WAHV 200.252.275
31 juli 2019
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
zittingsplaats Leeuwarden
Arrest
op het hoger beroep tegen de beslissing
van de kantonrechter van de rechtbank Midden-Nederland
van 22 november 2018
betreffende
[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),
voor wie als gemachtigde optreedt mr. [B] ,
kantoorhoudende te [C] .
De beslissing van de kantonrechter
De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond verklaard, de beslissing van de officier van justitie vernietigd en het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond verklaard. De verzochte proceskostenvergoeding is toegewezen in de samenhangende zaak met CJIB-nummer 211457356.
Beoordeling
1. De (eerdere) gemachtigde van de betrokkene kan zich niet verenigen met de beslissing van de kantonrechter en voert hiertoe allereerst het volgende aan. De kantonrechter heeft de beslissing van de officier van justitie vernietigd wegens schending van de hoorplicht en vervolgens het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond verklaard. Volgens de gemachtigde had de kantonrechter echter geen beslissing mogen nemen op het administratief beroep tegen de inleidende beschikking. Dit is volgens de gemachtigde niet een beslissing die de kantonrechter op grond van artikel 13 van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (hierna: Wahv) kan nemen. Volgens de gemachtigde kan de beslissing van de kantonrechter om die reden dan ook geen stand houden.
2. Artikel 13, eerste lid, van de Wahv bepaalt dat de kantonrechter, indien hij het beroep ontvankelijk acht en bevindt dat de beslissing van de officier van justitie niet of niet ten volle gehandhaafd kan worden, het beroep geheel of gedeeltelijk gegrond verklaart en de daarbij bestreden beslissing vernietigt dan wel wijzigt.
3. De Wahv voorziet niet in een mogelijkheid voor de kantonrechter om een bij de rechtbank aanhangige beroepsprocedure terug te wijzen naar de officier van justitie. Artikel 9, eerste lid, van de Wahv verklaart hoofdstuk 8 van de Algemene wet bestuursrecht buiten toepassing, zodat de daarin opgenomen terugwijzingsmogelijkheid niet van toepassing is in zaken betreffende de Wahv. Indien de kantonrechter de zaken had teruggewezen naar de officier van justitie, dan zou de kantonrechter hebben gehandeld in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wahv. Het verweer treft derhalve geen doel.
4. Verder is het hoger beroep alleen gericht tegen de beslissing van de kantonrechter voor zover deze het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond heeft verklaard.
5. Bij deze inleidende beschikking is aan de betrokkene een administratieve sanctie van € 230,- opgelegd ter zake van “als bestuurder tijdens het rijden een mobiele telefoon vasthouden”, welke gedraging zou zijn verricht op 16 oktober 2017 om 10:07 uur op de Rijksweg A2 te Breukelen met het voertuig met het kenteken [YY-000-Y] .
6. Namens de betrokkene wordt aangevoerd dat de gedraging niet is verricht omdat het Autopilot-systeem van het voertuig, een Tesla Model X, stond ingeschakeld ten tijde van de geconstateerde gedraging. Om die reden kan hij (samengevat) niet als feitelijk bestuurder van het voertuig in de zin van artikel 61a van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (hierna: RVV 1990) worden aangemerkt.
7. De vertegenwoordiger van de advocaat-generaal is van mening dat de betrokkene niet heeft aangetoond dat de Autopilot stond ingeschakeld en dat de discussie omtrent het al dan niet aangemerkt kunnen worden als bestuurder achterwege kan blijven.
8. De onderhavige gedraging betreft een overtreding van artikel 61a (oud) van het RVV 1990 inhoudende:
''Het is degene die een motorvoertuig, bromfiets, snorfiets of gehandicaptenvoertuig dat is uitgerust met een motor bestuurt verboden tijdens het rijden een mobiele telefoon vast te houden. Onder een mobiele telefoon wordt verstaan een apparaat dat bestemd is voor het gebruik van mobiele openbare telecommunicatiediensten.''
9. Een daartoe aangewezen ambtenaar kan op grond van artikel 3, tweede lid, van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften een administratieve sanctie opleggen voor een gedraging die onder meer door deze ambtenaar zelf is vastgesteld. Dat de gedraging is verricht, moet voldoende blijken uit de beschikbare gegevens.
10. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:
"Gedragingsgegevens: ik zag dat de bestuurder tijdens het rijden een op een telefoon gelijkend voorwerp met zijn rechterhand vasthield. Bij de staandehouding zag ik dat het een mobiele telefoon betrof van het merk: Samsung. (…)
Verklaring betrokkene: volgens de politieagent die mij bekeurde reed de auto veilig. En werd ik bekeurd voor het in handen van de mobiele telefoon.''
11. Ter discussie staat niet of de betrokkene een mobiele telefoon heeft vastgehouden, aangezien hij dit erkent, maar of hij ten tijde van de gedraging kan worden aangemerkt als bestuurder in de zin van artikel 61a van het RVV 1990. Het hof stelt vast dat, anders dan in de zaak waar het hof heden eveneens beslist, uit de gegevens in het zaakoverzicht niet blijkt dat de betrokkene ten tijde van de gedraging de Autopilot had ingeschakeld en dat door de (gemachtigde van de) betrokkene ook niet aannemelijk is gemaakt dat de Autopilot ten tijde van de gedraging was ingeschakeld.
12. Reeds gelet hierop staat vast dat de gedraging is verricht. De kantonrechter heeft een juiste beslissing gegeven door het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond te verklaren. Nu de kantonrechter er echter vanuit is gegaan dat de Autopilot van het voertuig ten tijde van de gedraging stond ingeschakeld en zijn overwegingen dientengevolge heeft gestoeld op de vraag of de betrokkene als bestuurder in de zin van artikel 61a van het RVV 1990 kan worden aangemerkt, zal het hof de beslissing van de kantonrechter bevestigen met verbetering van gronden.
13. Omdat de inleidende beschikking niet wordt vernietigd, is er geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding (vgl. het arrest van het hof van 1 mei 2019, gepubliceerd op rechtspraak.nl met vindplaats ECLI:NL:GHARL:2019:3197).