Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2021:5888

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
15-06-2021
Datum publicatie
17-06-2021
Zaaknummer
200.279.794/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In opdracht van huurder in een pand aangebrachte verwarmingsketel; leverancier is onbetaald gebleven, huurder is gefailleerd en biedt geen verhaal; leverancier vordert het factuurbedrag + buitengerechtelijke kosten van de eigenaar van het pand, primair op grond van ongerechtvaardigde verrijking, subsidiair op rond van o.d.;

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof: 200.279.794/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland: 8026718/CV EXPL. 19-8990)

arrest van 15 juni 2021

in de zaak van:

TECHNISCH EXPERT JANSEN B.V.,

gevestigd te Uithuizen,

appellanten,

bij de rechtbank: eisers,

hierna te noemen: Jansen,

advocaat: mr. L.H. Haarsma te Paterswolde,

tegen

1 [geïntimeerde1] ,

wonende te [A] ,

2. [geïntimeerde2],

wonende te [B] ,

3. [geïntimeerde3],

wonende te [C] ,

4. [geïntimeerde4],

wonende te [D] ,

5. [geïntimeerde5],

wonende te [D] ,

6. [geïntimeerde6],

wonende te [E] ,

7. HOUTWORKX B.V.,

gevestigd te Hardenberg,

8. MCTP MANAGMENT, CONSULTING AND TRADING PARTNERS B.V.,

gevestigd te Laren,

geïntimeerden,

bij de rechtbank:

gedaagden,

hierna: de eigenaren,

advocaat: mr. Th.F. de Jong te Groningen.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van het vonnis van

10 maart 2020 dat de kantonrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, heeft gewezen.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaardingen in hoger beroep d.d. 8 juni 2020,

- de memorie van grieven (met producties),

- de memorie van antwoord.

2.2

Vervolgens hebben de partijen de stukken voor het wijzen van arrest overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

3 De beoordeling

3.1.1. Het gaat in deze zaak om het volgende:

  1. Jansen is een onderneming die zich bezighoudt met loodgieters- en fitterswerk alsmede de installatie van sanitaire voorzieningen.

  2. De eigenaren zijn gezamenlijk eigenaar van het pand aan de [a-straat] 28

te [F] (verder: het pand).

Op 23 november 2017 heeft Jansen in opdracht van Kooi Katwijk B.V. (verder: Kooi Katwijk) een Nefit verwarmingsketel van het type Topline 79 KW in het pand geïnstalleerd. Directeur van Kooi Katwijk is [G] .

Ten tijde van de installatie van de verwarmingsketel was het pand verhuurd aan

Pand Beheer Winschoten B.V. [G] is tevens directeur van Pand Beheer Winschoten B.V.

Jansen heeft op 11 december 2017 Kooi Katwijk een factuur ter hoogte van € 7.199,50 inclusief btw doen toekomen. Kooi Katwijk heeft deze factuur onbetaald gelaten.

Bij vonnis van 15 mei 2018 is Kooi Katwijk door de rechtbank Den Haag in staat van faillissement verklaard.

Jansen heeft aanvankelijk jegens de curator in het faillissement van Kooi Katwijk een beroep gedaan op een krachtens haar algemene voorwaarden op de verwarmingsketel rustend eigendomsvoorbehoud. De curator heeft dat beroep bij e-mail van 7 juni 2018 (prod. 8 inl. dagv.) gehonoreerd.

In juli 2018 heeft Jansen in kort geding veroordeling van de eigenaren gevorderd tot medewerking aan het verwijderen van de verwarmingsketel uit het pand.

In een e-mail van 16 juli 2018 (prod. 3 cva) aan de advocaat van Jansen heeft geïntimeerde 8 namens de eigenaren over een telefoongesprek tussen hem en de toenmalige advocaat van Jansen het volgende vastgelegd:
“ (..)
zojuist hebben wij telefonisch het volgende besproken:

