Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2018:2797

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
30-10-2018
Datum publicatie
01-11-2018
Zaaknummer
200.227.515/01
Rechtsgebieden
Goederenrecht
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Einde samenleving. Wie is eigenaar van de auto, waarvan het kenteken op naam van de vrouw is geregistreerd; de man of de vrouw Juridisch kader stelplicht en bewijslast. Houderschap, bezit, wettelijk vermoeden en eigendom. Kentekenregistratie doet niet af aan het wettelijk kader.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.227.515/01

Zaaknummer rechtbank : C/10/506873 / HA ZA 16-753

arrest van 30 oktober 2018

inzake

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante,

hierna te noemen: [de vrouw] ,

advocaat: Mr. H. Weinans te Roozendaal,

tegen

[de man] ,

zonder vaste woon- of verblijfplaats binnen Nederland,

geïntimeerde,

hierna te noemen: [de man] ,

advocaat: Mr. D. Matadien te Rotterdam.

1 Het geding

Bij exploot van 24 oktober 2017 is [de vrouw] in hoger beroep gekomen van een door de rechtbank Rotterdam tussen partijen gewezen vonnis van 26 juli 2017. Bij memorie van grieven heeft [de vrouw] elf grieven aangevoerd. Bij memorie van antwoord heeft [de man] de grieven bestreden. Tenslotte heeft [de man] de stukken overgelegd en arrest gevraagd.

2 Beoordeling van het hoger beroep

De achtergrond van de zaak en het bestreden vonnis

2.1

De door de rechtbank in het bestreden vonnis van 26 juli 2017 vastgestelde

feiten zijn niet in geschil. Ook het hof zal daar van uitgaan.

2.2

Het gaat in deze zaak om het volgende: partijen hebben in 2014 een affectieve relatie gekregen. [de man] is gedurende deze relatie bij [de vrouw] in haar woning gaan wonen. Uit een op 18 februari 2016 gedateerde koopovereenkomst tussen automobielbedrijf [volgt naam] en [de man] blijkt dat [de man] een [auto] met kenteken [volgt kenteken] (hierna: de auto) heeft gekocht voor een bedrag van € 5.500,00. Met betrekking tot deze overeenkomst is ook een factuur opgemaakt op naam van [de man] .

2.3

Uit een afschrift van het register van de Rijksdienst voor het Wegverkeer blijkt dat de auto op naam van [de vrouw] is gesteld. Op 25 mei 2016 is het kenteken van de auto geschorst.

2.4

[de man] heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam verlof gevraagd voor het leggen van conservatoir beslag tot afgifte van de auto. Dit verlof is verleend op 22 juni 2016.

2.5

Voor zover in hoger beroep nog van belang hebben partijen in eerste aanleg geprocedeerd over de vraag wie eigenaar is van de auto. In het bestreden vonnis heeft de rechtbank voor recht verklaard dat [de man] eigenaar is van de auto en heeft zij bepaald dat [de vrouw] de tenaamstellingscode en het kentekenbewijs dient af te geven aan [de man] , een en ander op straffe van een dwangsom en heeft zij [de vrouw] veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 485,00 aan [de man] in verband met door [de man] gemaakte sleep- en stallingskosten.

2.6

De rechtbank heeft aan haar oordeel ten grondslag gelegd dat de auto in gebruik was bij [de man] en dat hij als houder vermoed wordt rechthebbende te zijn. De weerlegging door [de vrouw] van dit vermoeden heeft de rechtbank ontoereikend geacht. De stelling van [de vrouw] dat zij de auto zou hebben betaald heeft de rechtbank als niet onderbouwd van de hand gewezen en het bewijsaanbod om alsnog bewijs van geldopnames over te leggen is als tardief gepasseerd. De stelling van [de man] dat hij de auto heeft betaald is mede onderbouwd door de verklaring van een derde. Op grond van de omstandigheid dat [de man] de auto gekocht heeft en geleverd heeft gekregen neemt de rechtbank in het bestreden vonnis als vaststaand aan dat de auto in eigendom aan [de man] toebehoort.

2.7

In hoger beroep concludeert [de vrouw] tot vernietiging van het vonnis van de rechtbank voor zover daarin voor recht verklaard is dat [de man] eigenaar van de auto is en voor zover daarbij bepaald is dat [de vrouw] de tenaamstellingscode en het kentekenbewijs dient af te geven dan wel medewerking dient te verlenen aan het overschrijven van de auto op naam van [de man] . [de man] concludeert bij memorie van antwoord tot bekrachtiging van het bestreden vonnis met veroordeling van [de vrouw] in de proceskosten van beide instanties en tot voorwaardelijke veroordeling in de nakosten.

