GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
|
: Wahv 200.243.229/01
|
CJIB-nummer
|
: 208562271
|
Uitspraak d.d.
|
:30 oktober 2020
|
Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Den Haag van 29 juni 2018, betreffende
[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),
wonende te [A] .
De gemachtigde van de betrokkene is B. de Jong LLB., kantoorhoudende te Gouda.
De beslissing van de kantonrechter
De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen door de kantonrechter.
De beoordeling
1. De bezwaren richten zich onder meer tegen de opgelegde sanctie.
2. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 230,- voor: “niet stoppen voor rood licht: driekleurig verkeerslicht”. Deze gedraging zou zijn verricht op 23 juni 2017 om 22:08 uur op de Joubertstraat in Gouda met het voertuig met het kenteken [00-YYY-0] .
3. De gemachtigde voert onder meer aan dat de sanctie ten onrechte met toepassing van artikel 5 van de Wahv aan de betrokkene als kentekenhouder is opgelegd. Niet valt in te zien dat de ambtenaar de bestuurder niet heeft kunnen staande houden, omdat hij niet in een voertuig zat. De ambtenaar is immers gekleed in uniform en beschikt over een portofoon en kan (onder meer) handgebaren maken.
4. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:
“Gedragingsgegevens: Ik had direct zicht op het verkeerslicht en zag dat deze ongeveer 5 seconden op rood stond op het moment dat de betrokkene dit licht negeerde en zijn weg vervolgde. (…)
Opmerkingen ambtenaar 1:
Reden geen staandehouding: rapp (het hof leest: rapporteur) zat niet in voertuig.”
5. Uit artikel 5 van de Wahv volgt het uitgangspunt dat wanneer een gedraging wordt geconstateerd, de ambtenaar de bestuurder staande houdt en zijn identiteit vaststelt, zodat hem een sanctie kan worden opgelegd. Slechts wanneer er geen reële mogelijkheid is geweest om de identiteit van de bestuurder vast te stellen, mag de sanctie aan de kentekenhouder worden opgelegd.
6. De door de ambtenaar opgegeven reden voor het niet staande houden van de bestuurder van het voertuig is op zichzelf niet voldoende voor de conclusie dat staandehouding niet reëel mogelijk is geweest. Niet blijkt waarom niet met een handgebaar de staandehouding kon worden bevolen of waarom de ambtenaar niet in zijn voertuig kon stappen om de bestuurder te trachten te achterhalen. Daarvoor is informatie nodig over de verkeerssituatie ter plaatse op dat moment, de positie van de ambtenaar bij het vaststellen van de gedraging en/of de positie van het voertuig van de ambtenaar. Deze informatie ontbreekt.
7. Het verweer is van meet af aan gevoerd, desondanks is de informatie in het dossier op dit punt niet aangevuld. De advocaat-generaal heeft ervan afgezien een verweerschrift uit te brengen. Het hof ziet gelet hierop geen aanleiding om de advocaat-generaal alsnog in de gelegenheid te stellen deze informatie aan het dossier toe te voegen.
8. In dit geval moet het er derhalve voor worden gehouden dat de ambtenaar ten onrechte toepassing heeft gegeven aan het bepaalde in artikel 5 van de Wahv door de sanctie aan de kentekenhouder op te leggen. Aan die onjuiste toepassing verbindt het hof de consequentie dat de beschikking, waarbij de sanctie aan de betrokkene als kentekenhouder is opgelegd, moet worden vernietigd. Het hof zal beslissen als hierna vermeld. De overige bezwaren behoeven geen bespreking.
9. De proceskosten komen voor vergoeding in aanmerking. Aan het indienen van het administratief beroepschrift, het beroepschrift bij de kantonrechter en het hoger beroepschrift dienen in totaal 3 punten te worden toegekend. Ook aan het telefonisch horen door de officier van justitie dient één punt te worden toegekend. Gelet op de door de gemachtigde geleverde inspanning zal het hof met gebruikmaking van de matigingsbevoegdheid als bedoeld in artikel 2, derde lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht het voor het horen door de officier van justitie toegekende hele punt halveren. De waarde per punt bedraagt € 525,- en gelet op de aard van de zaak wordt de wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toegepast. Aldus zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten tot een bedrag van € 918,75.
De beslissing
Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt de beslissing van de officier van justitie, alsmede de beschikking waarbij onder voormeld CJIB-nummer de administratieve sanctie is opgelegd;
bepaalt dat hetgeen door de betrokkene op de voet van artikel 11 van de Wahv tot zekerheid is gesteld door de advocaat-generaal wordt gerestitueerd;
veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene, ter hoogte van € 918,75.
Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Van der Meulen als griffier en op een openbare zitting uitgesproken.