(…)
3/ De onderhavige ketel is niet door of namens “ons” besteld en geïnstalleerd.
4/ De directeur van de door u genoemde opdrachtgeefster (Kooi Katwijk BV) is volgens u de heer [G] (..)
5/ De heer [G] is ook directeur bij de BV die ons pand huurt.
6/ De tussenpersoon die volgens u heeft bemiddeld tussen uw cliënte en de opdrachtgever (Kooi Katwijk) is de heer [H] .
7/ De 2 hiervoor genoemde heren organiseren wel vaker ongeoorloofde “opzetjes”.
8/ Wij zijn bereid u alle medewerking te verlenen om aan uw cliënte toekomende eigendom te kunnen recupereren. Daartoe overlegt u nog bewijs dat dit zo is.
De medewerking kunnen wij echter uitsluitend geven binnen de wettelijke regels. Aangezien wij het pand officieel hebben verhuurd kunnen wij niet eigen rechter gaan spelen (…)
(..)
10/ Indien onze constructieve medewerking blijkt zult u het door u in concept aangekondigde kort geding op 26 juli aanstaande uitstellen (…)”.

Bij e-mail van 18 juli 2018 (prod. 5 cva) heeft de toenmalige advocaat van Jansen in reactie op voormelde e-mail kenbaar gemaakt dat zijn cliënte het aangezegde kort geding niet zou opschorten.

Op 23 juli 2018 heeft Jansen het kort geding ingetrokken. Dezelfde dag heeft de advocaat van Jansen de eigenaren gesommeerd om binnen 48 uur over te gaan tot betaling van € 17.419,39.
Bij brief van 27 juli 2018 (prod. 9 inl. dagv.) heeft de advocaat van Jansen de eigenaren gesommeerd tot betaling van het factuurbedrag van € 7.199,50 inclusief btw en een bedrag van € 609,97 wegens buitengerechtelijke kosten.
In de brief van 27 juli 2018 schrijft genoemde advocaat onder meer:
“ (..)
Het is echter zo dat thans gedurende ruim acht maanden een ketel in het aan u in mede-eigendom toebehorende bedrijfspand aan de [a-straat] 28 hangt, waar u als eigenaren profijt van heeft. Deze ketel strekt immers tot voordeel van voornoemd pand.
(…)
Bijgevoegd zend ik u nogmaals de factuur die verbonden is aan de uitgeleverde ketel in het pand aan de [a-straat] 28 te [F] (zie bijlage).
Feit is dat de ketel door natrekking en bestanddeelvorming eigendom is geworden van u als eigenaren van de onroerende zaak. Dit maakt dat het eigendomsvoorbehoud als vervallen geldt en cliënte niet langer verwijdering kan verzoeken. (…)”

Bij brieven/e-mails van 28 september 2018 en 11 december 2018 (prod. 10 en 11 inl. dagv, tevens prod. 13 cva) heeft de advocaat van Jansen haar vordering jegens de eigenaren gehandhaafd en deze verhoogd met een bedrag van € 2.500,00 aan vermogensschade.

De eigenaren hebben niet voldaan aan de sommaties. Zij hebben - nadat de huurders uit het pand waren vertrokken - bij e-mail van 26 november 2018 (prod. 12 cva) Jansen de gelegenheid geboden de verwarmingsketel uit het pand te verwijderen.

Bij de genoemde brief/e-mail van 11 december 2018 heeft de advocaat van Jansen als volgt op dat aanbod gereageerd: “(..) U stelt dat u mijn cliënte in de gelegenheid wilt stellen om de eventueel aanwezige CV-ketel op haar kosten uit het pand te verwijderen en mee te nemen. Het moge duidelijk zijn dat uw voorstel niet akkoord is. Eerder heb ik u voorgehouden (…) dat door natrekking en zaaksvorming de ketel eigendom is geworden van alle eigenaren van het pand waarin deze ketel is bevestigd. (..)”

De advocaat van de eigenaren heeft bij brief/e-mail van 10 januari 2019 (prod. 14 cva) het aanbod tot medewerking aan het weghalen van de verwarmingsketel herhaald. De advocaat schrijft in deze brief/e-mail onder meer: “Uw betoog over de natrekking/bestanddeelvorming is niet relevant. Door demontage wordt de ketel weer een voor afzonderlijke eigendom vatbare roerende zaak, die door de eigenaren aan

Jansen kan worden overgedragen. Die gelegenheid is en wordt uitdrukkelijk geboden. Daarmee is voor een schadevergoedingsvordering op grond van ongerechtvaardigde verrijking geen plaats meer.”

Bij dagvaarding van 7 maart 2019 (prod. 15 cva) heeft Jansen de eigenaren in kort geding gedagvaard tot betaling van de in de brieven van 28 september 2018 en 11 december 2018 geformuleerde vordering. De voorzieningenrechter heeft deze vordering bij vonnis van 24 april 2019 afgewezen wegens het ontbreken van spoedeisend belang.

