Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:9406

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
18-11-2020
Datum publicatie
18-11-2020
Zaaknummer
21-006994-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vrijspraak van valsheid in geschrift (feit 1) en het gebruik maken van valse geschriften (feit 2).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-006994-18

Uitspraak d.d.: 18 november 2020

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Zwolle

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Gelderland van 12 december 2018 met parketnummer 05-780171-16 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1978,

wonende te [woonplaats] .

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 2 en 4 november 2020 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. Het hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman, mr. R. van Veen, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Verdachte is door de rechtbank veroordeeld ter zake van het onder 1 en 2 tenlastegelegde. Aan verdachte is opgelegd een taakstraf voor de duur van 80 uur, indien niet (naar behoren) verricht te vervangen door 40 dagen hechtenis.

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere bewijsbeslissing komt. Het hof zal daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 18 juli 2011 te Rheden, althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen,

geschriften, die bestemd waren om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft/hebben opgemaakt en/of heeft/hebben vervalst en/of valselijk heeft/hebben doen opmaken en/of heeft/hebben doen vervalsen, door

- in een koopovereenkomst d.d. 18 juli 2011 (pag. 2-114 e.v.) met betrekking tot de koop van twee woningen aan de [adres 1] en de [adres 2] een koopprijs van 150.000,- euro te vermelden en

- in een koopovereenkomst d.d. 18 juli 2011 (pag. 2-126 e.v.) met betrekking tot de koop van vijf appartementsrechten op de adressen [5 adressen] en twee appartementsrechten op de adressen [2 adressen] een koopprijs van 500.000,- euro te vermelden

terwijl de werkelijke koopprijs van de [adres 1] en de [adres 2] 210.000,- euro bedroeg, althans een hoger bedrag en de werkelijke koopprijs van [5 adressen] en twee appartementsrechten op de adressen [2 adressen] 600.000,- euro bedroeg, althans een hoger bedrag,

met het oogmerk om deze koopovereenkomsten als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken;

2.

hij op tijdstippen in of omstreeks de periode 19 juli tot en met 08 augustus 2011 te Rheden en/of Arnhem, althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen,

telkens opzettelijk gebruik heeft/hebben gemaakt van valselijk opgemaakte en/of vervalste geschriften die bestemd waren om tot bewijs van enig feit te dienen als ware deze echt en onvervalst,

immers heeft verdachte en/of zijn mededaders één of meer vals opgemaakte koopovereenkomsten, te weten:

- een koopovereenkomst d.d. 18 juli 2011 (pag. 2-114 e.v.) met betrekking tot de koop van twee woningen aan de [adres 1] en de [adres 2] en/of

- een koopovereenkomst d.d. 18 juli 2011 (pag. 2-126 e.v.) met betrekking tot de koop van vijf appartementsrechten op de adressen [5 adressen] en twee appartementsrechten op de adressen [2 adressen] ,

bestaande die valsheid en/of vervalsing hierin dat de werkelijke koopprijs van de [adres 1] en de [adres 2] 210.000,- euro bedroeg, althans een hoger bedrag dan het in de koopovereenkomst (pag. 2-114 e.v.) vermelde bedrag van 150.000 euro en dat de werkelijke koopprijs van [5 adressen] en twee appartementsrechten op de adressen [2 adressen] 600.000,- euro bedroeg, althans een hoger bedrag dan het in de koopovereenkomst (pag. 2-126 e.v.) vermelde bedrag van 500.000 euro, en

bestaande dat gebruikmaken hierin dat verdachte en/of zijn mededaders die valse en/of vervalste koopovereenkomst(en) heeft/hebben verstrekt aan FGH/RNHB (Rabobank) ter verkrijging van (een) hypothecaire lening(en) ten behoeve van de adressen [adres 1] en de [adres 2] en [5 adressen] en de adressen [2 adressen] .

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Vrijspraak

Standpunt van het openbaar ministerie

De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de feiten 1en 2.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit van de feiten 1 en 2. Hij heeft daartoe aangevoerd dat het opzet op de valsheid van de koopovereenkomsten niet kan worden bewezen. De transactie van de panden was opgezet door [betrokkene 1] en de vader van verdachte, [vader verdachte] , om verdachte een goede start in de vastgoedwereld te geven. Omdat verdachte erop vertrouwde dat de koopovereenkomsten in orde waren, heeft hij deze blind getekend.

