Beoordeling
1. De kantonrechter heeft het beroep niet-ontvankelijk verklaard, omdat niet is gebleken dat
mr. [A] is gemachtigd om namens de betrokkene beroep in te stellen. Mr. [A] is in de gelegenheid gesteld om een schriftelijke machtiging met correcte handtekening van de betrokkene over te leggen, alsmede een kopie van het identiteitsbewijs van de betrokkene. Mr. [A] heeft wel stukken overgelegd, maar geen kopie van het identiteitsbewijs van de betrokkene, zodat de kantonrechter niet kan controleren of de machtiging daadwerkelijk door de betrokkene is afgegeven.
2. Mr. [A] voert aan dat het beroep ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard. Onder verwijzing naar het arrest van het hof van 22 december 2017 (te vinden op rechtspraak.nl onder ECLI:NL:GHARL:2017:11321) stelt hij dat er geen reden was om aan de volmacht te twijfelen.
3. Gelet op wat is overwogen in het arrest van het hof waarnaar mr. [A] verwijst, oordeelt het hof dat de kantonrechter in dit geval de in het dossier aanwezige machtiging niet ontoereikend heeft kunnen achten. Door mr. [A] is bij het administratief beroepschrift een ondertekende machtiging en een kopie van de initiële beschikking overgelegd. Naar het oordeel bestaat in dit geval redelijkerwijs geen twijfel dat mr. [A] optrad namens de betrokkene.
4. Het voorgaande brengt mee dat de beslissing van de kantonrechter niet in stand kan blijven. Het hof zal die beslissing daarom vernietigen en doen wat de kantonrechter had behoren te doen, te weten het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie beoordelen. Het hof beschouwt het hoger beroep als ingesteld namens de betrokkene.
5. De gemachtigde voert onder meer aan dat de hoorplicht is geschonden, nu uitdrukkelijk om het horen is verzocht en geen sprake was van een kennelijk ongegrond beroep.
6. Het hof stelt vast dat het verzoek om te worden gehoord in administratief beroep op juiste wijze is gedaan en dat zich ook geen uitzonderingsgevallen voordoen op grond waarvan de officier van justitie ervan kon afzien om de betrokkene in de gelegenheid te stellen te worden gehoord. Het hof zal het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond verklaren en die beslissing vernietigen.
7. Vervolgens zal het hof overgaan tot de beoordeling van het beroep tegen de inleidende beschikking, waarbij aan de betrokkene als kentekenhouder bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van € 90,- is opgelegd ter zake van “voertuig parkeren op een parkeerplaats voor vergunninghouders zonder parkeervergunning (feitcode R592)”, welke gedraging zou zijn verricht op 25 juni 2016 om 11:45 uur op de Nudestraat te Wageningen met het voertuig met kenteken [00-YY-YY] .
8. De advocaat-generaal wijst er in zijn verweerschrift op dat de sanctie is opgelegd in verband met een overtreding van artikel 8, derde lid, onder sub a en c, van de Parkeerverordening 2012 van de gemeente Wageningen. De onderhavige gedraging behelst echter ook een overtreding van artikel 24, eerste lid, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (hierna: RVV 1990) met feitcode R397i. Beide bepalingen dienen het belang van het reguleren van parkeervoorzieningen, maar voor gemeentelijke verbodsbepalingen die dezelfde materie regelen als het RVV 1990 bestaat geen ruimte. Aldus stelt de advocaat-generaal zich op het standpunt dat aan artikel 8, derde lid onder sub a en c, van de verordening verbindende kracht moet worden ontzegd wegens strijd met artikel 24, eerste lid, van het RVV 1990 en dat de gedraging dient te worden gewijzigd in de gedraging behorende bij feitcode R397i.
9. Uit de verklaring van de ambtenaar in het zaakoverzicht blijkt dat de sanctie is opgelegd ter zake van een overtreding van de "PL.V" (het hof begrijpt: plaatselijke verordening) en dat feitcode R592 is gehanteerd. Hieruit volgt dat de ambtenaar de sanctie heeft opgelegd op basis van de Parkeerverordening 2012 van de gemeente Wageningen. Artikel 8, derde lid, van deze verordening luidt:
‘Het is verboden gedurende de tijden waarop het parkeren op een belanghebbendenparkeerplaats slechts aan vergunninghouders is toegestaan, aldaar een voertuig te parkeren of geparkeerd te houden:
a. zonder vergunning;
b. in strijd met de aan de vergunning verbonden voorschriften.’