3.1.2. In het geding in eerste aanleg heeft Jansen vervolgens primair op grond van ongerechtvaardigde verrijking, subsidiair op grond van onrechtmatige daad gevorderd, kort samengevat: hoofdelijke veroordeling van de eigenaren tot betaling van het factuurbedrag van € 7.199,50, te vermeerderen met de wettelijke (handels)rente vanaf de dag van de opeisbaarheid van de factuur (26 december 2017) tot de dag van de algehele voldoening en van een bedrag van € 734,98 aan buitengerechtelijke incassokosten. Jansen vorderde verder hoofdelijke veroordeling van de eigenaren in de proceskosten.

De eigenaren hebben de vorderingen gemotiveerd betwist.

3.1.3. De kantonrechter heeft bij het vonnis van 10 maart 2020 de vorderingen van Jansen afgewezen en Jansen in de proceskosten verwezen.

De kantonrechter overwoog, kort samengevat, onder meer:

- dat zij er met partijen vanuit ging dat de eigenaren als gevolg van bestanddeelvorming en natrekking eigenaar zijn geworden van de verwarmingsketel ex artikel 3:4 BW jo artikel 5:3 BW (r.o. 5.1 vs);

- dat voor een aanspraak op schadevergoeding wegens ongerechtvaardigde verrijking als voorzien in art. 6:212 lid 1 BW voldaan dient te zijn aan een aantal cumulatieve vereisten: er moet sprake zijn van verrijking van de een ten koste van de ander, de verrijking moet ongerechtvaardigd zijn en er is slechts een verplichting tot schadevergoeding is voor zover dat redelijk is (r.o. 5.2 vs);

- dat in dit geval niet is voldaan aan het redelijkheidsvereiste: de verrijking heeft buiten het medeweten en toedoen van de eigenaren plaatsgevonden, van enige noodzaak tot vervanging van de eerder aanwezige verwarmingsketel is niet gebleken, Jansen heeft door de verwarmingsketel te plaatsen zonder enig voorschot te vragen zelf bewust het risico genomen dat de factuur onbetaald zou blijven (r.o. 5.4 t/m 5.8 vs);

- dat het niet betalen van een factuur ten behoeve van een verwarmingsketel die in opdracht van een derde is besteld en geïnstalleerd en waarvan de eigenaren geen weet hebben gehad, niet als onrechtmatig kan worden bestempeld (r.o. 5.9);

3.1.4. Jansen heeft tegen het vonnis van de kantonrechter van zes grieven aangevoerd en geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis en toewijzing alsnog van haar vorderingen en veroordeling van de eigenaren in de kosten van beide instanties.

de grieven

3.2.1. In grief I stelt Jansen dat de kantonrechter er ten onrechte vanuit gaat dat de opdracht tot installatie van de verwarmingsketel is gegeven door een onbekende derde, te weten

Kooi Katwijk B V.

3.2.2. Deze grief berust op een onjuiste lezing van het vonnis van de kantonrechter. De kantonrechter heeft over de vraag of (een van de) de eigenaren de opdrachtgever dan wel de persoon die namens hem met Jansen heeft onderhandeld kende(n), niets overwogen. De kantonrechter overwoog (r.o. 5.5 vs) dat de opdracht voor het aanbrengen van de verwarmingsketel door een derde is gegeven. Dat was een juiste vaststelling nu immers aan de levering en installatie van de verwarmingsketel geen overeenkomst tussen Jansen en de eigenaren maar een overeenkomst tussen Jansen en een ander (derde) ten grondslag lag. Voor die vaststelling is de vraag of een van de eigenaren die derde of diens onderhandelaar kende, niet relevant.

3.3.1. Met grief II betwist Jansen alsnog dat de eigenaren pas na het faillissement van

Kooi Katwijk van de opdracht tot het plaatsen van de verwarmingsketel hebben vernomen.

In grief III stelt Jansen dat de kantonrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat sprake is van een tegen de uitdrukkelijke zin van de eigenaren opgedrongen verrijking en dat dit volgens de kantonrechter maakt dat er geen verplichting tot schadevergoeding bestaat, omdat dit niet redelijk is.

