De Gemeente heeft nog aangevoerd dat de opzegging van het Convenant niet van invloed is op haar bevoegdheid om precariobelasting te heffen, omdat artikel 5 van het Convenant slechts ziet op het heffen van retributie, niet op belasting (1) en omdat dat artikel de Gemeente slechts verplicht tot terugbetaling van een eventuele retributie en dus als zodanig niet in de weg staat aan de heffing van retributie/belasting (2).
Het hof verwerpt beide argumenten. Daartoe wordt in de eerste plaats overwogen dat de Gemeente zelf kennelijk van mening was dat zij het Convenant diende op te zeggen om belastingheffing mogelijk te maken. In haar brief van 23 april 2014 (hiervoor geciteerd in rechtsoverweging 3.9) bericht de gemeente aan Vitens immers dat zij het Convenant opzegt teneinde precariobelasting te kunnen heffen.
Retributies (rechten in de zin van artikel 229 lid 1 Gemeentewet) vormen een kostenvergoeding voor een concrete dienst. Die dienst zoals die moet worden begrepen in het Convenant (uit 1988) is het toestaan dat Vitens inbreuk maakt op het eigendomsrecht van de Gemeente. Sinds de wijziging per 1 januari 1995 van de Gemeentewet met betrekking tot de materiële belastingbepalingen (Stb. 1994, 419/420) wordt de voordien als retributie aangemerkte precarioheffing een belasting genoemd. Precariobelasting heeft (nog steeds) een retributief karakter. Het verschil in terminologie heeft dus enkel deze historische oorzaak. De Gemeente doet ten onrechte een beroep op dat verschil. Gezien de wetswijzing per 1 januari 1995 moeten onder de term retributies in artikel 5 van het Convenant - mede in aanmerking genomen de zin die partijen aan dat artikel redelijkerwijs mochten toekennen en hetgeen zij te dien aanzien mochten verwachten - ook de huidige precariobelasting worden begrepen.
Voorts verenigt het hof zich met het oordeel van de rechtbank in rechtsoverweging 4.3 van het bestreden vonnis dat, ook indien ervan wordt uitgegaan dat de tekst van het Convenant precarioheffing op zichzelf niet uitsluit, de Gemeente alsdan op grond van artikel 5 van het Convenant jegens Vitens gehouden is tot terugbetaling van het geheven bedrag, hetgeen er dan dus uiteindelijk op neerkomt dat Vitens geen precariorecht is verschuldigd. Zolang de Gemeente gebonden is aan het Convenant zal het resultaat zijn dat Vitens per saldo geen precariobelasting hoeft te betalen. De uiteindelijke inning van precarioheffing is dan ook alleen mogelijk na opzegging van het Convenant.
Het argument van de Gemeente dat Vitens, die ondanks het Convenant ook vóór de opzegging steevast aan de Gemeente toestemming vroeg voor de aanleg van leidingen, zelf ervan uitging dat het Convenant niet meer gold, althans dat het Convenant kon worden opgezegd, kan de Gemeente niet baten. Uit het feit dat Vitens kennelijk instemming van de Gemeente heeft gevraagd voor het verrichten van leidingwerkzaamheden, zoals blijkt uit de als productie 6 bij memorie van grieven in het geding gebrachte stukken, kan niet worden afgeleid dat Vitens zich op het standpunt stelde dat het Convenant een dode letter was, ook voor wat betreft de precariovrijstelling. Ook de Gemeente was de mening toegedaan dat het Convenant tussen partijen steeds gelding heeft gehouden. De Gemeente vond het immers aanvankelijk noodzakelijk om het Convenant op te zeggen teneinde precario te kunnen heffen. Een opvatting die het hof, blijkens het hiervoor overwogene, deelt.