Oordeel van het hof

In juli 2011 had [betrokkene 1] twee woningen in Nijmegen en zeven appartementen in Arnhem in eigendom. [betrokkene 1] heeft deze woningen verkocht aan verdachte en [betrokkene 2] . De bedongen koopprijzen betroffen € 210.000,00 voor de woningen in Nijmegen en

€ 600.000,00 voor de appartementen in Arnhem.

Op verzoek van [betrokkene 1] zijn door de notaris twee koopovereenkomsten opgesteld met daarin als koopprijs voor de woningen in Nijmegen € 150.000,00 en voor de appartementen in Arnhem € 500.000,00. Deze koopovereenkomsten zijn vervolgens op 18 juli 2011 door alle partijen getekend. De koopovereenkomsten zijn op 19 juli 2011 door de secretaresse van [betrokkene 1] opgestuurd aan de heer [betrokkene 3] van de FGH/RNHB-bank, met het oog op het aanvragen van financiering voor de betreffende onroerende goederen.

Dat in die overeenkomsten te lage koopsommen zijn opgenomen, staat niet ter discussie.

Verdachte heeft – naar eigen zeggen – bij [betrokkene 1] thuis in gesprek aan de keukentafel de te lage koopsommen in de koopovereenkomsten niet opgemerkt en de koopovereenkomsten blind getekend, mede vanwege de jarenlange vriendschappelijke betrekkingen met de familie [betrokkene 2] en [betrokkene 1] en het vertrouwen in zijn eigen vader. Verdachte heeft ook gesteld dat hij ook tijdens een kennismakingsgesprek met [betrokkene 3] op 22 juli 2011 niet op de hoogte was (geraakt) van de te laag opgenomen koopsommen in de koopovereenkomsten. Er is tijdens dat gesprek met [betrokkene 3] niet over concrete geldbedragen gesproken, aldus verdachte.

Het hof stelt voorop dat in het maatschappelijk en financieel verkeer als uitgangspunt heeft te gelden dat iemand pas overgaat tot het paraferen en ondertekenen van een koopovereenkomst van onroerend goed, nadat hij kennis heeft genomen van (in ieder geval) de in die koopovereenkomst opgenomen koopsom, aangezien de koopsom als een cruciaal onderdeel van een dergelijke overeenkomst moet worden beschouwd.

Het hof ziet zich voor de vraag gesteld of de lezing van verdachte, inhoudende dat hij ondanks het zetten van parafen en handtekeningen in de betreffende koopovereenkomsten op dát moment niet op de hoogte was van de te lage koopsommen in deze overeenkomsten, aannemelijk is geworden, waarbij het hof het geheel van feiten en omstandigheden waaronder deze koopovereenkomsten tot stand zijn gekomen en het daaropvolgende proces in aanmerking neemt.

Het hof leidt uit de stukken in het dossier af dat de plannen tot verkoop en aankoop van de betreffende woningen en appartementen zijn geïnitieerd, opgezet en inhoudelijk zijn vormgegeven door [vader verdachte] en [betrokkene 1] . [vader verdachte] en [betrokkene 1] waren beiden ervaren in de handel in vastgoed. Zij waren in het verleden zakenpartners. [vader verdachte] wilde verdachte (zijn zoon) op weg helpen met vastgoed en [betrokkene 1] wilde zijn onroerend goed van de hand doen. De koopovereenkomsten met te lage koopsombedragen zijn op verzoek en in opdracht van [betrokkene 1] door diens vaste notaris opgesteld.

Verdachte heeft – al pratende – aan de keukentafel in de woning van [betrokkene 1] die koopovereenkomsten getekend en heeft daarover verklaard dat hij volledig vertrouwde op de expertise van zijn vader en (de goede vriend van zijn vader) [betrokkene 1] . Verdachte heeft daarbij verklaard dat het voor hem de eerste keer was dat hij in een dergelijke voor hem vertrouwde en vriendschappelijke setting onroerend goed aankocht en daarom geen acht heeft geslagen op de inhoud van de koopovereenkomsten en dus ook de te lage koopsommen niet heeft opgemerkt. Op 19 juli 2011 – de dag ná ondertekening door verdachte – heeft de secretaresse van [betrokkene 1] vervolgens de koopovereenkomsten opgestuurd aan de heer [betrokkene 3] van de FGH/RNHB-bank. Het hof overweegt in dit verband dat het minst genomen niet gebruikelijk is dat de verkopende partij zich actief en initiërend opstelt in het contact met een mogelijke hypotheekverstrekkende instantie van de kopende partij.