Bespreking van de grieven

2.8

Met haar eerste grief bestrijdt [de vrouw] het oordeel van de rechtbank dat als onbetwist vaststaat dat de auto in gebruik was bij [de man] . [de vrouw] stelt in de toelichting op deze grief dat de auto in haar bezit was en dat zij deze uitleende aan [de man] op basis van een overeenkomst van lening. Enige onderbouwing van deze stelling ontbreekt en valt ook niet te halen uit de stellingen die [de vrouw] in eerste aanleg heeft betrokken. Daarnaast is vast komen te staan dat de auto bij aankoop betaald is door [de man] , de factuur op zijn naam is gesteld en de auto aan hem is geleverd. Ingevolge artikel 3:109 BW wordt degene die een goed houdt, vermoed dit voor zichzelf te houden. [de vrouw] heeft niet onderbouwd dat [de man] de auto voor een ander, te weten [de vrouw] , hield. Nu [de vrouw] op geen enkele wijze heeft onderbouwd dat de auto bij haar in gebruik is geweest en dat er een overeenkomst van lening is gesloten tussen haar en [de man] , faalt de grief.

2.9

Met haar tweede en derde grief bestrijdt [de vrouw] de vaststelling door de rechtbank dat [de man] als houder, gelet op het bepaalde in artikel 3:109 Burgerlijk Wetboek (BW) jo. artikel 3:119 BW wordt vermoed rechthebbende te zijn en dat [de vrouw] de partij is die dit wettelijk vermoeden dient te weerleggen. In de toelichting betoogt [de vrouw] dat wie een goed houdt wordt vermoed dit voor zichzelf te houden zonder dat sprake is van bezit en dat houderschap nimmer tot bezit kan leiden. De grief en de daarop gegeven toelichting gaan voorbij aan de bepaling van artikel 3:107 BW waarin bezit gedefinieerd is als het houden van een goed voor zichzelf. Daarmee in verband staand bepaalt artikel 3:119 BW dat de bezitter wordt vermoed rechthebbende te zijn. Dit laatste wettelijke vermoeden leent zich voor weerlegging. De derde grief van [de vrouw] leest het hof aldus dat [de vrouw] betoogt met een verwijzing naar de tussen [de vrouw] en [de man] bestaande rechtsverhouding dat [de man] de auto niet voor zichzelf hield. Bij de verwerping van de eerste grief is al aan de orde geweest dat die rechtsverhouding niet is komen vast te staan zodat om die reden de daarop voortbouwende grieven falen.

2.10

Met de grieven 4, 5 en 6 betoogt [de vrouw] dat de rechtbank had dienen te beslissen dat zij eigenaresse van de auto was dan wel dat de rechtbank uit had moeten gaan van het vermoeden dat zij rechthebbende was omdat de kentekenregistratie op haar naam had plaatsgevonden en zij de motorrijtuigenbelasting en verzekeringspremies voor de auto voldeed. Deze grieven falen. Een auto is geen registergoed als bedoeld in artikel 3:119, tweede lid, BW zodat er geen aanleiding bestaat om op grond van de kentekenregistratie op naam van [de vrouw] af te wijken van de hoofdregel van het eerste lid van artikel 3:119 BW. [de man] heeft zowel in eerste aanleg als in hoger beroep gesteld dat de auto op naam van [de vrouw] geregistreerd diende te worden omdat hij geen BRP-adres had, hetgeen vereist is voor een kentekenregistratie. Deze stelling van [de man] is onweersproken gebleven. De enkele stelling van [de vrouw] , dat zij de lasten van de auto heeft gedragen, welke stelling overigens betwist is door [de man] , leidt niet een weerlegging van het vermoeden van het eerste lid van artikel 3:119 BW.

2.11

Met grief 7 betoogt [de vrouw] dat zij als bezitter van de auto had moeten worden aangemerkt omdat zij de koopsom (gedeeltelijk) zou hebben betaald met de inruilopbrengst van een eerdere auto, het betalen van de vaste lasten en omdat zij zich ook overigens als eigenares gedroeg. Met grief 9 komt [de vrouw] op tegen het oordeel van de rechtbank dat het aanbod van [de vrouw] om alsnog bewijs van geldopnamen te overleggen tardief is.

