Article 8
Protection from exposure to tobacco smoke
1. Parties recognize that scientific evidence has unequivocally established that exposure to tobacco smoke causes death, disease and disability.
2. Each Party shall adopt and implement in areas of existing national jurisdiction as determined by national law and actively promote at other jurisdictional levels the adoption and implementation of effective legislative, executive, administrative and/or other measures, providing for protection from exposure to tobacco smoke in indoor workplaces, public transport, indoor public places and, as appropriate, other public places.
1.3
De Tabaks- en rookwarenwet (tot de Wet van 26 april 2016 (Stb. 2016, 175) genaamd: de Tabakswet) bepaalt in art. 10 lid 1 en 2 (voor zover hier van belang):
1. In de navolgende gevallen is de navolgende persoon of het navolgende orgaan verplicht tot het instellen, aanduiden en handhaven van een rookverbod: e. in een horeca-inrichting: de exploitant van die horeca-inrichting;
2. Op het rookverbod, bedoeld in het eerste lid, kunnen bij algemene maatregel van bestuur beperkingen worden aangebracht, waarbij onder meer kan worden bepaald dat het rookverbod niet geldt voor bij die maatregel aangewezen: b. ruimten in gebouwen. Daarbij kunnen nadere regels worden gesteld.
1.4
In het mede op art. 10 lid 1 en 2 Tabaks- en rookwarenwet gebaseerde Tabaks- en rookwarenbesluit is in art. 6.2 bepaald:
1. De verplichting, bedoeld in artikel 10, eerste lid, van de Tabakswet [thans: de Tabaks- en rookwarenwet, hof] (….) geldt niet:
a. in ruimten waar geen inbreuk mag worden gemaakt op de persoonlijke levenssfeer;
b. in afsluitbare, voor het roken van tabaksproducten aangewezen en als zodanig aangeduide ruimten;
c. in de open lucht.
2. In een ruimte als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, worden geen werkzaamheden verricht tijdens het gebruik van deze ruimte voor het roken van tabaksproducten.
1.5
CAN is een vereniging die zich blijkens haar statuten ten doel stelt te bevorderen dat het roken van tabak en tabaksvervangende artikelen wordt nagelaten voor zover dat hinder dan wel schade voor anderen veroorzaakt of kan veroorzaken. CAN stelt zich op het standpunt dat de uitzondering die in het Tabaks- en rookwarenbesluit voor rookruimtes in openbare gebouwen en meer in het bijzonder in horeca-inrichtingen is gemaakt in strijd is met art. 8 lid 2 WHO-Kaderverdrag. CAN heeft daartoe vorderingen ingesteld die zij in verschillende stadia in dit geding verschillend heeft verwoord. Bij pleidooi in hoger beroep heeft zij desgevraagd te kennen gegeven dat zij vordert hetgeen de rechtbank daaromtrent in haar vonnis onder 3.1 heeft overwogen. De Staat heeft zich tegen die verduidelijking niet verzet. Dit betekent dat CAN vordert dat, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, voor recht wordt verklaard (i) dat de Staat met de vaststelling door de regering van art. 6.2 lid 1 sub b van het Tabaks- en rookwarenbesluit, onrechtmatig handelt jegens haar en de personen voor wier belangen zij in rechte opkomt, alsmede (ii) dat deze uitzondering op het rookverbod voor rookruimtes, voor zover zij van toepassing is op voor het publiek toegankelijke ruimten, onverbindend is wegens strijd met hoger recht, kosten rechtens.
1.6
De rechtbank heeft deze vordering afgewezen omdat zij van oordeel is dat art. 8 lid 2 WHO-Kaderverdrag geen rechtstreekse werking heeft en CAN daarop in dit geding dus geen beroep kan doen. Volgens de rechtbank ligt in art. 8 lid 2 WHO-Kaderverdrag niet de norm besloten dat in voor het publiek toegankelijke ruimtes een algeheel rookverbod dient te gelden. De onderhavige zaak verschilt ook in zoverre van het geschil waarin de Hoge Raad eerder uitspraak heeft gedaan over art. 8 lid 2 WHO-Kaderverdrag (HR 10 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2928), dat door de in die zaak ter discussie staande uitzondering op het rookverbod voor kleine cafés een al bereikt beschermingsniveau werd teruggedraaid, terwijl de uitzondering voor rookruimtes in horeca-instellingen steeds heeft gegolden, aldus de rechtbank.
