Uitspraken

Een deel van alle rechterlijke uitspraken wordt gepubliceerd op rechtspraak.nl. Dit gebeurt gepseudonimiseerd.

Deze uitspraak is gepseudonimiseerd volgens de pseudonimiseringsrichtlijn

ECLI:NL:GHARL:2021:11562

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
16-12-2021
17-12-2021
Wahv 200.294.279/01
Strafrecht, Bestuursstrafrecht
Hoger beroep

Artikel 5 van de Wahv. Niet is gebleken dat staandehouding in tijden van corona geen reële mogelijkheid is.

Rechtspraak.nl
NJFS 2022/206
VR 2022/166

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden

Zaaknummer

: Wahv 200.294.279/01

CJIB-nummer

: 232741142

Uitspraak d.d.

: 16 december 2021

Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank

Midden-Nederland van 29 maart 2021, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [woonplaats] .

De gemachtigde van de betrokkene is mr. M. Lagas, kantoorhoudende te Amsterdam.

Het tussenarrest

De inhoud van het tussenarrest van 17 november 2021 wordt hier overgenomen.

Het verdere procesverloop

De meervoudige kamer heeft het onderzoek gesloten.

De beoordeling

1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 240,- voor: “niet stoppen voor rood licht: driekleurig verkeerslicht”. Deze gedraging zou zijn verricht op 28 maart 2020 om 21:07 uur op de Noorderdreef in Almere met het voertuig met het kenteken [kenteken] . In het zaakoverzicht is vermeld dat de ambtenaar als reden voor het achterwege laten van een staandehouding heeft opgegeven: “Protocol coronavirus.” In het aanvullend proces-verbaal van 14 mei 2020 heeft de ambtenaar, voor zover hier relevant, het volgende verklaard: “Op zaterdag 29 maart 2020 omstreeks 21:07 uur zag ik (…) een witte Volkswagen Polo, voorzien van kenteken [kenteken] , rijden over de Noorderdreef te Almere, komende uit de richting van De Paal en zag deze rechtsaf slaan de Steigerdreef op. Ik zag dat de bestuurder van genoemd voertuig daarmee het op dat moment seconden lang op rood staande verkeerslicht negeerde. (…) Ik reed met twee seconden volgafstand achter dit voertuig op diezelfde weg en in diezelfde richting maar reed bij die kruising rechtdoor in plaats van rechtsaf. (…) Staandehouding is voor veel mulder feiten niet verplicht, zo ook voor deze niet. Daarnaast is, zoals eerder aangegeven, vanwege de uitzonderlijke situatie met betrekking tot de coronamaatregelen en de geldende werkinstructie verkeershandhaving, de bestuurder van genoemd voertuig niet staandegehouden”.

2. De gemachtigde voert in hoger beroep aan dat de betrokkene de gedraging niet heeft verricht en voert aan dat ten onrechte van staandehouding is afgezien, waardoor de betrokkene in zijn verdedigingsbelangen is geschaad. De gemachtigde wijst op het uitgangspunt van artikel 5 van de Wahv dat de ambtenaar staande moet houden, tenzij daar geen reële mogelijkheid voor is. Volgens de gemachtigde vormt het COVID-19 virus daarop geen uitzondering. Er is voor de ambtenaar een werkinstructie “Verkeershandhaving 2.1 ivm Coronavirus” in het leven geroepen. De gemachtigde wijst erop dat de werkinstructie door de politie is opgesteld en vraagt zich af hoe deze interne werkinstructie de wet opzij kan zetten. De wetgever heeft ook geen poging gedaan om de wet op dit punt te wijzigen. De wettelijke waarde van de werkinstructie is volgens de gemachtigde nihil en het was aan de wetgever om hier iets voor te regelen. Nu dit niet is gebeurd, had de ambtenaar zich aan de wet moeten houden. Naar de mening van de gemachtigde was staandehouding met inachtneming van de geldende richtlijnen mogelijk geweest. Zo had er afstand gehouden kunnen worden en had de ambtenaar beschermingsmiddelen kunnen gebruiken. Dit alles laat volgens de gemachtigde onverlet dat staandehouding onder bepaalde omstandigheden niet mogelijk is, maar in het onderhavige geval is daarvan niet gebleken.

