GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
|
: Wahv 200.240.556/01
|
CJIB-nummer
|
: 200049451
|
Uitspraak d.d.
|
: 9 december 2020
|
Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank
Noord-Nederland van 22 mei 2018, betreffende
[betrokkene] (hierna: de betrokkene),
wonende te [A] .
De gemachtigde van de betrokkene is F.P.B. Waals, kantoorhoudende te Enschede.
De beslissing van de kantonrechter
De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard.
De beoordeling
1. De gemachtigde heeft aangevoerd dat het recht om te worden gehoord is geschonden in de procedure bij de officier van justitie en dat dit door de kantonrechter niet is onderkend.
2. Het hof stelt vast dat het verzoek tot horen in administratief beroep op juiste wijze is gedaan en dat zich ook geen andere uitzonderingsgevallen voordoen, hetgeen door de kantonrechter niet is onderkend. Het hof zal op basis van deze grond - in het licht van bestendige, bekende en daarom niet nader te bespreken vaste rechtspraak van het hof op dit punt - de beslissing van de kantonrechter vernietigen en, doende hetgeen de kantonrechter had behoren te doen, het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond verklaren, die beslissing vernietigen en het beroep tegen de inleidende beschikking beoordelen.
3. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 230,- voor: “niet stoppen voor rood licht: driekleurig verkeerslicht”. Deze gedraging zou zijn verricht op 27 juli 2016 om 09:07 uur op de Hoofdweg in Smilde met het voertuig met het kenteken [00-YY-YY] .
4. De gemachtigde voert aan dat de ambtenaar geen goede reden heeft opgegeven om niet te hebben hoeven staande houden. Niet blijkt dat het niet mogelijk was om de bestuurder van het voertuig staande te houden.
5. Uit artikel 5 van de Wahv volgt het uitgangspunt dat wanneer een gedraging wordt geconstateerd, de ambtenaar de bestuurder staande houdt en zijn identiteit vaststelt, zodat hem een sanctie kan worden opgelegd. Slechts wanneer er geen reële mogelijkheid is geweest om de identiteit van de bestuurder vast te stellen, mag de sanctie aan de kentekenhouder worden opgelegd.
6. De verklaring van de ambtenaar in het zaakoverzicht houdt - voor zover relevant - in dat hij heeft gezien dat met het voertuig van de betrokkene door een rood uitstralend verkeerslicht is gereden en dat geen staandehouding heeft plaatsgevonden, omdat hij bezig was met het uitschrijven van een andere bon.
7. In het op 31 augustus 2020 opgemaakte proces-verbaal is het volgende opgenomen:
“Naar aanleiding van het ingediende bezwaarschrift ter zake bovengenoemd proces-verbaal relateer ik, [B] , het volgende, dat ik na 4 jaar niet meer weet waarom ik geen staandehouding gedaan zou hebben. Ik zie op mijn bon dat ik bezig was met het uitschrijven van een andere bon. Ik zal geen andere staandehouding hebben gehad, ik zal wel bezig zijn geweest met het invoeren van een bon voor het negeren van het rode verkeerslicht op mijn MEOS-telefoon en onder andere de Audi voorzien van het kenteken [00-YY-Y1] (het hof begrijpt: [00-YY-YY] ) door het rode verkeerslicht hebben zien rijden. Het negeren van het rode licht kan op kenteken uitgeschreven worden.”
8. Uit voormelde verklaring volgt dat de ambtenaar ter plaatse was ten tijde van de vaststelling van de gedraging. Hetgeen de ambtenaar naar voren heeft gebracht vormt onvoldoende grond voor de conclusie dat staandehouding niet reëel mogelijk was. Het enkele feit dat de ambtenaar bezig was een bon uit te schrijven rechtvaardigt niet het afzien van een staandehouding. In dit verband overweegt het hof dat de ambtenaar niet heeft gesteld dat en waarom hij het uitschrijven van de andere bon niet heeft kunnen onderbreken om tot staandehouding van de bestuurder van het voertuig van de betrokkene over te gaan. Het hof houdt het er dan ook voor dat zich een reële mogelijkheid tot staandehouding van de bestuurder van het voertuig heeft voorgedaan, hetgeen betekent dat de ambtenaar ten onrechte toepassing heeft gegeven aan het bepaalde in artikel 5 van de Wahv door de sanctie aan de kentekenhouder op te leggen. Aan die onjuiste toepassing verbindt het hof de consequentie dat de beschikking, waarbij de sanctie aan de betrokkene als kentekenhouder is opgelegd, moet worden vernietigd.
9. De proceskosten komen voor vergoeding in aanmerking. Aan het indienen van het administratief beroepschrift, het beroepschrift bij de kantonrechter en het hoger beroepschrift dienen in totaal drie procespunten te worden toegekend. De waarde per punt bedraagt € 525,- en gelet op de aard van de zaak wordt de wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toegepast. Aldus zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten tot een bedrag van € 787,50.
De beslissing
Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt de beslissing van de officier van justitie, alsmede de beschikking waarbij onder voormeld CJIB-nummer de administratieve sanctie is opgelegd;
bepaalt dat hetgeen door de betrokkene op de voet van artikel 11 van de Wahv tot zekerheid is gesteld door de advocaat-generaal wordt gerestitueerd;
veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene, ter hoogte van € 787,50.
Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Lageveen als griffier en op een openbare zitting uitgesproken.