2.1
Het hof zal de grieven gezamenlijk behandelen. Deze richten zich alle tegen het oordeel van de rechtbank dat aan art. 8 lid 2 WHO-Kaderverdrag geen rechtstreekse werking toekomt. Daarbij zal allereerst worden ingegaan op rookruimtes in horeca-inrichtingen.
Rechtstreekse werking
2.2
Bij de vraag of aan art. 8 lid 2 WHO-Kaderverdrag rechtstreekse werking toekomt in de zin van de artt. 93 en 94 Gw, gelden de volgende uitgangspunten (vgl. HR 10 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2928):
- de bedoelde vraag dient te worden beantwoord door uitleg van de desbetreffende bepaling, welke uitleg moet plaatsvinden aan de hand van de maatstaven van de artt. 31-33 van het Verdrag van Wenen inzake het verdragenrecht van 23 mei 1969 (Trb. 1972, 51 en 1985, 79; hierna: het Verdrag van Wenen);
- indien noch uit de tekst noch uit de totstandkomingsgeschiedenis volgt dat geen rechtstreekse werking is beoogd, is de inhoud van die bepaling beslissend, waarbij het erom gaat of de verdragsbepaling onvoorwaardelijk en voldoende nauwkeurig is om in de nationale rechtsorde zonder meer als objectief recht te worden toegepast;
- indien het op grond van de verdragsbepaling in de nationale rechtsorde te bewerkstelligen resultaat onvoorwaardelijk en voldoende nauwkeurig is omschreven, belet de enkele omstandigheid dat de nationale wetgever keuze- of beleidsvrijheid toekomt wat betreft de te nemen maatregelen ter verwezenlijking van dat resultaat, niet dat de bepaling rechtstreekse werking heeft.
2.3
Art. 8 lid 2 WHO-Kaderverdrag verplicht tot een effectieve bescherming tegen blootstelling aan tabaksrook in, onder meer ‘indoor public places’ (hierna ook: openbare gebouwen). Deze bescherming geldt voor eenieder die deze ruimtes betreedt of wil betreden (HR 10 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2928 rov. 3.6.1). Niet in geschil is dat horeca-inrichtingen ‘indoor public places’ zijn. Evenmin is in geschil dat er geen veilige mate van blootstelling aan tabaksrook bestaat. Dit laat geen andere conclusie toe dan dat de te bieden bescherming slechts dan effectief is indien (in de door art. 8 lid 2 WHO-Kaderverdrag genoemde plaatsen) iedere vorm van blootstelling aan tabaksrook wordt uitgesloten.
2.4
Dit betekent dat art. 8 lid 2 WHO-Kaderverdrag verplicht tot het tot stand brengen van het resultaat, dat eenieder die een horeca-instelling betreedt of wil betreden gevrijwaard moet zijn van iedere mate van blootstelling aan tabaksrook. Daarmee is het te bereiken resultaat onvoorwaardelijk en voldoende nauwkeurig omschreven om als objectief recht in de Nederlandse rechtsorde te kunnen functioneren en is niet van belang dat art. 8 lid 2 WHO-Kaderverdrag niet de middelen voorschrijft waarmee dit resultaat moet worden bewerkstelligd.
2.5
Aan dat oordeel doet niet af dat de in deze zaak ter discussie staande uitzondering voor rookruimtes niet een reeds eerder bereikt beschermingsniveau terugdraait maar al was bepaald sinds het rookverbod op horeca-inrichtingen van kracht is geworden. Daarbij is van belang dat twee situaties onder ogen kunnen worden gezien die kunnen meebrengen dat het te bereiken resultaat niet meteen tot stand hoeft te worden gebracht: (i) de Staat moet een redelijke tijd worden gelaten om tot wetgeving of andere maatregelen te komen, en (ii) een uitzondering op een verdragsvoorschrift kan gerechtvaardigd zijn als overgangsmaatregel (HR 10 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2928 rov. 3.6.3).
