Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland van 17 mei 2019 met parketnummer 18-670004-18 in de strafzaak tegen
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 26 juni 2020 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal die – kort gezegd – strekt tot bevestiging van het vonnis van de rechtbank. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. Het hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsvrouw, mr. M.J. Buitenhuis, naar voren is gebracht.
De tenlastelegging
Aan verdachte is tenlastegelegd dat:
verdachte op of omstreeks 15 januari 2018, in de gemeente [gemeentenaam] , grovelijk, althans aanmerkelijk onvoorzichtig, onachtzaam en/of nalatig, werkzaamheden heeft uitgevoerd met zijn vrachtwagencombinatie, bestaande uit een trekker (met het kenteken [kentekennummer] ) en een kiepoplegger (met het kenteken [kentekennummer] ) in een (sleuf-)silo gelegen op of nabij perceel [adres] te (of bij) [plaats] , bestaande die werkzaamheden uit het lossen van een partij (bieten-)pulp uit die kiepoplegger in bedoelde (sleuf-)silo, toen voor het lossen van die partij (bieten-)pulp zich er niet van heeft vergewist, althans niet heeft gecontroleerd dat de wielen van die kiepoplegger op een vlakke of egale ondergrond stonden en/of er zich niet van heeft vergewist, althans niet heeft gecontroleerd, of er zich mensen bevonden in het werkgebied van die kiepoplegger, waarna, tijdens het uitschuiven van het kiepgedeelte van die oplegger, dat kiepgedeelte is gaan kantelen, aangezien de wielen van de rechterzijde van die kiepoplegger zich op een bult(je) met een hoogte van ongeveer 20 centimeter bevonden, althans terwijl de wielen van de rechterzijde van die kiepoplegger zich op een bult(je) bevonden, in ieder geval dat een of meer wielen van die kiepoplegger niet op een vlakke of egale ondergrond stonden en vervolgens (deels) terechtgekomen op / in de oplegger die (vlak) naast zijn, verdachtes, vrachtwagencombinatie stond en (deels) [slachtoffer] heeft geraakt die zich bevond in die oplegger, waardoor het aan verdachtes schuld te wijten is dat die [slachtoffer] zodanig letsel heeft bekomen dat die [slachtoffer] aan de gevolgen daarvan is overleden.
Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd.
De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Overwegingen
Verdachte was ten tijde van het tenlastegelegde werkzaam als vrachtwagenchauffeur voor zijn eigen onderneming, [naam bedrijf] . Hij vervoerde ieder jaar tussen september en februari bieten(pulp) voor dezelfde opdrachtgever. Verdachte beschikte over een vrachtwagencombinatie, bestaande uit een trekker van het merk Volvo (kenteken [kentekennummer] ) en een oplegger van [naam 1] (kenteken [kentekennummer] ). De oplegger was van het model 'kipper', waarbij de laadbak via een cilinder omhoog kan worden geschoven om de lading te lossen.1
De toedracht van het ongeval
Op 15 januari 2018 is verdachte naar [plaats] gereden, waar zijn laadbak met behulp van een shovel werd gevuld met circa 36 ton bietenpulp. Verdachte reed vervolgens naar de [adres] in [plaats] , gemeente [gemeentenaam] , waar hij rond 8 uur 's ochtends arriveerde om de lading te lossen.2 Hij parkeerde zijn combinatie voor de vrachtauto van de hem bekende [slachtoffer] die reeds op het terrein stond en bezig was met lossen.
