In het incidenteel hoger beroep is SRN onder aanvoering van vijf grieven, tegen het oordeel van de voorzieningenrechter opgekomen. Tevens heeft SRN haar primaire vordering onder I aldus gewijzigd dat zij het hof verzoekt VGZ te gebieden om bij de beoordeling van toekomstige machtigingsaanvragen van (patiënten van) SRN:
I. Primair
A. i. het oordeel van de behandelend arts tot uitgangspunt te nemen en iedere afwijking daarop objectief en toetsbaar te motiveren aan de hand van landelijke richtlijnen of anderszins gedocumenteerde beroepsnormen, althans op een nader door het hof te bepalen wijze;
ii. een machtigingsaanvraag niet af te wijzen dan nadat zij SRN in een mondeling (telefonisch of fysiek) gesprek heeft uitgenodigd een toelichting te geven op de volgens VGZ ontoereikende machtigingsaanvraag en SRN in de gelegenheid heeft gesteld de ontbrekende informatie te geven, waarbij zij duidelijk, dat wil zeggen objectief en toetsbaar, dient te motiveren waarom de eerder versterkte informatie niet voldoet en welke informatie nodig is om tot een beoordeling te komen.
Verder heeft SRN haar vordering enigszins aangepast omdat het enkel nog gaat om de herbeoordeling van de aanvragen vanaf 19 december (bedoeld zal zijn:) 2019. De herbeoordeling van de aanvragen uit de periode vóór die termijn heeft, als gevolg van de toewijzing van de vordering van de patiënten, al plaatsgevonden, zodat
B als volgt luidt:
B. VGZ gebiedt om alle door SRN in de periode vanaf 19 december 2019 aangevraagde machtigingen, binnen 5 kalenderdagen na de datum waarop arrest wordt gewezen, opnieuw te beoordelen op de wijze onder A beschreven;
C. VGZ verbiedt om na verloop van de 120-dagentermijn van een DOT een nieuwe machtiging te verlangen van (patiënten van) SRN als voorwaarde om de behandeling voort te zetten en/of deze behandeling in rekening te kunnen brengen en VGZ gebiedt om alle declaraties voor vervolg-DBC’s als beschreven in productie J bij de memorie van antwoord aan SRN betaalbaar te stellen binnen veertien dagen na dagtekening van dit arrest;
D. VGZ verbiedt om in het kader van het machtigingsbeleid meer of andere informatie op te vragen dan informatie over de verwijzing en informatie over de indicatie door de revalidatiearts, tenzij VGZ in een individueel geval objectief kan aantonen dat zij gegronde redenen heeft om te twijfelen aan het oordeel van de behandelend revalidatiearts, waardoor meer informatie noodzakelijk is voor de beoordeling van de machtigingsaanvraag en dat het opvragen van aanvullende informatie voldoet aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit;
E. VGZ veroordeelt tot betaling van een bedrag van € 11.359,35 aan buitengerechtelijke kosten aan SRN, te betalen binnen veertien dagen na de datum waarop (bedoeld zal zijn:) arrest wordt gewezen;
alles (behalve vordering sub E) op straffe van een dwangsom van € 10.000,00, of een bedrag dat het hof gerade voorkomt, voor iedere dag dat VGZ in gebreke blijft met het nakomen van deze ge- en/of verboden;
II. Subsidiair
VGZ een zodanig gebod of verbod oplegt als het hof gerade voorkomt op straffe van een dwangsom van € 10.000,00, of een bedrag dat het hof in goede justitie aangewezen acht, voor iedere dag dat VGZ in gebreke blijft met het nakomen van dit ge- en/of verbod;
III. Zowel primair als subsidiair
VGZ veroordeelt tot betaling aan SRN van (werkelijke) kosten van beide instanties, te begroten op € 85.223,00, althans een bedrag dat het hof gerade voorkomt, een en ander met veroordeling van VGZ in de proceskosten en de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.