Bij het voorgaande komt dat juist [vader verdachte] en [betrokkene 1] vervolgens op 8 augustus 2011 (buiten de aanwezigheid van verdachte en [betrokkene 2] ) een inhoudelijk gesprek met [betrokkene 3] hebben gevoerd, waarbij de te lage koopsommen en de redenen daarvan concreet en expliciet ter sprake zijn gekomen en onderwerp van gesprek zijn geweest.

Gelet op deze gehele gang van zaken, waarin – zoals hiervoor uiteengezet – de initiatieven en de daaropvolgende sturende en leidende acties van [betrokkene 1] en [vader verdachte] zijn gekomen, is het hof van oordeel dat de lezing van verdachte voldoende aannemelijk is geworden. Naar het oordeel van het hof is niet komen vast te staan dat verdachte – in deze gegeven bijzondere omstandigheden – op het moment van parafering en ondertekening van de koopovereenkomsten op de hoogte was van de hierin te laag opgenomen koopsommen. Het hof acht opzet bij verdachte op de valsheid van de koopovereenkomsten dan ook niet wettig en overtuigend bewezen.

Dat verdachte in de periode ná ondertekening van de koopovereenkomsten op de hoogte is geraakt van de valselijk opgenomen koopsombedragen én vervolgens het oogmerk heeft gehad om deze valselijk opgemaakte koopovereenkomsten te gebruiken voor financieringsaanvragen bij FGH/RNHB (Rabobank) is naar het oordeel van het hof evenmin komen vast te staan. Het hof leidt uit de stukken in het dossier niet af dat verdachte en [betrokkene 2] tijdens het gesprek met [betrokkene 3] op 22 juli 2011 op de hoogte waren (geraakt) van de te lage koopsommen in de overeenkomsten. Het enkele feit dat [betrokkene 3] de koopovereenkomsten voorafgaand aan het gesprek toegestuurd heeft gekregen van de secretaresse van [betrokkene 1] , is daarvoor onvoldoende. Ook kan naar het oordeel van het hof uit het verslag van dit gesprek van 22 juli 2011 niet ondubbelzinnig worden afgeleid dat over concrete koopsombedragen is gesproken. Verdachte heeft in dit verband ook verklaard dat het gesprek tussen hem en [betrokkene 2] met [betrokkene 3] slechts een kennismakingsgesprek was. Die verklaring past bij het gegeven dat juist [vader verdachte] en [betrokkene 1] op 8 augustus 2011 een gesprek met [betrokkene 3] hebben gevoerd, waarbij inhoudelijk is gesproken over de bedenkingen van de bank bij de hypotheekaanvraag in verband met de in de koopovereenkomsten vermelde hoogte van de (lage) koopsommen.

Het hof acht ook opzet van verdachte op het gebruik maken van de valse koopovereenkomsten niet wettig en overtuigend bewezen, nu niet is komen vast te staan dat hij in de ten laste gelegde periode op de hoogte was (geraakt) van de te lage (valse) koopsombedragen.

Het hof zal verdachte vrijspreken van het onder 1 en 2 tenlastegelegde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Aldus gewezen door

mr. G. Dam, voorzitter,

mr. G.A. Versteeg en mr. L.J. Bosch, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. R.W.P. Soons, griffier,

en op 18 november 2020 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mr. G.A. Versteeg is buiten staat

dit arrest mede te ondertekenen.

Mr. L.J. Bosch is buiten staat dit

arrest mede te ondertekenen.

Proces-verbaal van het in dezelfde zaak voorgevallene ter openbare terechtzitting van het gerechtshof van 18 november 2020.

Tegenwoordig:

mr. B.J.J. Melssen, voorzitter,

mr. M. Zwartjes, advocaat-generaal,

mr. J. de Paauw - de Jong, griffier.

De voorzitter doet de zaak uitroepen.

De betrokkene is niet in de zaal van de terechtzitting aanwezig.

De voorzitter spreekt het arrest uit.

Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de voorzitter en de griffier is vastgesteld en ondertekend.