Verdachte sprak kort met [slachtoffer] en kreeg te horen dat de lading pulp zo ver mogelijk achterin de sleufsilo moest worden gelost. Daarop verplaatste verdachte zijn vrachtwagencombinatie naar een positie rechts van de vrachtwagen van [slachtoffer] totdat zijn trekker halverwege de laadbak van [slachtoffer] stond.3 Vervolgens liep hij tussen de twee vrachtwagens door naar de achterzijde en opende hij de deuren van zijn oplegger. Daarna liep verdachte via dezelfde weg terug naar zijn cabine, nam plaats en zette de hefcilinder van de laadbak in werking. Toen de hydraulische telescoopcilinder het hoogst mogelijke punt had bereikt, constateerde verdachte in zijn spiegels dat de lading pulp niet echt loskwam uit de laadbak. Vervolgens voelde hij hoe vrachtwagen inclusief het kipgedeelte naar links begon te kantelen.4 Hij probeerde nog om de cilinder weer te laten zakken, maar dat lukte niet meer. De truck kantelde, viel tegen de oplegger van [slachtoffer] aan en bleef daar in diagonale positie tegenaan staan.5 De cilinder waarop de laadbak rustte, knikte op één punt en brak op een ander punt, waarna de laadbak bovenop en in de oplegger van [slachtoffer] viel.6 Verdachte stapte uit en zag dat [slachtoffer] zich achterin zijn eigen oplegger bevond en door de laadbak van de kipper-oplegger was getroffen.7 Hij vertoonde geen teken van leven meer. De forensisch arts heeft bij de lijkschouw zeer zware verwondingen geconstateerd die niet met leven verenigbaar zijn, zodat naar zijn oordeel sprake is van een evidente doodsoorzaak.8
De oorzaak van het kantelen
Op de vloer van de sleufsilo zijn resten pulp aangetroffen. Verdachte is daar kennelijk overheen gereden. Of één of meer rechterachterwielen van de oplegger ten tijde van het kiepen op deze resten hebben gestaan, wat zou kunnen verklaren waarom de oplegger kantelde, kan op basis van het huidige dossier niet worden vastgesteld. Dat brengt mee dat het tenlastegelegde voor zover daarin het lossen op een niet-egale ondergrond is opgenomen niet kan worden bewezen. Verdachte heeft verklaard dat de laadbak niet gelijkmatig was gevuld en aan de linkerzijde was aangedrukt met de shovel. Dit inklinken zou disbalans hebben kunnen veroorzaken tijdens het kiepen. Shovelmachinist [naam 2] heeft daarentegen betwist dat hij de pulp bij het inladen heeft aangedrukt. Verder zou het ten tijde van het lossen behoorlijk hebben gewaaid wat ook een rol bij het kantelen zou kunnen hebben gespeeld. Het hof komt tot de slotsom dat op basis van het dossier niet een eenduidige oorzaak van het kantelen van de oplegger kan worden vastgesteld. Verschillende factoren kunnen daaraan hebben bijgedragen. Dat brengt mee dat niet kan worden bewezen dat de omstandigheid dat de combinatie tijdens het lossen is gekanteld het gevolg is geweest van een onachtzaamheid of nalatigheid van verdachte.
Het is een feit van algemene bekendheid dat werken met zwaar materieel, zoals een vrachtwagen met kiepmechanisme, een inherent risico op ongevallen met zich brengt. In de Gebruikersdocumentatie behorend bij de [naam 1] kipper wordt dit als volgt omschreven:
‘Kippen is altijd riskant en soms gevaarlijk. Kippers kunnen kantelen op een slechte of scheve ondergrond, bij hoge windsnelheden of wanneer de lading vast blijft zitten.