10. Ingevolge artikel 121 van de Gemeentewet blijft de bevoegdheid tot het maken van gemeentelijke verordeningen ten aanzien van het onderwerp waarin door wetten, algemene maatregelen van bestuur of provinciale verordeningen is voorzien, gehandhaafd, voor zover de verordeningen met die wetten, algemene maatregelen van bestuur en provinciale verordeningen niet in strijd zijn.
11. Artikel 24, eerste lid, aanhef en onder g, van het RVV 1990 luidt:
‘De bestuurder mag zijn voertuig niet parkeren op een parkeerplaats voor vergunninghouders, aangeduid door verkeersbord E9 van bijlage I, indien voor zijn voertuig geen vergunning tot parkeren op die plaats is verleend.’
12. Laatstgenoemde bepaling is in de 'Tekstenbundel voor misdrijven, overtredingen en Muldergedragingen’ gekoppeld aan feitcode R397i met de omschrijving:
‘Als bestuurder een voertuig parkeren op een parkeerplaats voor vergunninghouders aangeduid door verkeersbord E9 zonder dat voor dat voertuig een vergunning tot parkeren op die plaats was verleend.’
13. Het hof is daarom met de advocaat-generaal van oordeel dat artikel 20, derde lid, van de Parkeerverordening 2012 van de gemeente Wageningen verbindende kracht moet worden ontzegd wegens strijd met artikel 24, eerste lid, aanhef en onder g, van het RVV 1990.
14. Verder zal het hof beoordelen of kan worden vastgesteld dat de gedraging die hoort bij feitcode R397i is verricht.
15. De gemachtigde voert onder meer aan dat de bebording niet is geplaatst in overeenstemming met het Verdrag van Wenen inzake verkeerstekens. Op grond van dat verdrag dient bebording te worden geplaatst "parallel to the axis of the road" en dient kenbaar te zijn op welke parkeerplaats(en) de bebording betrekking heeft. Hieraan is in deze zaak niet voldaan.
16. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:
‘Gedragingsgegevens:
Het voertuig stond geparkeerd op een door bord E9 RVV 1990 aangeduide parkeerplaats welke is voorbehouden aan vergunninghouders. Ik heb geen geldige parkeervergunning waargenomen in het voertuig. (…)
Opmerkingen verbalisant 1:
(…)
In het centrum van Wageningen is een parkeerzonegebied ingesteld. Dit wordt bij drie grote toegangswegen naar het centrum aangegeven met de (uitgebreide) zoneringsborden E04 en diverse aanwijzingen/onderborden wat betreft betaald parkeren. Daarnaast zijn alle straten direct gelegen aan dit parkeerzonegebied voorzien van diverse P-borden (onder andere E04, E09). De gemeente Wageningen heeft binnen dit parkeerzonegebied een aantal toegewezen gebieden voor vergunninghouders, bord E09. Voertuig stond geparkeerd binnen parkeerzonegebied met ongeldige vergunning. Voertuig had een vergunning (…) bestemd voor voertuig met kenteken [01-YY-YY] , nummer vergunning [00000] geldig tot 01-03-2017. (…) Gedurende 10 minuten geen los- en/of laadactiviteiten.’
17. Door de advocaat-generaal zijn een afschrift van het ondertekende brondocument, foto’s van de gedraging en een aantal daartoe behorende bijlagen overgelegd. Hieruit volgt dat de betrokkene, die zelf woonachtig is in [D] , met zijn voertuig met kenteken [00-YY-YY] , ter plaatse heeft geparkeerd met een bewonersvergunning achter de voorruit welke is afgegeven ten behoeve van de bewoners van de [a-straat 1] te [C] voor het voertuig met kenteken [01-YY-YY] .
18. Gelet op het vorenstaande is naar het oordeel komen vast te staan dat de gedraging is verricht. De enkele, niet onderbouwde stelling van de gemachtigde dat de bebording niet overeenkomstig het Verdrag inzake verkeerstekens is geplaatst, geeft geen aanleiding om aan te nemen dat ter plaatse sprake is van een onduidelijke parkeersituatie. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat de betrokkene kennelijk wel uit de bebording heeft opgemaakt dat een parkeervergunning vereist was, echter heeft hij gebruik gemaakt van een parkeervergunning die niet voor zijn voertuig was afgegeven.
