgt in de administratie van [de Holding] over de jaren 2012, 2013, 2014 en een deel van 2015. De rechtbank heeft ten onrechte deze vordering slechts gedeeltelijk toegewezen (en de inzage in de afrekenings- en rekening-courant overzichten van de verzekeringsmaatschappijen beperkt tot de periode december 2012 tot en met februari 2013). Verder is nog aangevoerd dat hiermee een mogelijk belang is gemoeid van € 166.500,-- (drie maal
€ 36.000,-- en één maal € 58.500,--, zoals genoemd in artikel 5.2 van de koopovereenkomst). Gelet op dit grote belang is een direct opeisbare dwangsom gevorderd van € 1.000,-- per dag dat [de Holding] nalaat aan de gevorderde inzage verplichting te voldoen, met een maximum van € 175.000,--. Deze dwangsom doet recht aan het financieel belang en het belang bij een vlotte afwikkeling dat [de CV] heeft. De rechtbank heeft de gevorderde dwangsom te onrechte gematigd tot de volstrekt ontoereikende bedragen van € 500,-- per dag met een maximum van € 10.000,--, aldus nog steeds [de CV]
16. In de memorie van antwoord heeft [de Holding] aangevoerd dat [de CV] geen belang heeft bij haar vordering omdat zij weet dat de jaarlijks door [de Holding] gerealiseerde doorloopprovisie niet hoger is dan € 156.000,--. Verder is nog aangevoerd dat [de CV] reeds inzage had kunnen verkrijgen in de door haar verzochte documenten indien zij haar accountant (conform het aan [de Holding] gedane verzoek, waarmee [de Holding] heeft ingestemd) contact had laten opnemen met [de Holding]. Dit heeft [de CV] nagelaten, als gevolg waarvan [de CV] kennelijk de door haar gewenste inzage nog niet heeft gehad. In dit licht bezien valt volgens [de Holding] c.s. niet in te zien welk belang [de CV] heeft bij grief II. Tot slot wordt betwist dat de door de rechtbank gematigde dwangsom onvoldoende zou zijn.
17. Het hof overweegt dat de rechtbank in r.o. 5.3, eerste gedachtestreepje, [de Holding] heeft veroordeeld om inzage te geven in de afrekenings- en rekeningcourant overzichten van de verzekeringsmaatschappijen over de periode december 2012 tot en met februari 2013. De vraag die hier beantwoord moet worden is of [de CV] een in rechte te respecteren belang heeft bij een veroordeling van [de Holding] om ook over de periode vanaf 1 maart 2013 tot en met 1 februari 2015 inzage te verkrijgen in deze gegevens. Naar het oordeel van het hof is dit niet het geval. Deze inzage dient om te kunnen beoordelen of [de CV] op de in artikel 5.2 van de koopovereenkomst genoemde peildata van 1 december 2013 en 1 december 2014 recht heeft op aanvullende betaling(en) van € 36.000,--. Dit is volgens [de CV] het geval als op deze peildata een doorloopprovisieomzet was gerealiseerd van € 135.000,--. Uit het debat tussen partijen (zoals weergegeven onder 23 en 24 (in de toelichting op grief V), volgt dat de doorloopprovisieomzet in 2012 tussen de € 120.000,-- en
€ 130.000,-- bedroeg en in de daaropvolgende periode (mede door het verlies van drie grote klanten) tot en met 2014 nog aanzienlijk is gedaald. Dit is door [de CV] niet, althans onvoldoende gemotiveerd betwist. Het hof merkt hierbij op dit mogelijk ook de reden is geweest waarom geen contact meer is opgenomen met [de Holding] voor verdere inzage in de administratie van [de Holding].
Het hof ziet gelet op hetgeen hiervoor is overwogen geen aanleiding om ten aanzien van de dwangsom en de maximering daarvan tot een ander oordeel te komen dan de rechtbank en neemt dit oordeel over. De grieven II en III treffen geen doel.
18. Met de principale grief IV betoogt [de CV] dat over het bedrag van
€ 58.500,-- niet de rente van artikel 6:119 BW is verschuldigd, maar de handelsrente van artikel 6:119a BW, omdat sprake is van een handelstransactie.