Grief IV is gericht tegen het oordeel van de kantonrechter (r.o. 5.8 vs) dat niet is voldaan aan één van de vereisten van artikel 6:212 BW zodat het beroep van Jansen op ongerechtvaardigde verrijking niet slaagt.

Het hof zal deze grieven die, mede gelet op de bij de grieven gegeven toelichting, zijn gericht tegen de afwijzing door de kantonrechter van de vordering van Jansen op de primaire grondslag - ongerechtvaardigde verrijking – gezamenlijk bespreken.

3.3.2. Het hof overweegt allereerst dat Jansen in haar formulering van grief 3 miskent dat het oordeel van de kantonrechter in r.o. 5.8 van het vonnis – dat sprake is van een tegen de uitdrukkelijke zin van de eigenaren opgedrongen verrijking – slechts een van de gronden is die de kantonrechter hebben gebracht tot het oordeel dat niet aan het redelijkheidsvereiste van art. 6:212 BW is voldaan.

Het hof overweegt verder dat, indien en voor zover de grieven II en III zouden slagen in die zin dat zou moeten worden aangenomen dat de eigenaren van meet af aan bekend zijn geweest of hebben kunnen zijn met de installatie van de verwarmingsketel en dat die installatie niet tegen hun uitdrukkelijke zin heeft plaatsgevonden, dit nog niet zonder meer tot een ander oordeel over de vordering van Jansen leidt. Het hof zal dan immers op grond van de devolutieve werking van het hoger beroep de vordering van Jansen opnieuw dienen te beoordelen op grond van alle in eerste aanleg aangevoerde en niet behandelde stellingen en verweren.

3.3.3. Het hof acht de vraag of de eigenaren al dan niet eerder weet hebben gehad van de installatie van de verwarmingsketel in hun pand zonder bijkomende bijzondere, door Jansen niet gestelde, omstandigheden niet relevant. Ook indien de eigenaren hebben geweten van de installatie, laat dat onverlet dat zij niet de opdrachtgever van Jansen zijn geweest. De installatie is tussen Jansen en Kooi Katwijk overeengekomen. Tegenover de door Jansen aangenomen verplichting stond een betalingsverplichting van Kooi Katwijk. Het enkele feit dat (een van) de eigenaren de heer [I] , die de overeenkomst tussen Jansen en Kooi Katwijk tot stand heeft gebracht, kende(n) noch de omstandigheid dat de verwarmingsketel werd geïnstalleerd in een aan de eigenaren in eigendom toebehorend pand brengt mee dat de eigenaren mede verantwoordelijk werden voor de overeenkomst tussen Jansen en Kooi Katwijk.

3.3.4. Jansen heeft schade geleden omdat Kooi Katwijk niet heeft voldaan aan haar verplichting tot betaling van de verwarmingsketel en Jansen haar vordering ten gevolge van het faillissement niet op Kooi Katwijk kan verhalen. Naar het oordeel van het hof heeft

Jansen onvoldoende feiten en omstandigheden aangevoerd die tot toewijzing van haar vordering tot vergoeding van die schade door de eigenaren op grond van ongerechtvaardigde verrijking kunnen leiden.

3.3.5. Jansen voert als relevante feiten en omstandigheden aan dat de eigenaren zich niet tegen het aanbrengen van de verwarmingsketel in hun pand hebben verzet en dat zij profijt hebben van de ketel. Jansen voert echter geen enkele grond aan waarom de eigenaren zich tegen de installatie van de verwarmingsketel in hun pand zouden hebben moeten verzetten. Een toelichting van die stelling had wel op de weg van Jansen gelegen, nu het aanbrengen van verbeteringen in een pand door een huurder op zichzelf niet ongebruikelijk of onoorbaar is. Dat door een huurder aangebrachte verbeteringen voordeel kunnen opleveren voor de eigenaar van een pand, is inherent aan de eigendom van het pand en ligt ten grondslag aan de wettelijke regeling in het huurrecht van het zogenaamde ‘wegbreekrecht’ (art. 7:216 BW).

Het feit dat de eigenaren zich niet hebben verzet tegen de installatie van de verwarmingsketel en dat zij wellicht voordeel hebben van de in het pand achtergebleven verwarmingsketel, geeft derhalve evenmin grond om de eigenaren voor de door Jansen gestelde schade aansprakelijk te houden. Voor zover de eigenaren zijn ‘verrijkt’ doordat de verwarmingsketel onderdeel van hun pand is geworden, is dat een gevolg van het feit dat de huurder geen gebruik heeft gemaakt of kunnen maken van haar wegbreekrecht en geen aanspraak heeft gemaakt of kunnen maken op een vergoeding voor achtergelaten verbeteringen. De verrijking is niet ongerechtvaardigd.