2.6
Dat de Staat in dit geval meer tijd zou moeten worden gelaten voor het tot stand brengen van wetgeving of andere maatregelen valt niet in te zien en dat heeft de Staat ook niet aangevoerd. Het WHO-Kaderverdrag is op 27 april 2005 voor Nederland in werking getreden (Trb. 2005, 72). De Staat heeft dus inmiddels een redelijke tijd gehad om de noodzakelijke wettelijke maatregelen in te voeren. De horeca is ook reeds per 1 juli 2008 rookvrij (met uitzondering van eventuele rookruimtes) en niet is gesteld of valt in te zien dat het afschaffen van de uitzondering voor rookruimtes meer tijd in beslag zou moeten nemen.
2.7
De Staat voert aan dat de uitzondering op het rookverbod voor rookruimtes een overgangsmaatregel vormt. Volgens de Staat stelt art. 8 lid 2 WHO-Kaderverdrag geen termijn waarbinnen de verdragspartijen op nationaal niveau maatregelen zouden moeten treffen en mag art. 8 lid 2 WHO-Kaderverdrag geleidelijk worden uitgevoerd. Daarnaast wijst de Staat op de talloze andere maatregelen die hij neemt om het roken tegen te gaan en te ontmoedigen. Verwacht wordt, aldus de Staat, dat op termijn het integrale tabaksontmoedigingsbeleid ertoe zal leiden dat rookruimtes in de horeca overbodig worden, in welk verband de Staat spreekt over het streven naar een ‘rookvrije samenleving’.
2.8
De Staat kan in dit betoog niet gevolgd worden. Toen met het Besluit uitvoering rookvrije werkplek, horeca en andere ruimten van 4 april 2008 (Stb. 2008, 122) het rookverbod ook in horeca-inrichtingen werd ingevoerd, is daarop tegelijkertijd een uitzondering gemaakt voor rookruimtes. In de toelichting op dit besluit (en het daaraan voorafgaande, maar toen nog niet op de horeca toepasselijke Besluit uitzonderingen rookvrije werkplek, Stb. 2003, 561) is deze uitzondering slechts toegelicht met het argument dat
“(….) rookruimtes (….) eerst en vooral bestemd [zijn] om rokers in een bedrijf de gelegenheid te bieden toch af en toe te roken zonder dat zij hiermee anderen hinder of overlast bezorgen.”
Niet blijkt dat het toelaten van rookruimtes als overgangsmaatregel bedoeld is. Tevens ontbreekt in de stellingen van de Staat elke indicatie van de termijn die als overgangsperiode zou moeten dienen. Ook is onduidelijk welk resultaat de Staat aan het eind van de overgangsperiode beoogt te hebben bereikt; het door de Staat beoogde resultaat is kennelijk niet dat de rookruimtes alsnog worden afgeschaft door een wettelijke maatregel van de Staat, want de Staat stelt zich op het standpunt dat de uitzondering voor rookruimtes in overeenstemming is met art. 8 lid 2 WHO-Kaderverdrag. Kennelijk bedoelt de Staat dat rookruimtes moeten worden gehandhaafd totdat deze overbodig zijn geworden omdat in horeca-inrichtingen niet meer wordt gerookt. De verwachting van de Staat dat het integrale tabaksontmoedigingsbeleid er uiteindelijk toe zal leiden dat rookruimtes in de horeca overbodig worden, wat er van die verwachting ook zij, kan echter in redelijkheid niet worden beschouwd als een overgangsmaatregel voor het tot stand brengen van het door art. 8 lid 2 WHO-Kaderverdrag voorgeschreven resultaat. Het hof concludeert dat van een overgangsmaatregel geen sprake is.
2.9
De conclusie uit het voorgaande is dat art. 8 lid 2 WHO-Kaderverdrag rechtstreekse werking heeft. Dit betekent dat thans zal moeten worden onderzocht of de vorderingen van CAN toewijsbaar zijn en, meer in het bijzonder, of haar uitleg van art. 8 lid 2 WHO-Kaderverdrag juist is.