19. [de Holding] c.s. hebben in de memorie van antwoord aangevoerd dat ten aanzien van [Beheer] en [appellant 3] in elk geval geen aanspraak gemaakt kan worden op de wettelijke handelsrente ex artikel 6:119a BW omdat de vorderingen tegen deze partijen zijn gebaseerd op vermeend onrechtmatig handelen. Dit verweer behoeft verder geen bespreking omdat de vorderingen tegen [Beheer] en [appellant 3] zijn afgewezen en de daartegen gerichte grief is verworpen.
20. Bij eiswijziging in dit hoger beroep heeft [de CV] de wettelijke handelsrente gevorderd. Op de voet van artikel 6:119a BW heeft zij daar recht op, nu sprake is van een handelsovereenkomst. Deze grief treft dus doel. Het hof volgt [de Holding] c.s. niet in hun betoog dat de wettelijke handelsrente pas verschuldigd is vanaf 12 mei 2020, zijnde de datum waarop de wettelijke handelsrente bij vermeerdering van eis in dit hoger beroep is gevorderd. In artikel 5.2 van de koopovereenkomst is overeengekomen dat het bedrag van € 58.500,-- betaald dient te worden op 1 februari 2015. Deze datum moet worden aangemerkt als een fatale betalingstermijn. De wettelijke handelsrente is derhalve verschuldigd met ingang van de dag volgend op de dag die is overeengekomen als uiterste dag van betaling. De (uiterste) dag van betaling is 1 februari 2015 en de wettelijke handelsrente is dus verschuldigd vanaf 2 februari 2015. [de Holding] c.s. hebben tot slot nog opgemerkt dat [de CV] bij deze eiswijziging miskent dat [de Holding] al een bedrag aan wettelijke rente heeft voldaan. Als dit het geval is dient dit te worden verrekend maar dit leidt niet tot een ander oordeel over deze grief.
21. Met de principale grief V betoogt [de CV] dat zij niet onrechtmatig heeft gehandeld door de voormalige relaties van [de Holding] te bedienen.
22. De rechtbank heeft vastgesteld dat de koopovereenkomst geen relatiebeding bevat en dat dus op grond van de feitelijke tekst van de koopovereenkomst het niet verboden is om klanten van [de Holding] over te nemen die onderdeel waren van de verkochte verzekeringsportefeuille. Dat is echter anders als [de CV] daarbij regels van hetgeen in het maatschappelijk verkeer betaamt heeft overschreden. Dat is naar het oordeel van de rechtbank het geval geweest. De rechtbank heeft daarbij de volgende feiten en omstandigheden in aanmerking genomen:
( i) [de CV] heeft niet, althans onvoldoende gemotiveerd betwist dat ongeveer 150 verzekeringen van klanten die behoorden tot de verkochte verzekeringsportefeuille zijn overgeschreven naar [de CV]/[X];
(ii) [de CV] heeft de portefeuille voor een aanzienlijk bedrag verkocht aan [de Holding] en de betreffende accounts vormden een groot deel van de overgenomen portefeuille;
(iii) Uit de stringente bepalingen van het non-concurrentiebeding (looptijd 15 jaar en een straal van 75 kilometer) blijkt dat het zich onthouden van concurrerende werkzaamheden door [de CV] een belangrijk aspect van de koopovereenkomst was.
Door onder die omstandigheden klanten en verzekeringen die behoorden tot de verkochte portefeuille als (assurantie) tussenpersoon over te nemen heeft [de CV] onrechtmatig gehandeld, zelfs indien – zoals zij stelt – de betreffende klanten [de CV] zelf hebben benaderd.
23. [de CV] betwist dat zij onrechtmatig jegens [de Holding] heeft gehandeld. De doorloopprovisieomzet is in vergelijking met de in artikel 5.2 van de koopovereenkomst genoemde initiële doorloopprovisieomzet van € 156.000,-- per jaar zeer aanzienlijk gedaald en bedroeg in 2014 volgens [de Holding] nog slechts een bedrag van € 74.552,--. Deze terugloop is aan [de Holding] te wijten en niet veroorzaakt door onrechtmatig handelen van [de CV] [de Holding] heeft als overnemende partij niet voldoende gedaan aan klantenbinding. [de Holding] beschikte niet over de juiste diploma’s op het gebied van pensioenverzekeringen, arbeidsongeschiktheidsverzekeringen en levensverzekeringen. Deze producten behoorden tot de overgenomen portefeuille en deze diploma’s waren nodig om deze producten aan de klanten te mogen adviseren. [de Holding] heeft [de vennoot] in januari 2013 naar huis gestuurd en aan alle klanten die zij van [de CV] had overgenomen medegedeeld dat [de vennoot] niet meer aan [de Holding] was verbonden. Met name na deze mededeling is een (groot) aantal klanten bij [de Holding] vertrokken en uit zichzelf terug gegaan naar [de CV] heeft in dit verband verwezen naar de als productie 3 overgelegde brieven waaruit, kort gezegd, zou blijken dat [de Holding] niet in staat is geweest de klanten aan zich te binden en klanten niet tevreden waren over de wijze waarop zij bij [de Holding] werden behandeld.