2.12

Met betrekking tot de koopsom heeft te gelden dat tussen partijen vaststaat dat [de man] de auto heeft gekocht en (contant) betaald en dat de auto aan hem is geleverd. In eerste aanleg heeft [de vrouw] gewezen op bankopnames die dateren van een maand na de aankoop van de auto ter onderbouwing van haar stelling dat zij de auto had betaald. Ter comparitie heeft zij de stelling ingetrokken dat die bankopnames relevant zijn voor de aankoop van de auto. [de vrouw] betrekt ook in hoger beroep de stelling dat de auto gefinancierd is met de inruil van een [andere merk en model] en opnames van haar bankrekening dan wel met geld geleend van kennissen of vrienden. Enige (schriftelijke) onderbouwing van deze stelling ontbreekt. Daarbij komt dat [de vrouw] tegenover de politie in het kader van het doen van aangifte tegen [de man] op 20 mei 2016 verklaard heeft dat [de man] de auto betaald heeft; [de vrouw] verklaart dat [de man] de auto voor haar heeft gekocht. [de vrouw] biedt in hoger beroep opnieuw bewijs aan van haar stellingen met betrekking tot de betaling van de auto. Het hof zal haar niet toelaten tot bewijslevering. Ten eerste niet omdat elk begin van onderbouwing van haar stellingen ontbreekt en zij daarmee niet aan haar stelplicht heeft voldaan, dit mede gelet op de gemotiveerde betwistingen door [de man] , en ten tweede niet omdat ook al zou [de vrouw] (een gedeelte van) de koopsom van de auto ter beschikking hebben gesteld aan [de man] , dit niet kan afdoen aan de levering van de auto aan [de man] door de verkoper en de omstandigheid dat [de man] als rechthebbende op de auto moet worden aangemerkt zoals is overwogen bij de verwerping van de eerdere grieven. Het betalen van de vaste lasten is, zoals is overwogen bij de verwerping van grief 6, geen grond om aan te nemen dat [de vrouw] eigenaar van de auto is en de stelling, dat [de vrouw] zich als eigenaar gedroeg, is in het geheel niet onderbouwd zodat het hof daar om die reden aan voorbij gaat.

2.13

Met haar achtste grief komt [de vrouw] op tegen het gebruik door de rechtbank van een verklaring van de heer [naam getuige] . [naam getuige] is volgens [de vrouw] een vriend van [de man] en gelet op die relatie kan volgens [de vrouw] geen bewijskracht worden toegekend aan een dergelijke verklaring. De grief faalt omdat op de voet van artikel 152 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv.) in Nederland de vrije bewijsleer geldt waarbij de waardering van bewijsmiddelen aan de rechter is overgelaten. De door de rechtbank aangehaalde verklaring van [naam getuige] betreft zijn weergave van een telefoongesprek tussen [de man] en [de vrouw] dat door [de man] op de speaker zou zijn gezet waarin door [de vrouw] zou zijn erkend dat [de man] de auto had betaald. Niet valt in te zien waarom een dergelijke – op eigen wetenschap gebaseerde schriftelijk afgelegde – verklaring door de rechtbank niet betrokken had mogen worden bij haar oordeelsvorming.

2.14

Grief 10 betreft een veeggrief die geen afzonderlijke bespreking meer behoeft en met grief 11 komt [de vrouw] op tegen de veroordeling tot betaling van € 485,- wegens door [de man] gemaakte sleepkosten voor de auto in het kader van beslaglegging op de auto nadat [de vrouw] het kenteken had geschorst. De grief gaat uit van de veronderstelling dat [de vrouw] eigenaar van de auto is en gelet op de verwerping van de eerdere grieven faalt ook deze grief.

2.15

Daarmee falen de aangedragen grieven en zal het bestreden vonnis worden bekrachtigd. Als de in het ongelijk gestelde partij zal [de vrouw] in de proceskosten van het hoger beroep worden veroordeeld, welke kosten tot op heden begroot worden op € 313,- wegens griffierecht en € 759,- wegens geliquideerd salaris (tarief I), in totaal dus € 1.072,-. Voor de gevorderde veroordeling van [de vrouw] in de proceskosten in eerste aanleg ziet het hof geen aanleiding omdat partijen in eerste aanleg over meer onderwerpen hebben geprocedeerd en [de man] daarbij ook gedeeltelijk in het ongelijk is gesteld zodat de compensatie van kosten die de rechtbank heeft uitgesproken juist is. Zoals gevorderd door [de man] zal [de vrouw] tevens in de nakosten veroordeeld worden op de wijze zoals in het dictum bepaald.

3 Beslissing

Het hof

- bekrachtigt het bestreden vonnis;

- veroordeelt [de vrouw] in de proceskosten aan de zijde van [de man] , tot op heden begroot op € 1.072,- en tot betaling van € 157,- aan nasalaris voor de advocaat, nog te verhogen met € 82,- indien niet binnen veertien dagen na aanschrijving in der minne aan dit arrest is voldaan en vervolgens betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden, en bepaalt dat deze bedragen binnen 14 dagen na de dag van de uitspraak dan wel, wat betreft het bedrag van € 82,--, na de datum van betekening, moeten zijn voldaan, bij gebreke waarvan deze bedragen worden vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf het einde van genoemde termijn van 14 dagen;

- verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

- wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. D. Wachter, E.A. Mink en S.H.M. van der Heiden en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 30 oktober 2018 in aanwezigheid van de griffier.