Op 4 december 2015 heeft de werkgever een concept van de overeenkomst waarin de vertrekregeling is vastgelegd aan belanghebbende versterkt. Op een vraag van belanghebbende of hierin nog wijzigingen kunnen worden aangebracht heeft de werkgever op dezelfde dag ontkennend geantwoord. In de op 8 december 2015 door belanghebbende en de werkgever getekende overeenkomst is – voor zover van belang – het volgende vastgelegd:
“In aanmerking nemende dat:
(…)
partijen dientengevolge overeengekomen zijn dat werknemer de arbeidsovereenkomst zal opzeggen onder voor hem/haar acceptabele voorwaarden;
partijen daartoe afspraken hebben gemaakt in het kader van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst, welke zij hierbij wensen vast te leggen;
(…)
dat werkgever werknemer heeft geadviseerd om vóór de ondertekening van deze overeenkomst (juridisch) advies in te winnen en werkgever aan werknemer een redelijke bedenktijd heeft gegeven voordat werknemer heeft ingestemd met de inhoud van deze overeenkomst;
(…)
Komen als volgt overeen:
1. De arbeidsovereenkomst tussen partijen eindigt (uiterlijk) 1 februari 2016 door opzegging door de werknemer, welke opzegging door ondertekening van deze overeenkomst wordt geëffectueerd.
2. (…)
3. (…)
4. Ter zake van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst stelt de werkgever ten behoeve van de werknemer een bedrag van EUR 107.324,- bruto beschikbaar (hierna te noemen beëindigingsvergoeding);
5. De beëindigingsvergoeding dient ter aanvulling van een elders lager te verdienen loon of enige uitkering krachtens de sociale zekerheidswetten;
6. De beëindigingsvergoeding is niet bedoeld voor de financiële overbrugging van de periode tot het ingaan van het pensioen of de AOW;
7. Betaling door werkgever van de beëindigingsvergoeding onder 4 zal (uiterlijk) plaatsvinden bij de eindafrekening in de maand januari 2016. Op deze uitbetaling van de beëindigingsvergoeding aan werknemer wordt door werkgever hierop in beginsel loonbelasting ingehouden. Er vindt geen inhouding plaats van premies ingevolge de werknemersverzekeringen, daar de vergoeding is aan te merken als inkomen uit vroegere dienstbetrekking.
(…)”