24. [de Holding] heeft hiertegenover aangevoerd dat ten onrechte wordt vergeleken met een initiële doorloopprovisieomzet van € 156.00,--. Er waren reeds voor december 2011 intermediairswijzigingen doorgevoerd die voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst niet aan [de Holding] waren medegedeeld. De doorloopprovisieomzet was in 2012 bovendien al gedaald tot een bedrag van tussen de
€ 120.000,-- en € 130.000,--. In die periode was [de vennoot] nog werkzaam bij [de Holding]. Daarna zijn nog drie grote klanten die behoorden tot de door [de CV] overgedragen portefeuille vertrokken met een gezamenlijke jaarlijkse doorloopprovisie van ongeveer € 27.000,--. Dit had, zoals bij [de CV] bekend is, niets te maken met de kwaliteit van de dienstverlening van [de Holding]. […] Transport B.V. heeft per 31 december 2012 de verzekering voor twaalf vrachtwagens opgezegd omdat zij is overgenomen door Boskalis. In januari 2013 was sprake van de opzegging van de verzekering van autobedrijf Damen als gevolg van de beëindiging van haar activiteiten. In het najaar van 2013 is de verzekering van Intercontinental Crew Services B.V. beëindigd in verband met de verkoop van het bedrijf. De in de overgelegde brieven genoemde klachten worden betwist, waarbij onder meer is gewezen op de relatie van [de vennoot] tot een van de briefschrijvers. Ook is betwist dat er, kort gezegd, onvoldoende kennis bij [de Holding] was om de overgenomen klanten behoorlijk te kunnen bedienen.
25. Het hof ziet in de stukken onvoldoende (concrete) aanwijzingen dat de (zeer) aanzienlijke terugloop in de doorloopproviesieomzet het gevolg is van eigen tekortkomingen van [de Holding] in de dienstverlening aan de overgenomen klanten. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen blijkt uit het non-concurrentiebeding dat [de Holding] een groot belang hecht aan de mogelijkheid om zonder concurrerende activiteiten van [de CV] de overgenomen klanten te kunnen bedienen en behouden. Dit blijkt naar het oordeel van het hof ook uit het feit dat in artikel 10.1 van de koopovereenkomst is bedongen dat [de vennoot] tot 1 februari 2015 werkzaam zou blijven bij [de Holding] en zij haar AFM vergunning zou intrekken (hetgeen niet is gebeurd; zie r.o. 43). Dat naar aanleiding van tussen partijen gerezen geschillen en een daardoor verstoorde verstandhouding [de Holding] in januari 2013 vroegtijdig de inzet van [de vennoot] heeft beëindigd betekent niet dat [de CV] dus de onvoorwaardelijke vrijheid heeft (die niet wordt beperkt door de regels van hetgeen in het maatschappelijk verkeer betaamt) om klanten over te nemen die tot de eerder aan [de Holding] verkochte portefeuille behoorden. Vast staat dat de door [de CV] als nieuw aangeduide portefeuille ongeveer 150 verzekeringen bevat die behoorden tot de aan [de Holding] verkochte assurantieportefeuille en niet, althans onvoldoende gemotiveerd is betwist dat deze posten (ten minste) de helft vormen van deze als nieuw aangeduide portefeuille. Het hof ontleent aan deze feiten en omstandigheden het bewijsvermoeden dat [de CV] zich met name ook op deze oude klanten van haar heeft gericht en in elk geval niet de in de gegeven omstandigheden benodigde terughoudendheid in de contacten met deze klanten in acht heeft genomen. Het hof tekent in dit verband nog aan dat van de zijde van [de CV] tijdens de pleitzitting is verklaard dat [de vennoot] de klanten niet actief heeft benaderd, maar daaraan is toegevoegd dat [de vennoot] continu veel klanten tegenkomt en als hij hen zegt dat hij voor zichzelf is begonnen deze klanten aangeven naar hem te willen overstappen. Het hof acht vooralsnog de overgelegde brieven onvoldoende overtuigend om daarmee het hiervoor genoemde bewijsvermoeden dat [de CV] onrechtmatig jegens [de Holding] heeft gehandeld te ontkrachten. Het hof zal [de CV] toelaten tot het leveren van tegenbewijs en houdt de verdere beslissing op deze grief aan totdat tegenbewijslevering heeft plaatsgevonden.