3. De vertegenwoordiger van de advocaat-generaal concludeert tot bevestiging van de beslissing van de kantonrechter. Ter zitting heeft de vertegenwoordiger de werkinstructie overgelegd die ten tijde van de onderhavige gedraging van kracht was. De vertegenwoordiger wijst erop dat de gedraging in het begin van de COVID-19 crisis is geconstateerd. Op dat moment was de situatie nog zo onduidelijk dat direct contact tussen politieambtenaren en verkeersovertreder(s) redelijkerwijs niet tot de mogelijkheden behoorde. Naar de mening van het openbaar ministerie was er sprake van een vorm van overmacht, die meebracht dat beboeting van verkeersovertredingen op basis van het kenteken toelaatbaar was. Ter zitting heeft de vertegenwoordiger erop gewezen dat uit de inhoud van het aanvullend proces-verbaal kan worden afgeleid dat de ambtenaar het rood uitstralende verkeerslicht zou hebben moeten negeren om achter de bestuurder aan te (kunnen) rijden. Volgens de vertegenwoordiger is deze omstandigheid al van dien aard om te concluderen dat in het onderhavige geval terecht is afgezien van staandehouding.

4. Ingevolge artikel 5, eerste volzin, van de Wahv wordt, indien is vastgesteld dat de gedraging heeft plaatsgevonden met of door middel van een motorrijtuig waarvoor een kenteken is opgegeven, en niet aanstonds is vastgesteld wie daarvan de bestuurder is, de administratieve sanctie opgelegd aan degene op wiens naam het kenteken ten tijde van de gedraging in het kentekenregister was ingeschreven.

5. De Werkinstructie Verkeershandhaving i.v.m. het Coronavirus (versie 23-03-2020) bevat de volgende instructie: “Wanneer mogelijk bekeuren op kenteken en alleen staande houden en aanspreken als dit echt en direct noodzakelijk is”.

6. In artikel 5 van de Wahv ligt het uitgangspunt besloten dat de ambtenaar die een gedraging constateert de bestuurder staande houdt en zijn identiteit vaststelt, zodat aan hem als bestuurder een sanctie kan worden opgelegd. Dit uitgangspunt lijdt uitzondering indien redelijkerwijs geen mogelijkheid bestaat om de identiteit van de bestuurder vast te stellen, in welk geval de sanctie aan de kentekenhouder wordt opgelegd. Als op dit punt een verweer wordt gevoerd, zal de officier van justitie of de rechter daarop uitdrukkelijk moeten beslissen en zo nodig aan de ambtenaar een nadere toelichting moeten vragen.

7. De Werkinstructie Verkeershandhaving i.v.m. het Coronavirus bevat geen verwijzing naar een wettelijke grondslag, terwijl ook anderszins niet is gebleken van een wettelijke basis. De instructie “wanneer mogelijk bekeuren op kenteken en alleen staande houden en aanspreken als dit echt en direct noodzakelijk is” is strijdig met het in artikel 5 van de Wahv besloten liggende uitgangspunt dat de ambtenaar, die een gedraging constateert die is omschreven in de bijlage bij de Wahv, de bestuurder van het voertuig staande houdt indien dit redelijkerwijs mogelijk is. Een wettelijk voorschrift zoals artikel 5 van de Wahv kan niet buiten werking worden gesteld door een werkinstructie zoals hier aan de orde. Daarnaast is niet aannemelijk geworden dat de verspreiding van het Coronavirus ten tijde in geding het oordeel kon rechtvaardigen dat sprake was van zodanig bijzondere omstandigheden dat van ambtenaren niet in redelijkheid verwacht kon worden dat zij een bestuurder staande houden met inachtneming van de in vorenbedoelde werkinstructie opgenomen aanvullende veiligheidsmaatregelen, zoals het aantrekken van wegwerphandschoenen en ten minste anderhalve meter afstand houden van de te controleren persoon.