19. De gemachtigde stelt verder dat de bestuurder de verbalisant heeft gezien en dat dit betekent dat de verbalisant de mogelijkheid had de betrokkene staande te houden. Er is dan ook onrechtmatig op kenteken bekeurd.
20. Artikel 5 van de Wahv bepaalt - voor zover hier van belang - dat indien is vastgesteld dat de gedraging heeft plaatsgevonden met of door middel van een motorrijtuig waarvoor een kenteken is opgegeven, en niet aanstonds is vastgesteld wie daarvan de bestuurder is, de administratieve sanctie wordt opgelegd aan degene op wiens naam het kenteken ten tijde van de gedraging in het kentekenregister was ingeschreven. Deze bepaling moet aldus worden verstaan dat ingeval zich een reële mogelijkheid tot staandehouding van de bestuurder van het motorrijtuig, waarmee de geconstateerde gedraging is verricht, voordoet, die bepaling buiten toepassing dient te blijven en de sanctie aan die bestuurder dient te worden opgelegd. Een dergelijke staandehouding strekt tot vaststelling van de identiteit van de bestuurder. Uit wetsgeschiedenis leidt het hof af dat indien bij een parkeerovertreding de identiteit van de bestuurder die het voertuig geparkeerd heeft aanstonds vast te stellen is, omdat zich een confrontatie tussen de ambtenaar en de bestuurder van het voertuig voordoet, de ambtenaar tot staandehouding ter vaststelling van de identiteit van de bestuurder dient over te gaan.
21. Het hof is van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat sprake is geweest van een situatie waarbij de ambtenaar - voordat hij alle gegevens die voor het vaststellen van de gedraging met het oog op het opleggen van de sanctie benodigd zijn, eventueel digitaal, heeft genoteerd (in eerdere jurisprudentie ook wel aangeduid als het moment vóór de oplegging van de sanctie) - is geconfronteerd met de persoon van wie hij vermoedde dat deze de bestuurder is geweest. Hierbij wordt vooropgesteld dat de ambtenaar heeft verklaard dat het voertuig van de betrokkene stond geparkeerd en dat hij 10 minuten geen laad- of losactiviteiten heeft waargenomen. Hieruit kan worden afgeleid dat niemand aanwezig was bij het voertuig. Dit wordt ondersteund door de foto van de gedraging, waarop rondom het voertuig van de betrokkene geen aanwezige personen zijn te zien. Het enkel opwerpen dat de bestuurder de ambtenaar heeft gezien is onvoldoende om aan te nemen dat dit het geval is geweest. Voorts brengt de omstandigheid dat de betrokkene de ambtenaar zou hebben gezien op zichzelf nog niet mee dat sprake is geweest van een confrontatie op grond waarvan de ambtenaar kon vermoeden dat de betrokkene de bestuurder is geweest. Naar het oordeel van het hof staat aldus voldoende vast dat zich geen reële mogelijkheid tot staandehouding van de bestuurder heeft voorgedaan, zodat de sanctie terecht aan de betrokkene als kentekenhouder is uitgeschreven.
22. Gelet op het vorenstaande heeft de advocaat-generaal terecht erop gewezen dat geschreven had moeten worden voor de feitcode R397i. De gemachtigde heeft geen bezwaar gemaakt tegen het voorstel van de advocaat-generaal de gedraging te wijzigen. Evenmin is gebleken dat de betrokkene door een eventuele wijziging van de feitcode in zijn belangen is geschaad, temeer nu het sanctiebedrag in beide gevallen € 90,- bedraagt. Het hof zal het beroep tegen de inleidende beschikking daarom gedeeltelijk gegrond verklaren en de aan de betrokkene opgelegde administratieve sanctie in zoverre wijzigen dat de omschrijving van de gedraging en de feitcode komen te luiden: als bestuurder een voertuig parkeren op een parkeerplaats voor vergunninghouders aangeduid door verkeersbord E9, zonder dat voor dat voertuig een vergunning tot parkeren op die plaats was verleend, R397i.
23. Omdat de inleidende beschikking niet wordt vernietigd, is er geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding (vgl. het arrest van het hof van 1 mei 2019, gepubliceerd op rechtspraak.nl met vindplaats ECLI:NL:GHARL:2019:3197).