26. Met de principale grief VI betoogt [de CV] dat het non-concurrentiebeding van artikel 10.2 van de koopovereenkomst in strijd is met het mededingingsrecht. Dit beding is daarom nietig. Volgens [de CV] heeft de rechtbank deze stelling in r.o. 4.23 ten onrechte verworpen.
27. In de procedure bij de rechtbank heeft [de CV] aangevoerd dat het in artikel 10.2 overeengekomen non-concurrentiebeding vanwege de lange looptijd van 15 jaar op grond van het mededingingsrecht nietig is. Daarbij is verwezen naar de Mededeling van de Europese Commissie van 5 maart 2005 (zijnde, hof, de “Mededeling van de Commissie betreffende beperkingen die rechtstreeks verband houden met en noodzakelijk zijn voor de totstandbrenging van concentraties”(2005/C 56/03 van 5 maart 2005, (hierna: Mededeling 2005), in welke mededeling de Commissie een aantal – de rechter niet bindende – algemene beginselen heeft geformuleerd in het kader van de EG-concentratieverordening (verordening (EG) Nr. 139/2004 van de Raad van 20 januari 2004 betreffende de controle op concentraties van ondernemingen). De kort geding rechter heeft overwogen dat degene die zich op het standpunt stelt dat een ander in strijd met het mededingingsrecht handelt dit dient te onderbouwen met de relevante (economische) feiten en omstandigheden, opdat een voldoende adequaat en gefundeerd (economisch) partijdebat en daarop volgend rechterlijk oordeel mogelijk wordt gemaakt. (ECLI:NL:HR:2012:BX0345). Naar het oordeel van de rechtbank heeft [de CV] niet aan de hiervoor aangeduide stelplicht voldaan, zodat haar beroep op nietigheid van artikel 10.2 van de koopovereenkomst reeds op die grond faalt.
28. In de toelichting op deze grief heeft [de CV], kort gezegd, aangevoerd dat [de Holding], in strijd met artikel 10.1 van de koopovereenkomst, [de CV] de mogelijkheid heeft ontnomen om zich in te zetten voor het behoud en de uitbreiding van de klanten. Ook heeft [de Holding] ten onrechte geweigerd duidelijkheid te verschaffen of de doorloopprovisie over de periode tot 1 december 2012 was behaald (en is zij is weigerachtig geweest het daarmee gemoeide bedrag van € 36.000,-- uit te keren). Op die manier werd het [de CV]/[de vennoot] onmogelijk gemaakt om inkomsten te genereren. [de CV] had derhalve geen andere mogelijkheid dan het opstarten van een nieuw assurantiebedrijf (buiten de 75 kilometergrens van het non-concurrentiebeding). Verder is nog aangevoerd dat het assurantielandschap in Nederland zeer versnipperd is: er zijn duizenden assurantiepersonen in Nederland en verzekerden kunnen ook direct verzekeringen afsluiten bij verzekeraars. Klanten stappen zeer makkelijk over naar een andere tussenpersoon of verzekeraar. Bedrijfsgeheimen ten aanzien van procedures of producteigenschappen spelen geen rol van betekenis en het betreft een zeer open en makkelijk te betreden markt. Tot slot is er nog op gewezen dat er in dit geval geen sprake is van overgang van goodwill of know how. Dit alles maakt het overeengekomen non-concurrentie beding strijdig met het mededingingsrecht en derhalve nietig, aldus [de CV]
29. Het hof overweegt dat beoordeeld moet worden of het non-concurrentiebeding in strijd is met het Nederlandse mededingingsrecht, zoals vastgelegd in de Mededingingswet. De (door [de Holding] betwiste) stellingen dat [de Holding] in strijd met de verplichtingen uit de koopovereenkomst (i) [de vennoot] de mogelijkheid heeft ontnomen (tot 1 februari 2015) als zelfstandig ondernemer ten behoeve van [de Holding] bemiddelingswerkzaamheden te verrichten en (ii) heeft geweigerd inzage te geven in de doorloopprovisie en het bedrag van € 36.000,-- te betalen zijn niet relevant voor de beoordeling van de vraag of het non-concurrentiebeding nietig is wegens strijd met het mededingingsrecht. [de CV] heeft ook in het hiervoor genoemde kort geding met een beroep op de Mededeling 2005 aangevoerd dat het