8. Ten aanzien van de stelling van de advocaat-generaal dat de ambtenaar geen staandehouding kon verrichten, omdat hij dan zelf het rode licht had moeten negeren, moet worden vooropgesteld dat de ambtenaar in eerste instantie enkel heeft verwezen naar het "Protocol Coronavirus". In zijn aanvullend proces-verbaal verklaart hij tevens dat staandehouding voor het onderhavige feit niet verplicht is. Waarschijnlijk doelt hij hierbij op een latere versie van de werkinstructie waarin wordt verwezen naar een lijst met gedragingen. De verwijzing naar een dergelijk lijst kan echter evenmin de verbindende kracht van artikel 5 van de Wahv buiten werking stellen. Of een staandehouding redelijkerwijs mogelijk is, vergt een beoordeling van de ambtenaar van de zich op dat moment voordoende omstandigheden ter plaatse. In dit verband is van belang dat uit het dossier niet blijkt of de ambtenaar op dat moment onderweg was met een opvallend surveillancevoertuig of een burgervoertuig, noch of dat voertuig over middelen voor staandehouding beschikte. Dat de ambtenaar alleen tot staandehouding kon overgaan door zelf het rode licht te negeren blijkt niet uit zijn verklaring, terwijl evenmin op voorhand kan worden uitgesloten dat de ambtenaar de bestuurder kon staande houden zonder dat rode licht te negeren. Geconcludeerd kan worden dat de ambtenaar niet heeft gesteld, noch dat aannemelijk is geworden dat redelijkerwijs geen staandehouding mogelijk was.

9. Het voorgaande betekent dat de ambtenaar ten onrechte toepassing heeft gegeven aan het bepaalde in artikel 5 van de Wahv door de sanctie aan de kentekenhouder op te leggen. Aan die onjuiste toepassing verbindt het hof de consequentie dat de beschikking, waarbij de sanctie aan de betrokkene als kentekenhouder is opgelegd, niet in stand kan blijven. Hetgeen overigens door de gemachtigde is aangevoerd, behoeft geen bespreking meer. Het hof zal, gelet op het voorgaande, de beslissing van de kantonrechter vernietigen en doen hetgeen de kantonrechter zou behoren te doen, namelijk het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond verklaren en de beslissing van de officier van justitie alsmede de inleidende beschikking vernietigen. Tevens zal het hof bepalen dat het bedrag van de zekerheidstelling aan de betrokkene dient te worden gerestitueerd.

10. De proceskosten komen voor vergoeding in aanmerking. Aan het indienen van het administratief beroepschrift, het beroepschrift bij de kantonrechter, het hoger beroepschrift en het verschijnen ter zitting bij het hof dienen in totaal 4 procespunten te worden toegekend. Het hof zal, met toepassing van artikel 2, derde lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht, voor het telefonisch horen in administratief beroep een half punt toekennen. De waarde per punt bedraagt voor het administratief beroep € 534,- en voor het (hoger) beroep € 748,-. Gelet op de aard van de zaak wordt de wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toegepast. Aldus zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten tot een bedrag van € 1.522,50 (1,5 x € 534,- + 3 x € 748,- x 0,5).

De beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beslissing van de kantonrechter;

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt de beslissing van de officier van justitie, alsmede de beschikking waarbij onder voormeld CJIB-nummer de administratieve sanctie is opgelegd;

bepaalt dat hetgeen door de betrokkene op de voet van artikel 11 van de Wahv tot zekerheid is gesteld door de advocaat-generaal wordt gerestitueerd;

veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene tot een bedrag van € 1.522,50.

Dit arrest is gewezen door mrs. Sekeris, Van Schuijlenburg en De Witt in tegenwoordigheid van

mr. Pranger als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.

De gegevens worden opgehaald

Hulp bij zoeken

Er is een uitgebreide handleiding beschikbaar voor het zoeken naar uitspraken, met onder andere uitleg over:

Selectiecriteria

De Rechtspraak, Hoge Raad der Nederlanden en Raad van State publiceren uitspraken op basis van selectiecriteria:

  • Uitspraken zaken meervoudige kamers
  • Uitspraken Hoge Raad en appelcolleges
  • Uitspraken met media-aandacht
  • Uitspraken in strafzaken
  • Europees recht
  • Richtinggevende uitspraken
  • Wraking

Weekoverzicht

Selecteer een week en bekijk welke uitspraken er in die week aan het uitsprakenregister zijn toegevoegd.