GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.269.185
(zaaknummer rechtbank Gelderland 355867)
beschikking van 30 juni 2020
[verzoekster]
,
wonende te [A] ,
verzoekster in hoger beroep, verder te noemen: de moeder,
advocaat: mr. A. van Oosten te Elst, gemeente Overbetuwe,
[verweerder]
,
wonende te [B] ,
verweerder in hoger beroep, verder te noemen: de vader,
advocaat: mr. M. Karsdorp te Apeldoorn.
2 Het geding in hoger beroep
2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift met producties, ingekomen op 11 november 2019;
- het verweerschrift met producties;
- een journaalbericht van mr. Van Oosten van 1 mei 2020;
- een journaalbericht van mr. Karsdorp van 5 mei 2020;
- een journaalbericht van mr. Van Oosten van 14 mei 2020 met producties;
- een journaalbericht van mr. Karsdorp van 25 mei 2020 met productie;
- de spreekaantekeningen van mr. Van Oosten, ingekomen op 1 juni 2020.
2.2
Op 2 juni 2020 was [de minderjarige] aanwezig, die alleen (dus zonder partijen) door het hof is gehoord.
2.3
De mondelinge behandeling heeft op 3 juni 2020 vanwege de maatregelen rondom het coronavirus door middel van een beeldbelverbinding plaatsgevonden. Aanwezig waren:
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
- [C] , namens de raad voor de kinderbescherming (verder: de raad).
3. De feiten
3.1
Het huwelijk van partijen is [in] 2006 ontbonden door echtscheiding.
3.2
Partijen zijn de ouders van [de minderjarige] , geboren [in] 2005 te [B] ,
over wie zij samen het gezag uitoefenen.
3.3
In de onderhandse akte van 6 januari 2006, dat deel uitmaakt van de (echtscheidings)beschikking van 22 februari 2006 staat dat partijen onderling hebben afgesproken dat [de minderjarige] zal worden opgevoed door de moeder en dat zij geen omgangsregeling opstellen.
3.4
In de beschikking van 29 oktober 2007 heeft de rechtbank Zutphen een omgangsregeling tussen de vader en [de minderjarige] vastgesteld van een keer per veertien dagen van zaterdag 10.00 uur tot zondag 18.30 uur, waarbij de moeder [de minderjarige] telkens bij de vader haalt en de vader [de minderjarige] telkens bij de moeder terugbrengt.
3.5
De in de beschikking van 29 oktober 2007 vastgestelde zorgregeling is nooit uitgevoerd. [de minderjarige] verbleef bij de vader de ene week van zondag 10.00 uur tot zondag 18.30 uur en de andere week van zaterdag 17.00 uur tot zondag 18.30 uur.
4 De omvang van het geschil
4.1
In de bestreden, herstelde, beschikking heeft de rechtbank:
- de verzoeken van de moeder tot beëindiging van het gezag samen met de vader en haar
alleen te belasten met het gezag over [de minderjarige] afgewezen;
- de moeder toestemming verleend, die de toestemming van de vader vervangt, voor een
medische benadeling van [de minderjarige] , die inhoudt dat [de minderjarige] deelneemt aan het
Rijksvaccinatieprogramma en dat naar [de minderjarige] psychodiagnostisch onderzoek wordt verricht
door [D] te [B] ;
- de beschikking van de rechtbank Zutphen van 29 oktober 2007 gewijzigd en bepaald als
zorgregeling dat [de minderjarige] bij de vader is om de week op zondag 10.00 uur tot 18.30 uur en de
andere week van zaterdag 17.00 uur tot zondag 18.30 uur, en ook in de zomervakantie
veertien dagen extra (naast de reguliere weekendregeling) en de helft van de feestdagen,
een en ander steeds in onderling overleg tussen de ouders nader in te vullen, waarbij
de ene ouder [de minderjarige] steeds bij de andere ouder brengt, en
- het meer of anders verzochte afgewezen.