Voorkom ongevallen door onderstaande veiligheidsmaatregelen in acht te nemen. Waarschuwing! (…)
Tijdens het kippen van de kipbak mogen er geen personen in het bereik van de kipper zijn.’9
Verderop in de documentatie staat het volgende:
‘HET IS VERBODEN OM (…) ZICH IN HET WERKGEBIED VAN DEZE MACHINE TE BEVINDEN.’10
Bij deze tekst is een tekening opgenomen met een kruis er doorheen waarop een persoon is te zien die zich ter linkerzijde van de oplegger bevindt. In de documentatie staat verder:
‘Om de kipper oplegger te kunnen bedienen dient er een werkplek vrijgehouden te worden van 10 meter breed rondom het voertuig.’11
‘Voordat er gekipt gaat worden er zeker van zijn, dat (…) er GEEN MENSEN of OBSTAKELS in de DIREKTE OMGEVING zijn.’12
Verdachte heeft verklaard dat zijn voertuig op ongeveer 3,5 meter afstand van de combinatie van [slachtoffer] stond ten tijde van het ongeval. Bij confrontatie met een foto in het dossier heeft verdachte verklaard dat die afstand ook 2,5 meter kan zijn geweest. Verdachte heeft verklaard dat hem niet bekend was dat er een straal van 10 meter rondom het voertuig moet worden vrijgehouden tijdens het kiepen. Verder heeft hij verklaard dat hij niet over de gebruiksdocumentatie van de kipper beschikt, maar die ook niet nodig heeft omdat hij voldoende ervaring heeft.13 Ook heeft verdachte verklaard dat hij niet wist waar [slachtoffer] zich ten tijde van het kiepen bevond.14 Evenmin heeft hij [slachtoffer] voorafgaand aan het lossen gemaand zich op veilige afstand te begeven.15
Het hof overweegt dat gelet op de inherente gevaren die het werken met een kipper-oplegger met zich brengt van personen die gebruikmaken van een dergelijke machine een hoge mate van zorgvuldigheid wordt verwacht. In het kader van deze verhoogde zorgplicht en daaraan gekoppelde aansprakelijkheid, ook wel ‘Garantenstellung’ genoemd, wordt van bedienaars van zwaar materieel gevergd dat zij zich gedragen als een redelijk handelende en bekwame beroepsgenoot. Dat houdt op zijn minst in dat de door de fabrikant voorgeschreven veiligheidsinstructies nauwgezet worden gevolgd. Naar het oordeel van het hof is verdachte op 15 januari 2018 in die zorgplicht tekortgeschoten. Hij heeft in strijd met de veiligheidsvoorschriften het kiepmechanisme van zijn oplegger in werking gesteld terwijl er zich binnen het werkgebied van de oplegger een andere vrachtauto bevond en terwijl hij niet wist waar de chauffeur van die vrachtauto zich op dat moment bevond. Gelet op algemene ervaringsregels maar ook gezien verdachtes eigen ervaring als vrachtchauffeur, mocht bij hem bekend worden verondersteld dat een chauffeur zich gedurende het lossen van zijn vrachtwagen doorgaans in zijn voertuig of in de nabijheid daarvan bevindt. Verdachte is niettemin gaan kiepen in de nabijheid van de vrachtwagen van [slachtoffer] , zonder zich ervan te verzekeren dat [slachtoffer] zich op een veilige afstand van de kipper-oplegger bevond.
Causaal verband en schuld
[slachtoffer] is getroffen door de laadbak van verdachtes oplegger en als gevolg daarvan overleden. Dit ongeval en het daarop volgende overlijden van [slachtoffer] hadden niet plaatsgevonden wanneer verdachte conform de veiligheidsinstructies ervoor had gezorgd dat het werkbereik van de oplegger vrij was van personen en obstakels. Verdachte had moeten wachten tot [slachtoffer] met zijn vrachtwagen de silo had verlaten dan wel [slachtoffer] moeten verzoeken zich op veilige afstand te begeven voordat hij het kiepmechanisme in werking stelde. De beweerdelijk door [slachtoffer] gegeven instructies maken dit niet anders. Die doen immers niets af aan verdachtes eigen verantwoordelijkheid voor het juist en veilig bedienen van zijn materieel. Het overlijden van [slachtoffer] staat daarmee in rechtstreeks verband met het niet-naleven van de veiligheidsvoorschriften door verdachte. Mede in aanmerking genomen de voorzienbare en verstrekkende gevolgen die het kantelen van een oplegger kan hebben, terwijl voor het risico op kantelen uitdrukkelijk in de handleiding wordt gewaarschuwd en verdachte heeft verzuimd te doen wat bij uitstek van hem werd verlangd, kan het ingetreden gevolg redelijkerwijs aan hem worden toegerekend. Het hof merkt het handelen van verdachte aan als aanmerkelijk onachtzaam, onvoorzichtig en nalatig. Het is aan verdachtes schuld te wijten dat [slachtoffer] door de laadbak werd getroffen en is overleden.