Uitleg van art. 8 lid 2 WHO-Kaderverdrag
3.1
Op grond van art. 31 lid 1 van het Verdrag van Wenen moet een verdrag te goeder trouw worden uitgelegd overeenkomstig de gewone betekenis van de termen van dat verdrag in hun context en in het licht van voorwerp en doel van het verdrag. Zoals hiervoor is overwogen verplicht art. 8 lid 2 WHO-Kaderverdrag tot een effectieve bescherming tegen blootstelling aan tabaksrook in, onder meer, openbare gebouwen (‘indoor public places’). Niet in geschil is dat horeca-inrichtingen ‘indoor public places’ in de zin van deze bepaling zijn. Rookruimtes in horeca-inrichtingen zijn, evenals de horeca-inrichtingen waarvan zij een onderdeel zijn, voor het publiek toegankelijk en vallen dus evenzeer onder het begrip ‘indoor public places’. Het enkele feit dat in rookruimtes tijdens het gebruik geen werkzaamheden mogen worden verricht en daar geen consumpties mogen worden geserveerd (maar wel worden meegenomen), maakt niet dat deze niet meer onder het begrip ‘indoor public places’ vallen. Volgens de gewone betekenis van de termen van het WHO-Kaderverdrag zijn rookruimtes dus ook ruimtes waarbinnen de door art. 8 lid 2 WHO-Kaderverdrag voorgeschreven bescherming moet worden geboden. Art. 8 lid 2 WHO-Kaderverdrag maakt ook geen expliciete uitzondering voor rookruimtes.
3.2
De context en het voorwerp van het WHO-Kaderverdrag leiden evenzeer tot de conclusie dat de door art. 8 lid 2 WHO-Kaderverdrag voorgeschreven bescherming zich uitstrekt tot rookruimtes in horeca-instellingen. De kennelijke strekking van art. 8 lid 2 WHO-Kaderverdrag is immers dat eenieder openbare gebouwen zoals horeca-instellingen moet kunnen betreden zonder daarin blootgesteld te worden aan tabaksrook. Aan deze strekking wordt afbreuk gedaan indien in bepaalde, voor het publiek toegankelijke gedeelten van die gebouwen wel zou mogen worden gerookt, want dan kunnen personen daarin niet komen zonder het risico te worden blootgesteld aan tabaksrook. Daarbij is ook het karakter van een horeca-instelling (zoals een bar of café) van belang. Een bezoeker die zelf niet rookt maar wiens vrienden zich in de rookruimte bevinden kan niet kiezen voor het gezelschap van zijn vrienden zonder te worden blootgesteld aan tabaksrook. Niet-rokers kunnen aldus sociale druk voelen om de rookruimte te betreden. Dit wordt bevestigd door het door CAN als productie 4 bij memorie van grieven overgelegde artikel van Bantema (‘de niet-rokers gaan bij de rokers in de rookruimte zitten’, zie blad 4 van dat artikel). De Staat heeft wel gesteld dat dit artikel verouderde informatie bevat, maar heeft deze waarneming als zodanig niet weersproken. De strekking van art. 8 lid 2 WHO-Kaderverdrag is nu juist dat openbare gebouwen toegankelijk moeten zijn zonder vrees voor blootstelling aan tabaksrook. In het licht van het bovenstaande kan de Staat ook niet worden gevolgd in zijn standpunt dat uit het feit dat in het “Global progress report 2016” in meer algemene zin een “partial ban” als een “measure to protect citizens from exposure to tobacco smoke” wordt gerapporteerd, meebrengt dat rookruimtes zijn toegestaan.
3.3
CAN heeft verder aangevoerd dat rookruimtes nooit geheel afgesloten zijn, omdat de deur van de rookruimte telkens opengaat als de bezoekers van die rookruimte naar binnen of naar buiten gaan, en dat de tabaksrook zich onvermijdelijk verspreidt vanuit de rookruimte naar de aangrenzende ruimten, waardoor ook degenen die de rookruimte zelf niet bezoeken worden blootgesteld aan tabaksrook. Ook heeft CAN gesteld dat het betreden van de rookruimtes ten behoeve van het schoonmaken, het weghalen van lege glazen en het legen van asbakken, onvermijdelijk leidt tot blootstelling aan de schadelijke stoffen in tabaksrook, ook als dat gebeurt nadat de ruimte is gelucht, omdat kortstondig luchten niet leidt tot het verdwijnen van deze stoffen. De Staat heeft deze stellingen niet, althans niet voldoende gemotiveerd weersproken, zodat in dit geding van de juistheid van die stellingen moet worden uitgegaan. Ook in dat opzicht wordt door het toestaan van rookruimtes in horeca-instellingen niet de door art. 8 lid 2 WHO-Kaderverdrag geëiste bescherming geboden. Immers ook de geringste blootstelling aan tabaksrook is schadelijk voor de gezondheid.