4.2
De moeder is met twee grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. De grieven zien op de afwijzing van het verzoek van de moeder haar alleen te belasten met het gezag over [de minderjarige] en op de afwijzing van haar verzoek een raadsonderzoek te gelasten. De moeder verzoekt het hof in een beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, het gezamenlijk gezag met de vader over [de minderjarige] te beëindigen en te bepalen dat de moeder alleen met het gezag over [de minderjarige] is belast, en - voor zover nodig - aan een beslissing van dit hof op dit onderdeel een raadsonderzoek vooraf te laten gaan. De advocaat van de moeder heeft in een brief van 26 mei 2020 aanvullend verzocht de in de bestreden beschikking vastgestelde zorg- en contactregeling van veertien dagen extra in de zomervakantie 2020 niet door te laten gaan.
4.3
De vader voert verweer en hij verzoekt de bestreden beschikking te bekrachtigen, al dan niet onder aanvulling en/of verbetering van de rechtsgronden.
5 De motivering van de beslissing
verdeling zorg- en opvoedingstaken
5.1
Op de mondelinge behandeling zijn de moeder en de vader overeengekomen dat [de minderjarige] in de zomervakantie volgens de reguliere zorgregeling in de weekeinden bij de vader verblijft, en daarnaast in de weken 31 en 35 op de dinsdag, woensdag en donderdag, de tijdstippen in onderling overleg te bepalen. Nu partijen hierover overeenstemming hebben bereikt, zal het hof de bestreden beschikking ook om hierna te noemen andere redenen vernietigen, en op dit punt beslissen zoals partijen zijn overeengekomen.
5.2
In artikel 1:253n van het Burgerlijk Wetboek staat dat de rechter op verzoek van de niet met elkaar gehuwde ouders of van een van hen het gezamenlijk gezag kan beëindigen als nadien de omstandigheden zijn gewijzigd of bij het nemen van de beslissing op grond waarvan het gezamenlijk gezag is ontstaan van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. De rechter kan dan bepalen dat het gezag over een kind aan één van hen toekomt indien:
a. er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of b. wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.
5.3
Het hof is van oordeel dat aannemelijk is geworden dat er een onaanvaardbaar risico is dat [de minderjarige] klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, zoals ook de raad tijdens de mondelinge behandeling heeft geadviseerd. Het hof zal daarom het gezamenlijk gezag van de moeder en de vader beëindigen en de moeder alleen belasten met het gezag over [de minderjarige] . Het hof heeft daarvoor de volgende redenen.
5.4
De ouders zijn kort na de geboorte van [de minderjarige] uit elkaar gegaan. Al snel na de echtscheiding in 2006 werd duidelijk dat de ouders geen vertrouwen in elkaar hebben en wat de opvoeding van [de minderjarige] betreft niet op een lijn zitten. In die situatie is in al die jaren geen verbetering gekomen. De ouders zijn lijnrecht tegenover elkaar blijven staan waar het de opvoeding van [de minderjarige] betreft. In 2007 heeft de vader geweigerd zijn medewerking te verlenen aan mediation. De door rechtbank in de beschikking van 29 oktober 2007 onderstreepte noodzaak van begeleiding door een maatschappelijk werker is evenmin van de grond gekomen. Sindsdien lijken beide ouders geen inspanningen meer te hebben gedaan om hun onderlinge communicatie te verbeteren. Illustratief voor de slechte samenwerking tussen de ouders is dat de rechtbank in de bestreden beslissing nog vervangende toestemming heeft verleend voor deelname aan het Rijksvaccinatieprogramma en het (inmiddels uitgevoerde) psychodiagnostisch onderzoek door [D] ( [D] ). [de minderjarige] ervaart daar de nadelen van.
5.5
In het verslag van [D] van 29 oktober 2019 staat dat bij [de minderjarige] niet gesproken kan worden van een aandachtstekortstoornis (ADD). De problemen die hij op dit moment ervaart komen volgens de orthopedagoog van [D] voort uit een laag zelfbeeld en depressieve stemmingen. Het advies vanuit [D] is ACT voor [de minderjarige] . ACT staat voor Acceptance & Commitment Therapie. Bij de intake van ACT op 18 december 2019 gaf [de minderjarige] aan dat hij graag zou willen dat zijn ouders weer met elkaar zouden communiceren en dat die communicatie niet via hem hoeft te lopen, zoals dat nu gaat. Hieruit spreekt voldoende hoezeer [de minderjarige] klem zit tussen de ouders, dat hij daar last van heeft en daaronder lijdt.