non-concurrentiebeding nietig is. De kortgedingrechter heeft deze stelling verworpen. Daarbij is overwogen dat de bepalingen van de Mededeling 2005 niet ter bescherming van [de vennoot] c.s. strekken in hun geschil met [de Holding] en dat eventuele strijd daarmee niet leidt tot nietigheid wegens strijd met het Nederlands mededingingsrecht. De Mededingingswet vergt immers een zeker effect op de markt en dus een minimale omvang van de betrokken onderneming/identiteit die hier niet gehaald lijkt te worden. Het hof verenigt zich met deze uitgangspunten van de kortgedingrechter en maakt deze tot het zijne. Het hof merkt op dat de kortgedingrechter in haar hiervoor weergegeven oordeel lijkt te verwijzen naar artikel 7 van de Mededingingswet (zgn. bagatel regeling). Ook in dit hoger beroep heeft [de CV] niet met relevante (economische) feiten en omstandigheden onderbouwd dat hier sprake is van het in de Mededingingswet vereiste effect op de markt. De eigen stellingen van [de CV] lijken eerder op het tegendeel te wijzen. Alleen beperkingen die de concurrentie op de relevante markt in mededingingsrechtelijk relevante mate aantasten zijn in strijd met het mededingingsrecht. De principale grief VI treft dus geen doel.
Vermeerdering van eis/drie boetes
30. [de CV] stelt zich op het standpunt dat [de Holding] drie maal de in artikel 12 van de koopovereenkomst vastgelegde boete verschuldigd is wegens:
( i) het niet tijdig voldoen van € 36.000,-- uit hoofde van de eerste tranche doorloopprovisie tot 1 december 2013 (bedoeld zal zijn 1 december 2012, hof);
(ii) het niet tijdig voldoen van € 58.000,-- (bedoeld zal zijn € 58.500,--, hof) uit hoofde van de verplichting als weergegeven onder artikel 5.2, laatste gedachtestreepje van de koopovereenkomst en;
(iii) het niet verschaffen van inzage in de administratie van [de Holding] als omschreven in artikel 9 van de koopovereenkomst.
31. [de CV] heeft in de toelichting op deze vermeerdering van eis aangevoerd dat haar advocaat bij brief van 21 april 2017 [de Holding], kort gezegd, heeft gesommeerd om aan de hiervoor genoemde verplichtingen te voldoen. [appellant 3] heeft telefonisch zonder juridische onderbouwing medegedeeld dat geen enkel bedrag zou worden betaald. Bij brief van 2 juli 2018 heeft de advocaat van [de CV], kort gezegd, deze sommatie herhaald en aanspraak gemaakt op de contractuele boetes.
32. [de Holding] betwist primair dat in strijd is gehandeld met de op haar rustende verplichtingen uit de koopovereenkomst en dat [de CV] uit dien hoofde recht heeft op contractuele boetes. Subsidiair voert zij aan dat het beroep van [de CV] op de contractuele boetes in strijd is met de redelijkheid en billijkheid.
33. (i) niet tijdige betaling € 36.000,--.
Het hof overweegt dat tussen partijen in geschil is of het bedrag van € 36.000,-- verschuldigd is. Het eerste geschilpunt betreft de vraag of voor de beoordeling of [de CV] recht heeft op de in artikel 5.2 van de koopovereenkomst genoemde aanvullende betaling(en) van € 36.000,-- een minimum doorloopprovisieomzet geldt van € 158.000,-- of € 135.000,--. Het tweede geschilpunt betreft de vraag of deze doorloopprovisie is behaald, hetgeen volgens [de Holding] ook voor het lagere bedrag van € 135.000,-- niet het geval is. Het hof stelt vast dat [de CV] in de procedure bij de rechtbank geen betaling heeft gevorderd van het bedrag van € 36.000,-- (eerste tranche) en de (in hoger beroep bij eisvermeerdering) gevorderde boete van
€ 100.000,--. Ook in dit hoger beroep is geen betaling gevorderd van het bedrag van
€ 36.000,-- dat als contractschending ten grondslag is gelegd aan de hier bij eisvermeerdering gevorderde contractuele boete. Dat de boete verschuldigd zou zijn is (in dit licht bezien) met de enkele verwijzing naar de brieven van 21 april 2017 en 2 juli 2018 onvoldoende onderbouwd. Reeds op deze grond zal de gevorderde boete worden afgewezen.