Voor zover overigens door en namens verdachte verweer strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde is gevoerd, wordt dit weerlegd door de gebezigde bewijsmiddelen, waarnaar het hof hiervoor in de voetnoten heeft verwezen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.
Bewezenverklaring
Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
verdachte op 15 januari 2018 in de gemeente [gemeentenaam] aanmerkelijk onvoorzichtig, onachtzaam en nalatig werkzaamheden heeft uitgevoerd met zijn vrachtwagencombinatie, bestaande uit een trekker met het kenteken [kentekennummer] en een kiepoplegger met het kenteken [kentekennummer] , in een sleufsilo gelegen op perceel [adres] te [plaats] , bestaande die werkzaamheden uit het lossen van een partij bietenpulp uit die kiepoplegger in bedoelde sleufsilo, toen voor het lossen van die partij bietenpulp er zich niet van heeft vergewist of er zich mensen bevonden in het werkgebied van die kiepoplegger, waarna, na het uitschuiven van het kiepgedeelte van die oplegger, dat kiepgedeelte is gaan kantelen en vervolgens deels terechtgekomen in de oplegger die vlak naast zijn, verdachtes, vrachtwagencombinatie stond en deels [slachtoffer] heeft geraakt die zich bevond in die oplegger, waardoor het aan verdachtes schuld te wijten is dat die [slachtoffer] zodanig letsel heeft bekomen dat die [slachtoffer] aan de gevolgen daarvan is overleden.
Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.
Oplegging van straf en/of maatregel
De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
Het is aan de schuld van verdachte te wijten dat [slachtoffer] op 15 januari 2018 door de vallende laadbak van de oplegger van verdachte werd getroffen en is komen te overlijden. De dood van [slachtoffer] heeft onherstelbaar leed veroorzaakt bij zijn nabestaanden, met name bij zijn vrouw en zijn kinderen, die verder moeten zonder echtgenoot en vader. Een door het hof opgelegde straf zal op geen enkele manier iets aan dit gemis kunnen afdoen. In het geval verwijtbaar gedrag van een persoon leidt tot – ook door de veroorzaker niet gewilde – dramatische gevolgen voor een ander, zoals in dit geval het overlijden van de heer [slachtoffer] , wordt de hoogte van de straf vooral bepaald door de ernst van het verwijt dat aan verdachte kan worden gemaakt.
De raadsvrouw heeft ter zitting van het hof bepleit om bij bewezenverklaring te volstaan met een schuldigverklaring zonder oplegging van straf. Het hof volgt dit standpunt niet. Oplegging van een straf is in dit geval geboden om het belang van het naleven van zorgplichten te benadrukken. De dodelijke afloop van dit ongeval is het gevolg van schending van essentiële veiligheidsvoorschriften. De onderhavige zaak heeft op pijnlijke wijze duidelijk gemaakt dat deze voorschriften er niet voor niets zijn. Uit oogpunt van normhandhaving kan het niet-naleven ervan met dodelijk gevolg niet onbestraft blijven.
Het hof constateert dat uit het strafblad van verdachte niet blijkt van noemenswaardige andere justitiële contacten. Uit het dossier en bij het onderzoek ter zitting is verder niet gebleken van verdachte betreffende bijzondere omstandigheden die in strafverzwarende of matigende zin moeten uitwerken. Alles overziend acht het hof de door de rechtbank opgelegde en in hoger beroep opnieuw gevorderde taakstraf van 100 uren, te vervangen door 50 dagen hechtenis, passend en geboden.
BESLISSING
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 100 (honderd) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 50 (vijftig) dagen hechtenis.
Aldus gewezen door
mr. L.G. Wijma, voorzitter,
mr. O. Anjewierden en mr. M.C. Fuhler, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. J.C. Huizenga, griffier,
en op 10 juli 2020 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
De voorzitter is verhinderd dit arrest mede te ondertekenen.