3.4
Ten overvloede geldt ten aanzien van de uitleg van art. 8 lid 2 WHO-Kaderverdrag nog het volgende. Op grond van art. 31 lid 3 onder a) van het Verdrag van Wenen moet bij de uitleg van een verdrag, behalve met de context van dat verdrag, rekening worden gehouden met (onder meer) ‘iedere later tot stand gekomen overeenstemming tussen de partijen met betrekking tot de uitlegging van het verdrag of de toepassing van zijn bepalingen’. De WHO heeft in het kader van het WHO-Kaderverdrag ‘Guidelines for implementation’ (hierna: de Guidelines) met betrekking tot onder meer art. 8 van dat verdrag gepubliceerd. In het Voorwoord van de Guidelines is het volgende opgemerkt:
These guidelines are intended to help Parties to meet their obligations under the respective provisions of the Convention. They reflect the consolidated views of Parties on different aspects of implementation (….).
The guidelines were prepared through the work of representatives of the Parties in the intergovernmental working groups established by the Conference of the Parties, intergovernmental and nongovernmental organizations accredited as observers to the COP and invited experts, with further input from Parties during the commentary process and the discussions during sessions of the COP.
As a result of this wide consultative process and the consensus reached by the Parties, the guidelines have become widely acknowledged as a valuable tool in the implementation of the Convention.
(onderstreping hof)
3.5
Ten aanzien van art. 8 WHO-Kaderverdrag is in de Guidelines gesteld:
Objectives of the guidelines
These guidelines have two related objectives. The first is to assist Parties in meeting their obligations under Article 8 of the WHO FCTC, in a manner consistent with the scientific evidence regarding exposure to second-hand tobacco smoke and the best practice worldwide in the implementation of smoke free measures, in order to establish a high standard of accountability for treaty compliance and to assist the Parties in promoting the highest attainable standard of health. The second objective is to identify the key elements of legislation necessary to effectively protect people from exposure to tobacco smoke, as required by Article 8.
(onderstreping hof)
3.6
Bij de pleidooien heeft het hof de Landsadvocaat gevraagd of de consensus ook gold voor de Nederlandse Staat en of de Nederlandse Staat wellicht bezwaar had gemaakt tegen (onderdelen van) de Guidelines, maar de advocaat kon daarover geen opheldering geven. Daarom gaat het hof er op basis van de duidelijke tekst van de Guidelines van uit dat de daarin vermelde consensus betekent dat ook de Staat met de Guidelines heeft ingestemd (zoals overigens ook wordt bevestigd door overweging 7 bij Richtlijn 2014/40/EU van 3 april 2014).
3.7
Uit het voorgaande blijkt dat de partijen bij het WHO-Kaderverdrag overeenstemming (‘consensus’) hebben bereikt over de wijze waarop art. 8 lid 2 moet worden uitgelegd en uitgevoerd willen partijen aan hun verdragsverplichtingen voldoen. Dat partijen deze overeenstemming onder de term ‘Guidelines’ (‘richtlijnen’) hebben gepresenteerd en dat de Guidelines op zichzelf niet juridisch bindend of voor de uitleg van art. 8 lid 2 WHO-Kaderverdrag doorslaggevend zijn, doet er niet aan af dat bij de uitleg van art. 8 lid 2 WHO-Kaderverdrag mede met deze Guidelines rekening moet worden gehouden. Overigens begrijpt het hof de stellingen van de Staat zo, dat hij hetzelfde standpunt huldigt waar de Staat erkent dat de Guidelines als hulpmiddel kunnen worden beschouwd bij de invulling van art. 8 lid 2 WHO-Kaderverdrag (conclusie van antwoord 5.2.4; zie ook de pleitnota van mrs. Houtzagers en Huurnink in eerste aanleg onder 2.6).