Voor zover de eigenaren zijn ‘verrijkt’ – of dat zo is hangt af van de omstandigheden van het geval –, zijn zij bovendien verrijkt ten koste van de huurder. Van een voldoende en rechtstreeks causaal verband tussen de – door de eigenaren betwiste – verrijking en de verarming van Jansen is geen sprake.

3.3.6. Het hiervoor overwogene betekent dat het hof niet tot een ander oordeel komt dan de kantonrechter. De door Jansen in de grieven II en III ter discussie gestelde vragen wanneer de eigenaren bekend zijn geworden of hebben kunnen worden zijn met de plaatsing van de ketel en of de ketel de eigenaren al dan niet is opgedrongen zijn voor dat oordeel niet van doorslaggevende betekenis en kunnen onbesproken blijven. De grieven II, III en IV treffen geen doel.

3.3.7. Gezien het voorgaande is evenmin relevant de discussie tussen partijen over de vraag of en zo ja, in hoeverre de eigenaren door de geïnstalleerde verwarmingsketel zijn bevoordeeld en over (de hoogte van) de door Jansen gevorderde schadevergoeding. Ten aanzien van het laatste acht het hof overigens het verweer van de eigenaren gegrond. Nu de eigenaren Jansen de gelegenheid hebben geboden om de verwarmingsketel te demonteren en terug te nemen maar Jansen van dat aanbod geen gebruik heeft gemaakt, heeft Jansen de schade, die zij lijdt doordat zij de – door Kooi Katwijk onbetaald gelaten verwarmingsketel - niet heeft teruggenomen, geheel aan zichzelf te wijten.

3.4.1. Grief V is gericht tegen de afwijzing door de kantonrechter van de vordering van Jansen op de subsidiaire grondslag, onrechtmatige daad. Ook in hoger beroep heeft Jansen onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld op grond waarvan de eigenaren onrechtmatig handelen op de voet van art. 6:162 BW zou kunnen worden verweten. Hetgeen Jansen stelt komt erop neer dat de eigenaren wel van de installatie hebben moeten weten en dat zij daarmee wel moeten zijn gebaat. Zonder nadere, door Jansen niet gegeven, toelichting, valt niet in te zien waarom uit die feiten en omstandigheden, indien bewezen, zou blijken van onrechtmatig handelen van de eigenaren jegens Jansen. Op de eigenaren rustte voorts geen verplichting om zelf de verwarmingsketel ten behoeve van Jansen uit hun pand te verwijderen, zodat ook die door Jansen nog gestelde omstandigheid niet kan bijdragen tot het gestelde onrechtmatig handelen. Ook grief V faalt.

3.4.2. Grief VI behelst niet meer dan de uit de voorgaande grieven voortvloeiende conclusie van Jansen dat de kantonrechter haar vordering ten onrechte heeft afgewezen en haar ten onrechte in de proceskosten van de eerste aanleg heeft verwezen. Deze grief heeft naast de andere grieven geen zelfstandige betekenis en faalt in het kielzog daarvan.

conclusie

3.5.1. Nu geen van de grieven slaagt, zal het vonnis waarvan beroep, onder aanvulling en verbetering van gronden, worden bekrachtigd. Jansen zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van het hoger beroep worden verwezen. Op vordering van de eigenaren zal het arrest uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard.

3.5.2. Het aanbod van Jansen tot nader bewijs wordt als niet relevant gepasseerd, nu door Jansen geen specifieke feiten of omstandigheden zijn aangevoerd die, indien bewezen, tot een ander dan het hiervoor gegeven oordeel kunnen leiden.

4 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bekrachtigt, onder aanvulling en verbetering van gronden, het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, van 10 maart 2020;

veroordeelt Jansen in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van de eigenaren begroot op € 332,= voor verschotten en op € 787,= voor salaris advocaat;

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. O.G.H. Milar, E.J. van Sandick en Ph.A.J. Raaijmaakers en is door de rolraadsheer, in tegenwoordigheid van de griffier, in het openbaar uitgesproken op 15 juni 2021.