5.6
Niet aannemelijk is dat de ouders in staat zijn om in die situatie voor [de minderjarige] verbetering te brengen. Het is de vader en de moeder ondanks dat diverse vormen van hulpverlening al sinds de echtscheiding in 2006 zijn aangeboden, niet gelukt om in het belang van [de minderjarige] zelfs maar tot een begin van constructieve samenwerking te komen. De vader heeft op de mondelinge behandeling gezegd dat zijn deur voor een gesprek met de moeder open staat en blijft open staan. Het hof deelt de waarneming van de raad op de mondelinge behandeling dat een intrinsieke motivatie (dat wil zeggen: innerlijke drijfveer) daarvoor bij beide ouders er niet lijkt te zijn. Onder deze omstandigheden is het dan ook niet reëel te verwachten dat gesprekken tussen de ouders nog kans van slagen hebben. [de minderjarige] zou bij het uitoefenen van het gezamenlijk gezag geconfronteerd blijven worden met ouders die het niet eens kunnen worden. Als [de minderjarige] weet dat de moeder alleen mag beslissen over belangrijke besluiten over hem, dan verwacht het hof net als de raad dat hem dit meer rust en duidelijkheid zal geven, dan bij voortzetting van het gezamenlijk gezag het geval zou zijn.
5.7
Gezien het bovenstaande, komt het hof aan een beoordeling van het voorwaardelijke verzoek van de moeder tot een onderzoek door de raad niet meer toe.
opmerkingen voor [de minderjarige]
5.8
, je hebt het hof verteld dat je wil dat je ouders samen belangrijke beslissingen over jou blijven nemen. Je hebt verteld dat je het merkt als je ouders het oneens met elkaar zijn over jou. Je verwacht niet dat het beter wordt wanneer je vader geen gezag meer over jou heeft. Het hof vindt jouw mening over dit onderwerp belangrijk. Het hof heeft ook goed geluisterd naar je vader, je moeder en het advies van de raad voor de kinderbescherming. De raad verwacht wel een verbetering voor jou wanneer je moeder alleen beslist over belangrijke zaken zoals schoolkeuze en medische behandeling. Voor je ouders zijn er dan minder onderwerpen waarover zij het eens moeten worden. Dat zal jou meer rust en duidelijkheid geven. Het hof is het eens met het advies van de raad. Natuurlijk heb je gelijk dat daarmee niet alle problemen tussen je ouders zijn opgelost, maar die problemen zullen in ieder geval minder vaak voorkomen.
7 De beslissing
Het hof, beschikkende in hoger beroep:
vernietigt de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, van
28 augustus 2019, en opnieuw beschikkende:
belast de moeder alleen met het gezag over [de minderjarige] , geboren [in] 2005 te [B] ;
wijzigt de beschikking van de rechtbank Zutphen van 29 oktober 2007 met betrekking tot de zorgregeling en stelt de volgende omgangsregeling tussen [de minderjarige] en de vader vast:
- [de minderjarige] is bij de vader de ene week op zondag van 10.00 uur tot 18.30 uur en de andere week van zaterdag 17.00 uur tot zondag 18.30 uur, een en ander steeds in onderling overleg tussen de ouders nader in te vullen;
- [de minderjarige] is in de zomervakantie volgens de reguliere omgangsregeling in de weekeinden bij de vader, en daarnaast in 2020 de weken 31 en 35 op de dinsdag, woensdag en donderdag, en in de overige schoolvakanties twee dagen per vakantie extra, de tijdstippen in onderling overleg tussen de ouders in te vullen,
waarbij zo nodig (als [de minderjarige] dat niet op eigen gelegenheid kan) de moeder [de minderjarige] naar de vader brengt en de vader [de minderjarige] weer bij de moeder terugbrengt:
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. R. Feunekes, J.H. Lieber en, R. Prakke-Nieuwenhuizen bijgestaan door mr. J.M. van Gastel-Goudswaard als griffier, is bij afwezigheid van de voorzitter getekend door mr. R. Prakke-Nieuwenhuizen en is op 30 juni 2020 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.