3.8
De Guidelines ten aanzien van art. 8 WHO-Kaderverdrag bevatten voor zover van belang onder meer de volgende passages:
Principle 1
Effective measures to provide protection from exposure to tobacco smoke, as envisioned by Article 8 of the WHO FCTC, require the total elimination of smoking and tobacco smoke in a particular space or environment in order to create a 100% smoke free environment. There is no safe level of exposure to tobacco smoke, and notions such as a threshold value for toxicity from second-hand smoke should be rejected, as they are contradicted by scientific evidence. Approaches other than 100% smoke free environments, including ventilation, air filtration and the use of designated smoking areas (whether with separate ventilation systems or not), have repeatedly been shown to be ineffective and there is conclusive evidence, scientific and otherwise, that engineering approaches do not protect against exposure to tobacco smoke.
(…..)
THE SCOPE OF EFFECTIVE LEGISLATION
(….)
No safe levels of exposure to second-hand smoke exist, and, as previously acknowledged by the Conference of the Parties in decision FCTC/COP1(15), engineering approaches, such as ventilation, air exchange and the use of designated smoking areas, do not protect against exposure to tobacco smoke.
3.9
Uit de Guidelines volgt dus dat afzonderlijke rookruimtes in ‘indoor public places’ geen afdoende bescherming bieden tegen blootstelling aan tabaksrook. Ook op deze grond moet dus worden geoordeeld dat de uitzondering voor rookruimtes in horeca-inrichtingen in strijd is met art. 8 lid 2 WHO-Kaderverdrag.
3.10
CAN stelt zich op het standpunt dat haar vordering niet alleen betrekking heeft op horeca-inrichtingen maar ook op alle andere ‘indoor public places’. De Staat voert echter terecht aan dat CAN haar vorderingen uitsluitend heeft toegelicht aan de hand van de uitwerking van de uitzondering voor rookruimtes in horeca-inrichtingen en dat het debat vrijwel uitsluitend daarover is gevoerd. Het hof kan dan ook onvoldoende overzien hoe de situatie is ten aanzien van rookruimtes in andere openbare gebouwen en welke gevolgen toewijzing van de vordering zou hebben voor die andere openbare gebouwen. Dit onderdeel van de vordering zal dan ook als onvoldoende toegelicht worden afgewezen.
4.1
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de grieven slagen, dat het vonnis van de rechtbank moet worden vernietigd en dat de vordering van CAN op de hierna geformuleerde wijze toewijsbaar is ten aanzien van de uitzondering voor rookruimtes in horeca-inrichtingen (zoals gedefinieerd in art. 1 Tabaks- en rookwarenwet). De Staat heeft geen feiten te bewijzen aangeboden die tot een ander oordeel leiden.
4.2
De Staat zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het geding in beide instanties.
Beslissing
Het hof:
- vernietigt het vonnis van de rechtbank Den Haag van 14 september 2016, en opnieuw rechtdoende:
- verklaart voor recht dat de uitzondering van art. 6.2 lid 1 sub b van het Tabaks- en rookwarenbesluit op het rookverbod voor rookruimtes, voor zover zij van toepassing is op horeca-inrichtingen in de zin van art. 1 Tabaks- en rookwarenwet, jegens CAN en degenen voor wier belangen zij opkomt onrechtmatig en onverbindend is wegens strijd met art. 8 lid 2 WHO-Kaderverdrag;
- wijst af het meer of anders gevorderde;
- veroordeelt de Staat in de kosten van het geding in beide instanties, tot heden in eerste aanleg begroot op € 707,19 voor verschotten en € 904,-- voor salaris van de advocaat, en in hoger beroep op € 795,81 voor verschotten en € 2.682,-- voor salaris van de advocaat en op € 131,- aan nasalaris voor de advocaat, nog te verhogen met € 68,- indien niet binnen veertien dagen na aanschrijving in der minne aan dit arrest is voldaan en vervolgens betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden, en bepaalt dat deze bedragen binnen 14 dagen na de dag van de uitspraak dan wel, wat betreft het bedrag van € 68,--, na de datum van betekening, moeten zijn voldaan, bij gebreke waarvan deze bedragen worden vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf het einde van genoemde termijn van 14 dagen;
- verklaart deze proceskostenvergoeding uitvoerbaar bij voorraad.
Dit arrest is gewezen door mrs. S.A. Boele, G. Dulek-Schermers en J.J. van der Helm, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 13 februari 2018, in aanwezigheid van de griffier.