34. (ii) niet tijdige betaling van € 58.500,--
Het hof overweegt dat ook de op deze grond gevorderde contractuele boete niet verschuldigd is. In eerste aanleg heeft [de CV] betaling van dit bedrag gevorderd. [de Holding] heeft gemotiveerd verweer gevoerd. De rechtbank heeft bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis de vordering van [de CV] toegewezen. Bij e-mail van 28 oktober 2019 heeft de advocaat van [de CV] op grond van dit vonnis (onder meer) betaling gevorderd van dit bedrag. [de CV] heeft erkend dat dit bedrag inmiddels is betaald. Dat [de Holding] na de veroordeling tot betaling (in relevante mate) nalatig is geweest met de nakoming van deze betalingsverplichting is gesteld noch gebleken.
35. (iii) niet verschaffen van inzage in de administratie van [de Holding]
Het hof overweegt dat uit het kortgedingvonnis blijkt dat in elk geval in zekere mate inzage is gegeven in de administratie van [de Holding]. Verder staat vast dat naar aanleiding van dit het kort geding vonnis de registeraccountant Daemen inzage in de administratie heeft gehad. In zijn rapport heeft hij vermeld dat de geboden inzage op twee onderdelen onvoldoende is geweest. De rechtbank heeft, kort gezegd, [de Holding] veroordeeld om ook op deze twee onderdelen inzage te geven. De advocaat van [de Holding] heeft vervolgens bij e-mail van 29 oktober 2019 aan de advocaat van [de CV] medegedeeld dat Daemen [appellant 3] kan bereiken op zijn e-mail. [de CV] heeft niet, althans niet voldoende gemotiveerd betwist dat zij (via Daemen) vervolgens geen contact meer heeft opgenomen met [de Holding]. Deze gang van zaken is naar het oordeel van het hof aan de zijde van [de Holding] niet zodanig verwijtbaar dat dit de verschuldigdheid van de contractuele boete rechtvaardigt.
36. Met de incidentele grief I betoogt [de Holding] dat de samenwerking tussen [X] en [de CV] en de uitvoering daarvan een overtreding is van het non- concurrentiebeding van artikel 10.2 van de koopovereenkomst.
37. In de toelichting op deze grief heeft [de Holding] aangevoerd dat door [de CV] feitelijk geen werkzaamheden zijn verricht vanuit [vestigingsplaats]. De werkzaamheden (in het kader van de samenwerking tussen [X] en [de CV]) zijn verricht vanuit het kantoor van [X] in ’[vestigingsplaats]. Omdat
’[vestigingsplaats] (ruim) binnen de grens van 75 kilometer vanaf Gorichem ligt is sprake van een schending van het in artikel 10.2 van de koopovereenkomst vastgelegde non-concurrentiebeding. Dat [de CV] zelf is gevestigd in [vestigingsplaats] is niet relevant. De plaats waar de concurrerende handelingen zijn verricht (c.q. waar het beheer van de portefeuille plaatsvond) is doorslaggevend en niet de plaats waar [de CV] is gevestigd. Volgens [de Holding] dient te worden bekeken op welke plaats het daadwerkelijk beheer heeft plaatsgevonden. Dit is volgens [de Holding] ‘[vestigingsplaats] geweest. [de CV] is als subagent van [X] opgetreden en had in haar relatie tot [X] feitelijk een dienende functie. De concurrerende handelingen, bestaande uit de door [X] (in samenwerking met [de CV]) doorvoeren van intermediairswijzigingen en het vervolgens beheren van de betreffende klantenportefeuilles door [X] vonden niet plaats in [vestigingsplaats] maar in ’[vestigingsplaats] op het kantoor van [X], aldus [de Holding].
38. Deze grief treft geen doel. De rechtbank heeft geoordeeld dat naar de letter van artikel 10.2 van de koopovereenkomst de vorm van samenwerking tussen [de CV] en [X] niet verboden was. Het hof overweegt dat dit oordeel steun vindt in de tussen [de vennoot] C.V en [X] gesloten samenwerkingsovereenkomst. Deze overeenkomst is gesloten tussen [de CV] als “de Bemiddelaar” en [X] als “de Serviceprovider”. Deze overeenkomst bevat de volgende bepalingen: